Doorgaan naar content

Grootste schenking
in de afgelopen
tien jaar

Muzikale families zijn een bekend verschijnsel. Van de familie Bach tot aan de Von Trapp-familie uit de Sound of Music: veel leden van dezelfde familie zijn besmet geraakt met de liefde voor de muziek, hetzij op professioneel niveau, hetzij als liefhebber. Ook in Nederland zijn hiervan talloze voorbeelden te noemen. Van één van deze families ontving Het Muziekinstrumentenfonds de grootste schenking van de afgelopen tien jaar. Vanaf 2016 leeft de familie Vogelaar voort in de ‘Willem Vogelaar collectie’ van het fonds.

Nieuws
2 januari 2017 door Marcel Schopman

Elly Lentz

Dit verhaal begint in 1900, het geboortejaar van Elly Lentz. Zij is één van de zes kinderen uit de familie Lentz, waarvan er drie professioneel musicus worden. Piet, haar jongere broer, speelt cello en gamba en richt, samen met Szymon Goldberg, het Nederlands Kamerorkest op, waarin hij tot aan zijn pensionering solo-cellist blijft. Elly zelf speelt piano. Na haar afstuderen aan het Amsterdams Conservatorium in 1922 mag zij in 1923 op voor de Prix d’Excellence, met niemand minder dan het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Zij speelt (onder meer) het tweede Brahmsconcert en slaagt cum laude. Als prijs mag ze gaan studeren in Parijs, bij Alfred Cortot. Omdat haar vader daar een stokje voor steekt, komt het daar niet van. Elly reist dan af naar Nederlands-Indië voor een concerttournee, waar zij haar latere echtgenoot, Willem (‘Wim’) Th. Vogelaar ontmoet, die daar destijds voor Shell werkte. Uit dat huwelijk worden vier kinderen geboren, waaronder de zonen Willem (1931) en Floris (1944). Zij geeft uiteindelijk haar concertcarrière op en gaat zich toeleggen op het geven van pianolessen aan ‘gevorderden’.

Willem Vogelaar

De oudste Willem, blijkt een artistiek begaafde jongen en een groot estheticus te zijn. Zijn moeder leert hem pianospelen, wat hij graag doet, maar wel als eenling. Voor samen spelen is hij te eigengereid. Op de middelbare school volgt hij balletlessen en later, tijdens zijn studie, is hij zeer actief in het Amsterdamse studententoneel en speelt geregeld met mensen als Annet Nieuwenhuyzen, Marion Gobeau, Elise Hoomans, Peter Lohr, Hans van den Bergh en Kick Stockhuyzen. Daarnaast schildert hij en op latere leeftijd, geïnspireerd door zijn echtgenote, beoefent hij het pottenbakken. Zijn verfijnde smaak komt dan ook terug in de inrichting en het interieur van zijn huis, dat van museale kwaliteit is.

Broer Floris

Zijn broer Floris wordt dertien jaar later geboren. Door het grote leeftijdsverschil tussen beide broers, ontwikkelt zich pas na hun jeugd een intense vriendschap. Floris krijgt net als Willem ook pianoles van zijn moeder, maar dat is niet bepaald zijn grote liefde. Les hebben van zijn eigen moeder beschouwt hij niet als les, maar veeleer als opvoeding. Dat is geen inspirerende gedachte voor hem. Hij prefereert de cello, of ‘die grote viool’, zoals hij die noemt. Oom Piet komt als geroepen. Als de jonge Floris in Amsterdam uit logeren gaat bij oom Piet, mag hij op één van diens instrumenten proberen te spelen. Het is liefde op het eerste gezicht. Hij priegelt eindeloos op de halve cello. De cello prefereert hij boven de piano, omdat deze het meest lijkt op de menselijke stem. En overigens ook omdat hij die twee notenbalken bij de piano maar lastig vindt...

Hoewel hij voorbestemd lijkt te zijn voor het conservatorium, komen er andere interesses voorbij die Floris een andere weg doen inslaan. In het ouderlijk huis in Eindhoven, waar Elly’s conservatoriumtijdgenoot Eduard van Beinum af en toe komt logeren, vindt moeder Elly dat maar moeilijk te aanvaarden. Maar Floris is niet te vermurwen. Eerst is daar de sport die Floris grijpt, later de biologie (nieuwe dieren ontdekken in het Amazonegebied lijkt hem wel wat), maar een studie biologie strandt al gauw wegens verregaande kleurenblindheid. Ten slotte kiest hij voor de rechtenstudie. In de Van Breestraat in Amsterdam, waar hij tijdens zijn studie vanaf 1962 woont, speelt hij eindeloos cello. Oom Piet woont immers in de buurt en geeft hem les. In drie jaar leert hij waar anderen acht jaar over doen. Floris wordt lid van het Amsterdams Studenten Orkest en speelt in een aantal kamermuziekensembles.

Het Muziekinstrumentenfonds ‘avant la lettre’

Jaren later. Willem is inmiddels psychiater en speelt nog immer piano, nu op zijn Yamaha-vleugel, thuis in Wageningen. Floris is advocaat en wordt in 1973 door zijn kantoor uitgeleend aan een Londens kantoor om daar de Engelsen te adviseren over de gevolgen van de toetreding van het VK tot de EEG. Eén van zijn kantoorgenoten blijkt bestuurslid te zijn van een stichting, die de cello beheert die Jacqueline du Pré bespeelde. Antonio Stradivari bouwde deze ‘Davidoff’ in 1712. Yo-Yo Ma krijgt dit instrument dan later in bruikleen van de stichting. Floris ziet en hoort met eigen ogen en oren wat een instrumentenfonds voor een musicus kan betekenen. Als dan zijn oom Piet in 1978 overlijdt, blijkt deze een soort Het Muziekinstrumentenfonds ‘avant la lettre’ te hebben gerund. In de nalatenschap van Piet bevinden zich maar liefst 27 celli, waarvan het merendeel uitgeleend is aan bevriende (oud-)leerlingen en musici.

Nalatenschap

Willem en Floris hebben een hechte vriendschap ontwikkeld en begin jaren ‘90 komt het onderwerp ‘nalatenschap’ ter sprake. Beide broers hebben geen kinderen en Willem vraagt advies aan Floris wat te doen met zijn vermogen. Daar heeft Floris wel een antwoord op, want door zijn ervaringen in Londen en de afhandeling van de collectie celli van zijn oom, heeft Floris het plan opgevat na zijn dood een stichting in het leven te roepen die instrumenten kan verwerven om uit te lenen aan jonge talentvolle musici. Willem vindt dat een uitstekend idee en besluit hetzelfde te doen. Niet zo lang daarna, in 1998, sterft hij onverwachts: hij is dan pas 67 jaar oud. Omdat zijn weduwe het vruchtgebruik van zijn nalatenschap heeft, gebeurt er voorlopig nog niets met de, na de dood van Willem, nieuw opgerichte stichting. Floris wordt van die stichting de voorzitter en Rob de Ruwe, Willems pensioen- en belastingadviseur, fungeert als secretaris/penningmeester.

Rond de eeuwwisseling hoort Floris voor het eerst van het bestaan van Het Muziekinstrumentenfonds. Een krantenartikeltje in de NRC maakt hem op het Fonds attent. In de jaren erna ontstaat langzamerhand het idee om niet zelf instrumenten aan te kopen en te beheren, maar dat door het fonds te laten doen. Floris en Rob de Ruwe realiseren zich dat selectie, aankoop, beheer en dergelijke vragen om expertise, tijd en geld. Professionaliteit inschakelen lijkt daarom verre te prefereren boven zelf het wiel proberen uit te vinden. Als de weduwe van Willem eind 2014 komt te overlijden, eindigt het vruchtgebruik, komen de gelden van de stichting vrij en neemt Floris contact op met Het Muziekinstrumentenfonds. Al snel blijkt het te klikken tussen beide partijen.

Eind 2016: de laatste betaling van de stichting aan Het Muziekinstrumentenfonds is inmiddels gedaan. In totaal is er een bedrag van ruim € 800.000 overgemaakt. Van dat geld zijn een viool van Gennaro Gagliano (Napels, 1755), een Engelse bas uit de 19e eeuw en een Cuypers-cello (Den Haag, 1771) aangekocht. Op het verlanglijstje staan nog een bas en een cello. De Yamaha-vleugel van Willem is ook aan het Fonds overgedragen. Bas, cello en vleugel hebben binnen no time een bespeler gevonden. Bassiste Uxía Martínez Botana, cellist Nitzan Laster, violist Michael Foyle en pianiste Anne Veinberg zijn de gelukkigen.

Willem Vogelaar collectie

Het verhaal eindigt op 1 december 2016, als de stichting is opgeheven. Floris kijkt met tevredenheid terug op de afgelopen periode. Er is voldaan aan de wens van zijn broer: met zijn vermogen en zijn vleugel worden waarschijnlijk zes talentvolle musici geholpen. Zo heeft hij het gewild. De instrumenten zijn ondergebracht in de ‘Willem Vogelaar collectie’ binnen Het Muziekinstrumentenfonds. Willem, voor wie kunst zo belangrijk was in het leven, leeft voort in de instrumenten waar zijn naam aan blijft verbonden.