
viool
Stella Zake

*±1791/±1794 , Napels †1857/1860 , Napels

Raffaele en Antonio behoorden tot de vierde generatie van deze dynastie. De instabiele omstandigheden waarin hun vader had moeten werken, zouden voor zijn zonen alleen maar ingrijpender worden. Raffaele werd rond 1791 geboren (†1857), Antonio omstreeks 1794 (†1865). Beiden leerden het vak in de werkplaats van hun vader en werkten bij hem tot zij samen een eigen atelier begonnen.
Napels was in die jaren de hoofdstad van het Bourbonse Koninkrijk Napels: een stad met 426.000 geregistreerde en zo’n 50.000 ongeregistreerde inwoners, groter dan Rome, Londen of Milaan, vol pracht, muziek en ceremonieel vertoon. Toch zouden twee ontwikkelingen het leven en loopbaan van Raffaele en Antonio diepgaand beïnvloeden: de opeenvolgende politieke machtswisselingen en de snelle industrialisering van de Europese instrumentenmarkt.
De veranderingen begonnen in 1799 toen de Franse revolutionaire troepen de stad innamen en koning Ferdinand IV vluchtte. Fransgezinde republikeinen riepen de Republiek uit in de geest van de Franse revolutie, maar die werd na twee jaar weer neergeslagen, waarna de Bourbons terugkeerden. Dat ging gepaard met zware repressie; talrijke republikeinen, intellectuelen en kunstenaars die ‘gecollaboreerd’ hadden, werden geëxecuteerd of verbannen. Veel zullen Raffaele en Antonio daar niet van hebben meegekregen, maar van de nasleep des te meer.
De kortstondige invloed van de Franse revolutionairen had voor de muziek tot gevolg dat de aristocratische cultuur was ontwricht. De publieke belangstelling verschoof geleidelijk van hof- en elitaire cultuur naar meer populaire muziekvormen: romantische en historische opera’s en muziekbeoefening in de kroegen, het volkstheater en op straat.
Toen Napoleon Bonaparte in 1806 opnieuw een leger naar Napels stuurde en de Bourbonse vorst definitief verdreef, begon een nieuwe fase. Hij zette eerst zijn broer Joseph Bonaparte als regerend vorst in Napels, later zijn zwager Joachim Murat. Beiden waren bij de Napolitanen bijzonder geliefd. Onder hun bestuur werd het koninkrijk gemoderniseerd, waardoor de traditionele maatschappelijke structuren van het oude Napels voorgoed verdwenen. Deze sfeer van onzekerheid en snelle veranderingen tekende Raffaele en Antonio ongetwijfeld.
Ingrijpend was de gedwongen fusie van de vier conservatoria van Napels; het Santa Maria di Loreto, Pietà dei Turchini, Sant'Onofrio a Capuana en I Poveri di Gesù Cristo. Deze legendarische instellingen werden tussen 1806 en 1808 op last van Napoleon samengevoegd tot één staatsinstituut. De school was haar religieuze en charitatieve karakter kwijt geraakt. De oude conservatoria waren eeuwenlang verspreid geweest over de stad en verbonden aan specifieke wijken en religieuze gemeenschappen. Nu ontstond één instelling die de muzikale autoriteit van de staat vertegenwoordigde.
Door de samenvoeging verdwenen ook de afzonderlijke muzikale specialismen. Oude pedagogische tradities werden vervangen door een systeem dat technischer, competitiever en meer gericht was op het operatheater dan op kerkelijke en instrumentale muziek. Het opgaan van het Santa Maria di Loreto conservatorium in het nieuwe instituut had grote gevolgen voor viool- en cellostudenten. Het had een Europa-brede reputatie gehad op het gebied van instrumentale scholing, maar onder de staatsleiding verdween dat grotendeels. In de oude conservatoria waren de Gagliano’s nog vaste vioolbouwers geweest, na 1826 komt er geen Gagliano in deze functie meer in het archief van het nieuwe instituut voor.
Direct na de val van Napoleon in 1815 keerden de Bourbons terug naar een fundamenteel veranderd koninkrijk. Erg welkom waarin ze niet. Onder de oppervlakte broeide echter een sterke politieke subcultuur. Intellectuelen, burgers en militairen die onder het Franse bewind aan meer vrijheid hadden geroken, organiseerden zich in genootschappen met liberale en nationalistische idealen. Dat leidde in 1820 tot een grote opstand. De stad werd bezet door Oostenrijkse troepen. De aanwezigheid van deze buitenlandse soldaten werd een enorme financiële last voor de Napolitaanse schatkist.
Tussen 1820 en de dood van hun vader Giovanni in 1825 werkten ze gezamenlijk in het atelier, maar gezien het aantal overgebleven instrumenten was hun productie vermoedelijk niet erg groot. Waar eerdere generaties nog konden werken met kostbaar hout uit de Alpen en verfijnde grondstoffen voor hun Cremonees aandoende lakken, kregen ze later steeds meer te maken met schaarste en moeilijk verkrijgbaar materiaal. De markante stijl van hun vader namen ze over. Daarna zetten Raffaele en Antonio de zaak voort. Soms samen, maar ook bouwden ze hun instrumenten alleen.
Veel concurrentie hadden de broers van Lorenzo Ventapane. Sommige bronnen suggereren dat Lorenzo een leerling was van hun vader. Hij bouwde in zijn stijl, maar met een geheel eigen interpretatie. Zijn violen en cello's zijn van zeer goede kwaliteit, vooral later concurrerend met die van de Raffaele en Antonio Gagliano.
Waar de broers in bescheiden straatjes als de Via del Cirriglio zaten, blijkt uit labels in de instrumenten van de Lorenzo Ventapane dat hij gevestigd was op meer prominente locaties, waaronder Calata Borgo di Loreto en later aan de Strada Donna Regina. Dat Ventapane betrokken was bij het Real Collegio di Musica conservatorium blijkt niet uit de archieven, maar zijn atelier bevond zich op enkele minuten lopen van het Via San Sebastiano waar het conservatorium aan lag.
Ondanks de onrust beleefde het Teatro di San Carlo en de kleinere Napolitaanse theaters gouden tijden. Tussen 1820 en 1835 vonden er achtentwintig opera premières plaats en werden er wekelijks meerdere uitgevoerd. Vermoedelijk hadden de beide broers daar slechts beperkt baat bij. Verondersteld wordt dat de instrumenten van de voorgaande generatie nog voldeden en zij alleen reparaties uitvoerden.
De economische problemen van de restauratieperiode hadden onmiddellijk effect op het muziekleven. Koninklijke subsidies voor theaters en conservatoria namen dramatisch af, terwijl in salons en burgerhuizen juist de vraag naar lichtere, meer intieme muziek groeide. Het Napolitaanse lied, gitaren en mandolines wonnen aan populariteit, terwijl de vraag naar strijkinstrumenten afnam.
Tegelijkertijd kregen Antonio en Raffaele steeds meer concurrentie van de massale industriële productie uit Frankrijk, Duitsland en Noord-Italië. Toen hun vader in 1825 overleed, was het traditionele ateliermodel van familiebedrijven — waarin generaties lang dezelfde ambachtelijke traditie werd voortgezet — steeds moeilijker vol te houden. Waar het werk van Giovanni soms al minder verfijnd was dan dat van de vroegste Gagliano’s, werd het werk van Antonio en Raffaele nog sterker bepaald door commerciële druk en seriematige productie.
Hun gezamenlijk gebouwde violen en cello’s zijn soms van bescheiden commerciële kwaliteit, andere zijn beduidend beter. Het hout is beter van structuur en zorgvuldiger afgewerkt. Een patroon is daarin niet te ontdekken, maar zal afhankelijk zijn van de incidentele omstandigheden. De instrumenten hebben vaak brede, weinig verfijnde f-gaten, een vrij zware bouw en een eenvoudige afwerking. De lak is meestal dun en matig van kwaliteit. Sommige instrumenten hebben een dubbele randinleg, andere helemaal geen inleg, de donkere stroken geverfd in plaats van ebben. Alleen bij hun beste werk is deze zorgvuldig ingelegd. Voor het hout gebruikten zij vaak lokaal sparrenhout met brede nerfstructuur en onregelmatig esdoornhout van bescheiden kwaliteit. Bij hun commerciële productie werd op de effen achterbladen en kransen een gevlamde structuur geschilderd om kostbaarder hout te suggereren. Bij die instrumenten bestaat de randinleg op de achterkant slechts uit een ingekraste groef die zij vulden met een mengsel van lijm en ebbenhoutstof in plaats van daadwerkelijk ingelegde stroken. Hun model is doorgaans klein en enigszins asymmetrisch, met zware hoekpunten en dicht bij elkaar geplaatste f-gaten. Samen bouwde zij violen, cello’s en een klein aantal contrabassen.
Gaandeweg gingen Antonio en Raffaele zich steeds meer toeleggen op de productie van darmsnaren, waarmee zij uiteindelijk een van de grotere ondernemingen van Italië werden. Tegelijk bleven zij instrumenten bouwen en daarin handelen. De instrumenten uit hun atelier dateren voornamelijk uit de periode tussen 1825 en 1857.
Er zijn drie adressen van hen bekend, één aan de Strada Sedile di S. Giuseppe n.17 op de eerste verdieping, daarnaast aan de Via Cirriglio No. 75 en één aan de Sedile di Porto.
Hun etiket luidt:
-“Raffaele ed Antonio Gagliano, Quondam Giovanni, Neapoli 1857".
-“Raffaele, ed Antonio Gagliano, Fabricanti e Negozianti, Di Violini, Viole, Violoncelli, Controbassi, e Corde armoniche, Strada Sedile di S. Giuseppe n.17 primo piano”.
Antonio vervaardigde ook enkele instrumenten zonder zijn broer; deze zijn doorgaans beduidend beter gebouwd en afgewerkt dan de violen met hun gezamenlijke etiket. Naast een gezamenlijke werkplaats had Antonio ook nog een eigen locatie.
Antonius Gagliano / Via Cirriglio fecit / Neap. 1803
Antonio Gagliano, Sedile di Porto / Neapoli fecit anno 1824
Antonio Gagliano / Via Cirriglio No. 75 Neap. / fecit anno 1837
Van Raffaele zijn eveneens enkele zelfstandig gebouwde violen en cello’s bekend, eenvoudig en volgens kenners van matige tot slechte kwaliteit. Hij zaagde het hout voor de achterbladen anders dan de rest van de familieleden en werkte die af met weinig aantrekkelijke bruine lak.
Ondanks het succes van hun snarenproductie bleven beide broers nog jarenlang actief in de instrumentenbouw. Met hun werk eindigde de grote traditie van de Napolitaanse vioolbouwschool zoals die in de achttiende eeuw was ontstaan: minder elitair, minder verfijnd, maar aangepast aan de commerciële realiteit van de negentiende eeuw.
Raffaele stierf in 1857 en zijn broer Antonio in 1860. Ook na hun dood kwamen mensen nog steeds om Napels te zien. De architectonische pracht en praal van de Bourbons was aangevuld met stadsverlichting, nieuwe wijken en het had een internationale haven. Er was een constante artistieke kruisbestuiving tussen Parijs en Napels gegroeid. De Napolitaanse opera was monumentaler geworden en had Franse invloeden ondergaan, maar van een significante vioolbouw was er in Napels nauwelijks sprake meer.
De laatste vertegenwoordiger van de dynastie was Raffaele’s zoon Vincenzo Gagliano. Hij was vooral actief als handelaar in instrumenten en leverancier van snaren. Toen hij in 1898 overleed, kwam er een einde aan de betrokkenheid van de familie Gagliano bij de bouw van muziekinstrumenten.
DelDonna A. R., 2020, Opera, Theatrical Culture and Society in Late Eighteenth-Century Naples.
DelDonna A. R., 2018, Opera, Instrumental Music in Late Eighteenth-Century Naples: Politics, Patronage and Artistic Culture.
Acton H., 1985, The Bourbons of Naples, Londen.
Gjerdingen R.O. – Music in the Naples Galant Style
Di Giacomo, S., 1924., The Four Ancient Music Conservatories of Naples, Milaan.
Florimo, F., 1882. The Music Schools and Conservatories in Naples, with a look at the musical history of Italy. Napels.
Acton, H., 1956, The Bourbons of Naples, 1734–1825. London.
Oliveri G., 1989, Two Centuries of Violin Making in Naples, Napels
Robinson M.F., 2001, Music in Eighteenth-Century Naples, Manchester.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
von Lutgendorff, 1922, Die Geigen- und Lautenmacher vom Mittelalter bis zur Gegenwart, Frankfurt.