Nicola (Nicolò) Gagliano
*± 1710 , Napels †± 1785 , Napels
Vier van Nicolò’s zonen werden ook vioolbouwer. Het nieuwe Teatro San Carlo, dat gebouwd was om het mooiste en grootste van Europa te zijn, trok talloze musici naar Napels. De vraag naar strijkinstrumenten werd zo groot dat er ook voor hen genoeg werk in Napels was om een gezin van te onderhouden. De Gagliano’s waren niet de enige, maar wel de belangrijkste vioolbouwers van de stad.
Nicolò Gagliano moet zijn hele leven erg productief zijn geweest, er bestaat nog een opmerkelijk groot aantal instrumenten van zijn hand. Zijn eerste viool bouwde hij rond zijn 17e, de laatste 58 jaar later. In 1785 stierf hij. De invloed van Nicolò zou meer dan een eeuw lang in het werk van andere Napolitaanse bouwers terug te vinden zijn.

Leven en loopbaan
Van de dertien vioolbouwers die de familie Gagliano voortbracht, was Nicolò, als tweede en middelste zoon van Alessandro Gagliano, de bekendste en meest invloedrijke. Zijn acht jaar oudere broer Gennaro is minder bekend, maar was eveneens vioolbouwer. Diens werk wordt nu door kenners net iets meer verfijnd gevonden dan dat van de andere Gagliano’s. Van Carlo, zijn andere broer, weten we weinig meer dan een paar violen die zijn naam dragen.
Toen Nicolò’s vader Alessandro Gagliano aan zijn loopbaan begon, was er van een Napolitaanse vioolbouwtraditie nog nauwelijks sprake. Wel werden er veel instrumenten in en rond de stad gebouwd, niet door Napolitanen zelf, maar door luiten- en vioolbouwers afkomstig uit de Duitse stad Füssen.
De Duitse bouwers waren eind 17e eeuw in grote getale naar Napels getrokken. Net als Venetië en Rome, was Napels in die tijd een culturele wereldstad. Muziek klonk op iedere straathoek en voor hen die het zich konden veroorloven was het er vrij en vrolijk. Met intellectueel debat over ieder denkbaar onderwerp en met een Koninklijk hof dat nieuwe composities stimuleerde en waar opera’s en balletvoorstellingen op massale belangstelling mochten rekenen. De componisten, zangers en instrumentalisten werden geleverd door vier conservatoria die de stad rijk was. De vraag naar instrumenten was dan ook groot. Aan die behoefte voldeden Duitse bouwers als Magnus Lang, Matthaus Selloß, Jacob Stadler en Georg Kayser. Zij brachten goede instrumenten en een hoog niveau van bouwen mee. In de loop van de jaren vermengde zich de vroege Napolitaanse bouwwijze met die van de Duitse tot een nieuwe en zeer herkenbare Napolitaanse stijl.
Nicolò’s vader was onmiskenbaar geïnspireerd door deze bouwers uit Füssen. Van wie hij het vak leerde is niet bekend. Zelf liet hij weten een Alumni (leerling) van Stradivari te zijn geweest, maar een leerling van Antonio was hij niet, daarvoor zijn de verschillen in de manier van bouwen en in die van hun instrumenten te groot. Niet uitgesloten is echter dat hij wél veel heeft geleerd van Antonio’s zoon, Omobono Stradivari. Omobono, had een jaar of zes bij zijn vader gewerkt en kreeg op zijn achttiende de opdracht om op studie- of handelsreis te gaan. In 1697 arriveerde hij in Napels. Daar bleef Omobono, zéér tegen de zin van Antonio in, ruim twee jaar. Omobono had in de verste verte het talent en de ambitie niet als zijn vader, maar hij had in Cremona wel gezien hoe er in de werkplaats van Antonio gewerkt werd. Kenners veronderstellen dat Omobono enige tijd in de werkplaats van Alessandro Gagliano heeft doorgebracht, waar vermoedelijk ook nog enkele Duitse vioolbouwers werkten.
Al voor Nicolò’s geboorte had zijn vader als enige vioolbouwer een kleine, maar vaste bron van inkomsten. Uit het archief van het Napolitaanse conservatorium, Santa Maria di Loreto, blijkt dat Alessandro van 1701 tot 1722 tegen een vast salaris reparatiewerk aan hun instrumenten deed. Het Santa Maria di Loreto was het belangrijkste van de vier Napolitaanse conservatoria. Al vanaf eind 16e eeuw werden er de weesjongens ingevoerd in de muziekleer en leerden zij een instrument bespelen of zingen. In Alessandro’s tijd waren de contacten van het Santa Maria di Loreto met de kerk grotendeels verbroken en konden ook anderen tegen betaling tot beroepsmusicus worden opgeleid. De leiding van het conservatorium was vaak in handen van gevestigde componisten. Drie hoofdrichtingen kende het ‘Loreto’; zang (het was dé opleiding voor castraten), viool of compositieleer. Het niveau was zo hoog dat het toen al werd gezien als een van de beste muziekscholen van Europa.
Nicolò werd rond 1710 geboren als tweede van Alessandro’s drie zonen. Waarschijnlijk heeft hij veel van zijn vader geleerd, maar hij moet, gezien de verschillen tussen de instrumenten van vader en zoon, ook les hebben gehad van andere bouwers. Zijn oeuvre toont zoveel overeenkomst met dat van Antonio Stradivari dat sommige van zijn violen ten onrechte als authentieke Stradivari's werden beschouwd. Nicolò’s aanwezigheid in Cremona werd echter nooit aangetoond. Nicolò en zijn oudste broer Gennaro werkten enige tijd in de werkplaats van hun vader tot zij voor zichzelf begonnen. De vraag naar instrumenten was in Napels kennelijk zo groot dat er voor de bouwers uit de familie Gagliano voldoende werk was.
Toen Nicolò klaar was met zijn opleiding kreeg hij, net als zijn vader, een jaarcontract bij het Santa Maria di Loreto. “Aan Magnifico Nicolò Gagliano is betaald, drie dukaten en 3.15 grana, door de Bank S. Eligio als salaris voor zes maanden arbeid, dat overeenkomt met zijn jaarlijkse stipendium van 7.2.10 dukaten voor de taak de violen, cello’s, en de contrabassen van het Conservatorium en van het Heilige huis van Loreto te repareren, dit in overeenstemming met wat was afgesproken en dat naar tevredenheid werd uitgevoerd”. Voor hetzelfde werk had zijn vader twintig jaar eerder het zelfde salaris ontvangen.
In 1744 kreeg Nicolò een tweede vast contract. Dat was aan het ‘I Poveri di Gesù Cristo’. Dit conservatorium was een voormalig armeninstituut waar nu uitstekend muziekonderricht werd gegeven. Het was een onderdeel van ‘Il Figlioli Filippini’, een machtige religieuze orde die sterke banden had met het Vaticaan. In het Santa Maria di Loreto was het zangonderwijs erg belangrijk, in het Poveri was zingen verboden. Nicolò had de taak om alle strijkinstrumenten van het Poveri te repareren en de bijbehorende werkzaamheden uit te voeren. Hij ontving er net iets meer voor dan van het Maria di Loreto: 8 dukaten. Veertien jaar zou Nicolò de instrumenten van dit conservatorium onderhouden. In 1758 kreeg hij zijn laatste salaris. Voor extra werk werd hij beloond: ”1 Dukaat voor Maestro Nicola Gigliano voor het repareren van een volledig kapotte cello (“rotta é tutta scassata”) die toebehoorde aan een van de kinderen (figlioli).
Rond 1724 trouwde Nicolò en werd de eerste van hun vier zonen geboren: Ferdinando (1724-1781), gevolgd door Giuseppe (1725-1793), Antonio (1728-±1807), en Giovanni (1740-1806). Alle vier werden zij vioolbouwer. Ferdinando bleef niet lang in het atelier van zijn vader. Hij werd door zijn oom Gennaro opgeleid en werkte daarna zelfstandig. Nicolò’s tweede zoon, Giuseppe leidde hij wel zelf op, maar ook Giuseppe bleef niet lang. Hij werkte samen met Antonio, zijn jongste broer in een eigen werkplaats. Voor alle Gagliano’s was er werk in overvloed.
Dat nam aanvankelijk alleen maar toe toen in 1734 een nieuwe vorst, Carlo van Bourbon, zich met een groot gevolg in Napels vestigde. Hij was megalomaan en had uitgesproken ideeën over hoe de grandeur van een groot Europees hof er uit moest zien. Ter meerdere glorie van zichzelf liet hij onder andere het ‘San Carlo’ bouwen, een operagebouw dat het mooiste en grootste van Europa moest worden. Daardoor trokken er nog meer musici naar Napels. Volgens de schrijver en lid van de academie des Sciences, Charles de Bosses, was Napels in korte tijd de muziekhoofdstad van de wereld geworden. De vioolbouwers van de familie Gagliano waren niet de enige, maar wel de belangrijkste vioolbouwers van Napels.
Door de falende economische hervormingen van Carlo van Bourbon raakte de stad rond Nicolò’s dertigste jaar arm en overbevolkt. De welvaart was steeds voor minder Napolitanen weggelegd. Een brede laag van de bevolking leed enorme honger en tien jaar later waren er negenduizend daklozen. Toch was Nicolò in die periode buitengewoon productief. Er zijn veel instrumenten teruggevonden die gebouwd werden tussen 1740 en 1750. Het dieptepunt van de armoede kwam in 1764. In dat jaar alleen al stierven duizenden Napolitanen door ondervoeding en ziekte. Uit de jaren ‘60 bestaan er dan ook maar weinig instrumenten van Nicolò. Nicolò kon leven van zijn werk voor de conservatoria en van de instrumenten die hij bouwde. Zijn klanten zullen hoofdzakelijk uit een kleine bovenlaag van de bevolking hebben bestaan.
Gezien het grote aantal instrumenten dat er van Nicolò overgebleven is, was hij het grootste deel van zijn leven erg productief. De vroegst teruggevonden viool maakte hij rond zijn 17e, de laatst dateert uit 1783. Twee jaar later stierf hij.
Nicolò Gagliano’s invloed op de Napolitaanse vioolbouw kan nauwelijks overschat worden. Die omvat een periode van 120 jaar waarin er veel van zijn werk terug te vinden valt in dat van anderen. De bekendste is wel de familie Ventapane waar Lorenzo (1790-1845) de beste representant van is.
Label: Nicolaus Gagliano Filius Alexandri, fecit Neap 1775.
Naast zijn label plakte Nicolò vaak een klein papiertje met een religieuze tekst in een instrument.
Werk en invloed
Voor kenners is aan het werk van Nicolò duidelijk te zien dat hij dat van Antonio Stradivari goed gekend heeft. Nicolò kopieerde zijn model wel maar deed dat met een onmiskenbaar eigen stijl. Ondanks dat werden veel van zijn violen aangezien voor die van Antonio Stradivari.
Zijn vader gebruikte voortreffelijk hout uit de omgeving, het hout dat Nicolò en Gennaro gebruikten kwam later uit noordelijke streken.
Nicolò’s instrumenten waren uitgesproken goed-geproportioneerd, hadden een ongebruikelijke kop door een krul met smalle winding en een langgerekte sleutelkast.
Als afwerking van zijn instrumenten gebruikten Nicolò en Gennaro een gele onderlaag waarover zij een rood-oranje olielak aanbrachten. Voor de lijmverbindingen aan de binnenkant gebruikten zij beukenhout. En net als de meeste Napolitanen maakten zij de buitenste lagen van de randinleg niet van dunne stroken geverfd hout maar van zwart karton.
Gezien het grote aantal instrumenten dat zijn werkplaats verliet, heeft Nicolò vermoedelijk meerdere leerlingen en medewerkers gehad, Tomaso Eberle (1727-1792) afkomstig uit de omgeving van Füssen, is daar de bekendste van.
Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, is een prachtig voorbeeld van wat hij in zijn allerbeste periode bouwde.
Bronnen
Di Giacomo, S., 1924. I quattro antichi conservatori di musica a Napoli (The Four Ancient Music Conservatories of Naples), Milaan.
Florimo, F., 1882. La scuola musicale di Napoli e i suoi conservatori, con uno sguardo sulla storia della musica in Italia (The
Music School and Conservatories in Naples, with a look at the musical history of Italy). Napels.
Acton, H., 1956, The Bourbons of Naples, 1734–1825. London.
Oliveri G., 1989, Two Centuries of Violin Making in Naples, Napels.
- Auteur
- Jan Boekhout
- Datum
- 24 september 2022