Doorgaan naar content
bouwer

Santo Serafin

*1699 , Udine      †1767 , Venetië

Met de tekst ‘Sanctus Seraphin Utinensis’ op zijn etiketten zou Santo Serafin gedurende een groot deel van zijn werkzame leven vermelden dat hij afkomstig was uit de stad Udine. Udine was Venetië in het klein en lag er niet ver vandaan. Het was een cruciaal handelsknooppunt tussen Noord- Europa en Venetië. Het paleis van de familie Savorgnan sprak tot de verbeelding, daar had zich het verhaal van Romeo en Julia afgespeeld. Lokale adellijke families bootsten de Venetiaanse levensstijl na, wat had geleid tot de bouw van voorname, rijk versierde paleizen en een veelheid aan kunst. Over Santo’s ouders weten we niets, wel dat hij een oudere broer had met een zoon, die een grote rol zou gaan spelen in Santo’s latere levensjaren. Santo werd in 1699 geboren en begon vijftien jaar later bij Francesco Goffriller zijn loopbaan als vioolbouwer.
Werkplaats(en)
Venetië, 1721- ±1759

Udine en de Ospedales 

Udine was ook de zetel van patriarchen en van de adelijke Venetiaanse families Vendramin, Dolfin en Manin die in Venetië een paleis bezaten en in Udine een zomerresidentie hadden. Zij waren de financiers en bestuurders van banken, maar ook van de Venetiaanse ‘ospedales’: meisjesweeshuizen, conservatoria en kloosters ineen. Vermaard waren hun muziekavonden die vaak gegeven werden door de Figlie di Coro van de ospedales en zij huurden leraren van de ospedales in om muziekonderwijs te geven. Dat was ook het geval met de familie Contarini. In Venetië en in Udine hadden zij een palazzo, maar voor Santo Serafin en zijn leraar Francesco Goffriller was het van belang dat de familie een kostbare collectie strijkinstrumenten bezat, en in Udine ontbrak het aan een goede vioolbouwer. 

Komst van Francesco Goffriller en Santo’s leerjaren 

Toen Santo vijftien was, kwam vioolbouwer Francesco Goffriller naar Udine. Met zijn 22 jaar was hij niet veel ouder dan Santo. De uitnodiging om naar Udine te komen, kwam waarschijnlijk van de Savorgnans. Francesco Goffriller was opgeleid door zijn vader die in Venetië een zeer vooraanstaande vioolbouwer was. In Udine kon Francesco uit zijn schaduw komen en er vrijer werken dan hij dat in Venetië zou kunnen. 

Francesco Goffrillers werkplaats werd al snel een ontmoetingspunt voor bouwers en musici uit de streek. Kort nadat Francesco Goffriller zich had gevestigd, werd Santo zijn leerling. Hij was vijftien en bleef bij hem tot zijn twintigste. Zijn herkomst heeft Santo altijd breed uitgemeten: hij vermeldde niet alleen dat hij uit Udine kwam, maar liet van 1725 tot zeker 1750 het etiket uitbundig versieren. 

Droogte in Udine 

Udine was in de zomer dan wel een toevluchtsoord voor rijke Venetianen, het had ook een ernstige tekortkoming: er was groot gebrek aan water. Het was de inwoners van de stad verboden om binnen de muren van de stad kleding en huiden te wassen of afval in het water te gooien. Op verspilling van water stonden strenge straffen. Alleen de patriciërs waren daarvan uitgezonderd. De werkplaats van Francesco Goffriller lag dan ook niet in het centrum, maar in Borgo Grazzano, net buiten de stadsmuur. Door de droogte trokken er inwoners weg en daarmee ook de welvaart onder de minder prominenten. En voor een tweede vioolbouwer was er in Udine geen plaats.

‘Componist Marieta Morosina Priuli was waarschijnlijk
Serafins entree tot de machtigen van Venetië’

Serafins eerste jaren in Venetië 

Venetië groeide en Santo Serafin wilde daar aan het werk. Een jaar na de begrafenis van zijn vader die in 1717 overleed, vertrok hij. Santo voegde zich bij zijn oudere broer Giovanni Battista, die samen met zijn zoon Giorgio al enkele jaren eerder naar Venetië was verhuisd. Eerst werkte Santo nog even in het atelier van een kunstschilder, daarna als bediende bij de hoogbejaarde componist Marieta Morosina Priuli. Haar stukken voor viool en spinet waren geliefd bij de Venetiaanse adel. De familie Priuli behoorde tot de invloedrijkste aristocratische geslachten van Venetië en had door de eeuwen heen verschillende doges voortgebracht. Voor Santo was zij waarschijnlijk zijn entree tot de machtigen van Venetië. 

Venetiaans gilde als poortwachter

Francesco’s vader Matteo Goffriller (1659-1742) was al op leeftijd, maar nog steeds actief toen Santo Serafin in Venetië arriveerde. Het is aan te nemen dat hij de leerling van zijn zoon introduceerde bij de bouwers van Venetië, maar het gilde stond niet toe om hem zelf aan te nemen.

Geen vioolbouwer van buiten Venetië kon zo maar een eigen bedrijf beginnen. Eerst diende men toegelaten te worden tot de Scuola dei Marzeri, het gilde van handwerkslieden. Lidmaatschap was een voorwaarde om binnen de republiek Venetië onder eigen naam instrumenten te mogen bouwen. Die harde eis was door de Scuola Marzeri ingesteld om de concurrentie onder vioolbouwers in Venetië binnen de perken te houden. De toelating kon pas overwogen worden na een paar jaar bij een meester vioolbouwer gewerkt te hebben en die te hebben afgesloten met een meesterproef. 

Geen vioolbouwer van buiten Venetië kon zo maar een eigen bedrijf beginnen. Eerst diende men toegelaten te worden tot de Scuola dei Marzeri, het gilde van handwerkslieden.

Gezien het werk dat Santo in zijn begintijd maakte was dat hoogstwaarschijnlijk bij Carlo Tononi. Deze bouwer had samen met Pietro Guarneri uit Cremona gewerkt. Guarneri bracht in 1724 toen hij in Venetië arriveerde een grote hoeveelheid kennis over vioolbouw uit Cremona mee, waar hij tien jaar lang had gewerkt in de werkplaats van zijn vader en later nog enkele jaren als zelfstandig bouwer. Santo moet hem en zijn werk ongetwijfeld hebben gekend. In verfijning leek hun werk op elkaar. Al in 1760 wordt Santo Serafin door de Venetiaanse historicus Gradenigo, in zijn ‘Notatori’, dezelfde bekwaamheid toegeschreven als Pietro Guarneri. 

Een eigen werkplaats: Santa Maria dei Sette Dolori 

Na circa vijf jaar vermoedelijk werkzaam te zijn geweest bij Carlo Tononi, werd Santo Serafin in 1733 toegelaten tot de Marzeri en kon hij zich als zelfstandig vioolbouwer vestigen. Zijn eerste eigen werkplaats bevond zich in de Calle dei Stagneri, op korte afstand van de Calle della Mandola, waar Pietro Guarneri gevestigd was. Ook Pietro Guarneri had lang op de toelating tot het gilde moeten wachten en begon net als Santo pas in 1733 voor eigen rekening. 

Zijn eerste eigen werkplaats bevond zich in de Calle dei Stagneri, op korte afstand van de Calle della Mandola, waar Pietro Guarneri gevestigd was.

Serafin nam de werkplaats over van Giovanni Battista Curci, een vioolbouwer die sinds 1672 voornamelijk als handelaar actief was en in zijn winkel vooral instrumenten uit de Venetiaanse regio verkocht. Santo’s neef Giorgio Serafin werkte al bij Curci. Aangenomen wordt dat Serafin in de jaren voorafgaand aan Curci’s overlijden in 1728 ook als medewerker in diens werkplaats werkzaam was. Sommige historici veronderstellen bovendien dat Serafin eerder korte tijd in dienst was bij Domenico Montagnana, wiens atelier zich enkele deuren verder bevond, voordat hij de zaak van Curci’s weduwe huurde voor 457 liras. Het uithangbord boven de winkel, Santa Maria dei Sette Dolori, liet Santo hangen. 

Leven met meesters en mecenassen 

Santo Serafin moest zijn weg zoeken in een stad waar zeker 12 andere vioolbouwers naar opdrachten dongen van beroepsmusici, muziekacademies en de Venetiaanse rijken. Aristocratische families financierden de muzikale programma’s op grote schaal, trokken musici aan en bevoorrechtten bevriende vioolbouwers. De Vendramins en Grimani’s bezaten de meeste operatheaters en hadden kostbare collecties muziekinstrumenten. De handel daarin liep gewoonlijk via de vioolbouwer. Ook Santo handelde in instrumenten en gezien zijn economische status werd hij daar later erg succesvol in. Waarschijnlijk werd hij daarin bijgestaan door een van de Savorgnans die tot de Venetiaanse “Mecenati di ricchezza e influenza” behoorde en die hem hielpen zijn status als vioolbouwer in Venetië te vestigen.

In de gunst komen bij invloedrijke opdrachtgevers was een voorwaarde voor succes. Niet alleen voor musici maar ook voor vioolbouwers. Santo Serafin slaagde daar goed in.

Publieke festivals, waarvan er in Venetië meer werden gehouden dan waar ook in Europa, waren kleur- en luisterrijke aangelegenheden. Ze werden allemaal gefinancierd door de aristocratie van de stad. Goede musici werden royaal beloond, minder gevraagden hadden het moeilijk. In de gunst komen bij invloedrijke opdrachtgevers was een voorwaarde voor succes. Niet alleen voor musici maar ook voor vioolbouwers. Santo Serafin slaagde daar goed in. Rond 1740 was hij de bekendste en meest succesvolle bouwer van de stad. De kwaliteit van zijn werk was nog niet helemaal gelijk aan dat van Domenico Montagnana, maar in zijn commerciële activiteiten overtrof hij hem. 

De Venetiaanse ospedales: muziek, onderwijs en opdrachten 

Andere belangrijke opdrachtgevers voor Santo Serafin waren de ‘ospedales’. In deze meisjesweeshuizen werden ook de onechte dochters van de adel ondergebracht. Zij kregen op hoog niveau muziekonderwijs om hun kans op de huwelijksmarkt te vergroten. De adel en patriciërs bekostigden de ospedales vaak ruimhartig. De begaafde meisjes kregen les van grote violisten als Tartini, Hasse en Lotti.

Op het grootste en meest beroemde ‘Ospedale della Pietà’, lag het niveau het hoogst. Daar had Vivaldi de leiding. Hij was als Maestro di Violino verantwoordelijk voor de aanschaf en kwaliteit van de violen bij de Pietà. Er is een Serafin-viool uit 1733 die in vrijwel ongewijzigde staat is teruggevonden en door experts wordt geassocieerd met de periode waarin Vivaldi zijn hoogtijdagen vierde bij de Pietà. De Vendramins en Grimani’s waren de belangrijkste bestuurders die het muzikale niveau bewaakten en de aanstelling van Vivaldi bij de Pietà 30 jaar continueerden. Het waren families die ook in Udine woonden.

‘Santo Serafin was curator
en ‘liutaio’ (vioolbouwer)
bij tenminste een van de ospedales’

Optreden van 'Figlie di Coro' van een van de ospedales

Niet alleen meisjes van het internaat, maar ook vrouwen ‘van buiten’ met voldoende financiële middelen voor muziekles, konden in de ospedales terecht. Maar alleen als ze een eigen instrument meenamen. Wanneer ze daar niet over beschikten, konden zij die aanschaffen bij een van de Venetiaanse vioolbouwers als Serafin. 

Voor de vioolbouwers leverden de werkzaamheden aan de instrumenten van de ospedales ook inkomsten op. De instrumenten moesten, al naar gelang de muzikale mode, vervangen, aangepast of onderhouden worden. Het staat vrijwel vast dat Santo Serafin in de loop der jaren een rol ging spelen bij de orkesten van minstens één ospedale of er de vaste vioolbouwer van werd. 

Santo Serafin was curator en ‘liutaio’ (vioolbouwer) bij tenminste een van de ospedales. Op papier is daar niets van teruggevonden maar Giorgio Serafin, neef, leerling en enige medewerker, noemde zich in zijn toespraak ter gelegenheid van zijn aanstelling tot officiële curator en liutaio bij een van de ospedales, de opvolger van Domenico Montagnana èn van Santo Serafin. Giorgio bekleedde jarenlang deze functie bij drie van de vier Venetiaanse Ospedali, een positie die was voorbehouden aan de meest prominente vioolbouwer van de stad. 

Familiebanden, laatste jaren en de werkplaats van Montagnana 

Santo Serafin werd naar het oordeel van het gilde te succesvol. Zij stelden hem voor de keuze een extra heffing af te dragen of hem tijdelijk het recht om in Venetië te werken te ontnemen. Enkele adellijke beschermers voorkwamen beide. 

In 1745 sloot Santo Serafin zijn zaak. Zijn instrumenten verkocht hij daarna via Domenico Montagnana, bij wie hij een jaar later ook ging werken. In 1750 overleed Montagnana binnen één maand tijd aan een ‘hypochondrische ziekte’. Zijn drie dochters zetten de zaak voort met Giorgio Serafin als leidinggevende in de werkplaats. Voorwaarden die in het contract stonden waren stringent: binnen zes maanden moest hij met Antonia Montagnana trouwen en de opbrengst van de zaak moet verdeeld worden over zijn vrouw en haar twee zussen. En alvorens een besluit te nemen moest hij overleggen met alle drie. De beide ‘garcones’ mocht hij niet ontslaan; hij diende ook onderkomen en eten voor hen te betalen. Maar Santo mocht zijn instrumenten onder eigen naam blijven verkopen. En vermoedelijk bouwde hij die ook in de voormalige werkplaats van Montagnana.

Giorgio bouwde in deze samenstelling zeventien jaar instrumenten, niet onder zijn eigen naam maar onder die van Montagnana. Santo was succesvol geweest, maar Giorgio evenaarde hem. In 1751 moest Giorgio het hoogste bedrag tot dan toe afdragen aan het Gilde en desondanks kon hij zich een groot appartement veroorloven. De eisen van de dochters Montagnana bleken in de loop van de jaren zo hoog te zijn dat Giorgio daar nauwelijks aan kon voldoen. Hij overleed in januari 1775 en vanaf dat moment werd het contract omgezet en nam Santo de leiding op zich. Dat duurde slechts een jaar; op 6 februari 1776 overleed Santo Serafin na een ziekbed van zeven maanden.

De luit, hier in handen van Gravin Eleonore von Schlieben, Antoine Pesne, olieverf op canvas (ca. 1745)

Voorgangers: Martinus Kaiser en Matteo Goffriller

Zijn eigen instrumenten waren licht gebaseerd op Nicolò Amati zoals de eerste Venetiaanse vioolbouwer Martinus Kaiser ze maakte, maar met een Venetiaanse verfijning. Zo vooruitstrevend als de Venetianen waren op het gebied van nieuwe muziek, zo behoudend waren ze met de instrumentatie ervan. Het waren vooral de vedel, in al zijn formaten en varianten, en de luit die de uitvoeringspraktijk lang domineerden. Van de moderne viool en cello zoals de vioolbouwers in Brescia en Cremona ze bouwden, moesten de Venetianen tot het eind van de zeventiende eeuw niets weten. Dat veranderde toen vooruitstrevende musici instrumenten wilden waarmee ze aan de nieuwe muzikale ontwikkelingen konden voldoen. De eerste cello die in Venetië werd gebouwd, kwam rond 1710 van Kaiser en vijf jaar later bouwde hij een goede viool. 

Matteo Goffriller, de vader van Francesco, had de zaak van Kaiser overgenomen, die inmiddels zijn schoonvader was geworden en ontwikkelde zich tot een buitengewoon goede vioolbouwer. In de twintig jaar die daarop volgden was hij de enige in de stad; aangetrokken door succes volgde een stroom vioolbouwers van buiten de stad zijn voetsporen. De meesten kwamen uit Füssen en Cremona. 

Deze vioolbouwers brachten hun eigen traditie mee en beïnvloedden elkaar. Dat resulteerde in een veelheid aan modellen en bouwstijlen. Die diversiteit werd kenmerkend voor de Venetiaanse school. Toen Santo Serafin ook naar Venetië kwam, hadden alleen Montagnana en Francesco’s vader, Matteo Goffriller, een eigen stijl ontwikkeld. 

Achterblad van de viool uit de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds (1750); een mooi voorbeeld van de bird's-eye tekening in het esdoorn hout

Nauwkeurig, verfijnd en elegant 

Santo’s werk had tot 1739 veel weg van Nicolò Amati, net zoals Kaiser en Matteo Goffriller, maar wel met een Venetiaanse elegantie. De nauwgezette manier waarop hij werkte, zijn stijl en het prachtig gevlamde hout, maakten zijn instrumenten aantrekkelijk voor de Venetianen die vaak veeleisend waren. Serafins houtkeuze behoort tot de meest extravagante van alle 18e-eeuwse bouwers. De achterkant bestaat vrijwel altijd uit twee delen schitterend gevlamd esdoornhout en soms met een tekening die als bird’s-eye bekend staat. Hij verwerkte het hout op een manier die ook te zien is bij Pietro Guarneri. Alles kwam uit hetzelfde stuk hout en de richting van de houttekening van de boven- en onderbocht was gelijk, die van het middendeel precies omgekeerd. Ook voor zijn contrabassen gebruikte hij een goede kwaliteit hout, iets dat voor die tijd niet erg gebruikelijk was. 

Hij brandde zijn instrumenten met zijn naam met daarboven een klein gekruld ornament, duidelijk zichtbaar op de onderkant, en kleurde het soms extra zwart in. Ook verwerkte hij veel ‘herkenbare tekens’ in zijn techniek waardoor zijn werk duidelijk te identificeren was als een Serafin. 

Rond 1740 bouwde Santo Serafin enkele violen naar het ‘Long Pattern’ van Stradivari uit 1690, iets hoger gewelfd en met f-gaten die wijd uitlopen. 

Serafin gebruikte een lak die varieerde van goud-bruin tot oranje-rood, transparant, diep glanzend en zacht. Daarmee onderscheidde hij zich van veel plaatselijke bouwers die vaak het donkere Venetiaans Rood in hun lak verwerkten. 

George Hart, een expert die Serafins werk goed gekend heeft, was lovend: ‘he was chiefly famed for the exquisit finish of his workmanship, surpassed only by Stradivarius’.  

‘he was chiefly famed for the
exquisit finish of his workmanship, surpassed only
by Stradivarius’

— George Hart over Santo Serafin

Op een van zijn eerste etiketten verklaarde hij zich tot leerling van Nicolò Amati uit Cremona. Die had hij nooit gekend; Nicolò stierf vijftien jaar voor Santo’s geboorte. Hij verwees ermee naar een model van Amati dat hij gebruikte als basis voor de viool waarin hij het etiket plakte. 

In tegenstelling tot Domenico Montagnana had Santo Serafin geen andere leerling of medewerker dan zijn neef Giorgio Serafin. 

Etiketten en brandmerken 

Santo Serafin lijkt vol zelfvertrouwen te zijn geweest. Al in het begin van zijn loopbaan gebruikte hij etiketten die tot de meest uitbundig geornamenteerde uit de geschiedenis van de Italiaanse vioolbouw behoren.

Santo latiniseerde als eerste Venetiaanse bouwer de tekst op zijn etiket. Wellicht deed hij dat om te laten zien dat hij als een van de weinige vioolbouwers in Venetië kon lezen en schrijven, maar zeker liet hij daarmee zien zich aan te sluiten bij de traditie van  vioolbouwers van Cremona, die hun etiketten al eerder in het Latijn lieten drukken. Zijn afkomst vermeldde hij op vrijwel al zijn etiketten: ‘Sanctus Seraphin Utinensis’ 

De vroegste etiketten hadden complexe kaders van guirlandes, schelpen, muziekrollen en viool met strijkstok. Latere etiketten hebben randen met ineengevlochten arabesken. 

Label Santo Serafin. Bron: Tarisio

Sommige etiketten noemt hij expliciet “Ad exemplar Hieronymi Amati / Cremonensium” (Naar voorbeeld van Hieronymus Amati / Cremona).

De meer eenvoudige labels vermelden ook:

Sanctus Seraphin Utinensis / Fecit Venetijs Anno 1740

Sanctus Seraphinus Nicolai Amati Cremonensis Allumnus faciebat./ Udine A. /1680. 

Sanctus Seraphin / Utinensis Fecit / Venetijs Ann.1729

Sanctus Seraphin/ Utinensis Fecit/ Venetijs Ann. 17.. 

Erfenis 

Na Santo’s dood maakte de notaris een akte op waarin stond welke instrumenten hij achterliet. Daaruit bleek dat het ging om een ‘groot patroon’ Nicolò Amati-altviool, een Jacobus Stainer-viool, een Antonio & Girolamo Amati-viool, een onafgemaakte viool van Santo Serafin zelf, een viool van Domenico Montagnana, een viool van Gobbetti, een Tononi-viool en ten slotte een viool van Pietro dalla Costa en een enkele strijkstok. 

Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds van hem in de collectie heeft, bouwde Santo Serafin vrijwel aan het eind van zijn leven. Hij werkte toen in de werkplaats van Giorgio Serafin en verkocht zijn instrumenten voornamelijk in de winkel van Domenico Montagnana.

Bronnen

Pio, S., 2004, Violin and Lute Makers of Venice 1640 - 1760. Venezia.

Sadie, J. A,, Samuel, R., 1994. The Norton/Grove dictionary of women composers. Londen.

Fondazione Pro Canale: Strumenti Storici, Milano, z.j. 

Goldfarb T., 2015, Art and Music in Venice, London.

W. Henry Hill, Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, 1910, The Violin Makers of the Guarneri Family, 1626-1762, London.

Landon Ch., 2007, 2013, The Strad Magazine.

Vannes, R., 1981 "Dictionnaire universel des luthiers", Bruxelles.

The Strad; In Focus 2013; John Dilworth.

De Piccolellis, G. 1885, Liutai antichi e moderni, Successori le Monnier, Florence.

Jalovec, K., 1957, Italienische Geigenbauer, Praag.

Tarisio, Cozio archief "Santo Serafin". Bezocht in 2026.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
1 mei 2026

Geen instrumenten in bruikleen gegeven