Doorgaan naar content
bouwer

Marten Cornelissen

*1936 , Apeldoorn      †2021 , Northampton (VS)

Op een van zijn jaarlijkse bezoekjes aan zijn geboortestad Apeldoorn, kreeg Gerrit Marten Cornelissen een telefoontje uit het Amstel Hotel in Amsterdam. Of hij een altviool voor Yehudi Menuhin wilde bouwen. Marten had al instrumenten voor grote musici gebouwd, maar dit was voor hem dé erkenning van zijn vakmanschap.

Marten Cornelissen was een van de weinige Europese vioolbouwers die in Amerika succes had. Leden van het Guarneri en die van het Juilliard String Quartet maakten opnamen met zijn instrumenten. Een echte vioolbouwopleiding had Marten niet gevolgd, zijn kennis kwam van boeken en van een leerstage van zes weken bij een Tsjechische bouwer. Als autodidact met een hang naar perfectie ontwikkelde hij zich verder.

Al voor zijn diensttijd maakte hij graag modelvliegtuigen en gitaren. Pas toen hij dat beheerste, kwamen violen. Zijn belangstelling daarvoor had hij gekregen toen hij op 20-jarige leeftijd een viool kreeg. Spelen kon hij nog niet. Pas toen hij vioolbouwer wilde worden nam hij vioolles.
Werkplaats(en)
Northampton (VS), 1966-2021

Kort in de leer in Tjechië

Met een van zijn violen deed hij mee aan een competitie in België waar hij opviel. Op aandringen van een van de juryleden ging Marten verder bij een vioolbouwer in Tsjechië. Hij bleek zo getalenteerd dat hij korte tijd later tweede werd op het Concours International de Quatuor à Cordes in Luik. Op uitnodiging ging Marten naar Amerika waar hij als vioolbouwer ging werken. Daar ontmoette hij zijn vrouw en vestigde zich met haar in Northampton, Massachussetts. Zij spaarden om materiaal te kunnen kopen voor zijn instrumenten. Al snel viel hij op bij klassieke musici die zijn instrumenten als een goede vervanger zagen voor de onbetaalbaar geworden oude Italiaanse of Franse. Zelfs grote musici die op oude meesters speelden, apprecieerden zijn instrumenten zeer. Hij bouwde zo’n 600 instrumenten, gitaren, violen, altviolen en cello’s.

Marten Cornelissen overleed in 2021. Zijn persoonlijkheid en werk maakten hem, vooral in Amerika, tot een bijzonder geliefd vakman.

Marten Cornelissen. Foto: John Mc Lachlan

Hoe Marten Cornelissen tot vioolbouw kwam

In het gezin waar Marten geboren werd, vormden de radio, de kerk, de mooie stem van zijn moeder en een paar klassieke platen zijn muzikale oor.

Gerrit Marten Cornelissen, geboren in 1936, en vernoemd naar zijn grootvader, was de oudste van vier kinderen. Zijn vader was machinebankwerker, zijn moeder zorgde voor het gezin. Toen zijn vader in de oorlog naar een werkkamp in Duitsland werd gestuurd, bleef zijn moeder met drie kleine kinderen achter. Dat maakte de familie hecht.

Na zijn middelbare schooltijd wachtte Marten zijn militaire dienstplicht. Door een gelukkig toeval kwam hij terecht bij de marechaussee van de luchtmacht. Dat paste wonderwel bij zijn belangstelling voor vliegtuigen. Die was ontstaan door de even fascinerende als angstige ervaringen uit zijn vroegste kinderjaren toen Duitse vliegtuigen tijdens de Tweede Wereldoorlog in grote getale boven Apeldoorn naar Engeland vlogen om hun vernietigend werk te doen. Als jongen bouwde hij ze als modelvliegtuigjes na. Met die handigheid gewapend, maakte hij vervolgens ook gitaren. Vioolbouwen en -spelen leerde hij pas later.

‘Dat werd het begin van wat
hij zelf zijn 'ware roeping' noemde’

Direct na zijn middelbare schooltijd ging Marten werken bij Van Gelder Papier in Apeldoorn. Daar kreeg hij een opleiding tot technicus. Rond zijn 20ste kreeg hij een kapotte viool in handen. In plaats van deze naar een vioolbouwer te brengen besloot Marten hem zelf te repareren. Dat werd het begin van wat hij zelf zijn ‘ware roeping' noemde: vioolbouwer worden. In zijn vrije tijd bouwde hij een tiental violen, eerst met zijn eigen viool als voorbeeld, later uit boeken over vioolbouw waar hij ook de techniek om ze te maken uit haalde.

In 1963 deed Marten tevergeefs mee aan een internationale wedstrijd voor vioolbouwers, die hij tijdens een interview in 2019 nog beschreef als een “even motiverende als vernederende ervaring”. “Ik werd er erg door geïnspireerd, maar realiseerde me ook heel helder dat ik nog veel te leren had”.

Vladimir Pilař

In de leer bij Pilař

Josef Vedral uit Den Haag raadde hem aan om les te gaan nemen bij Karel en Vladimír Pilař in Tsjechië. Karel Pilař was een van Josefs voormalige leerlingen en een vooraanstaand representant van de “Reuzengebergte School” van vioolbouwers. Hij stond bekend om zijn restauratiewerk en om de aanpassingen die hij deed om de klank van violen te verbeteren. Veel toonaangevende spelers zochten hem daarvoor op. Karel Pilař had zijn zoon Vladimír zelf opgeleid.

Vladimír deed met succes mee aan internationale vioolbouwwedstrijden en was een veelgevraagd jurylid. Vladimír bouwde naar oude Italiaanse meesters, maar was ook goed op de hoogte van nieuwe inzichten die de moderne wetenschap had voortgebracht. Die paste hij zoveel mogelijk toe op zijn werk. Gecombineerd met zijn diepgaande kennis van de oude Oost-Europese vioolbouwtraditie, bouwde hij meesterinstrumenten die vol en krachtig klonken.

Martens opleiding bij vader en zoon Pilař duurde niet veel langer dan zes weken. In die periode bouwde hij onder leiding van Karel en Vladimír een viool en absorbeerde zoveel mogelijk kennis van de beide bouwers. Daarbij ontstond er tussen Vladimír en Marten een warme vriendschap.

Eenmaal terug in Apeldoorn besloot Marten van dit werk zijn beroep te maken. Met de kennis die hij bij vader en zoon Pilař had opgedaan, bouwde Marten een volgende serie violen. Door Vladimír Pilař aangemoedigd, stuurde Marten in 1966 een viertal in naar het internationale Concours International de Quatuor à Cordes in Luik. Daarmee won hij een zilveren medaille. Drie jaar eerder had Vladimír Pilař op dezelfde wedstrijd een tweede prijs gewonnen.


LP hoes van een opname van de Luikse Strijkkwartetwedstrijd (interpretatie editie 1964)

Vanaf 1966: vioolbouwer in Amerika

In Luik ontmoette Marten een handelaar in strijkinstrumenten die hem uitnodigde om bij hem in Kansas City te komen werken. In 1966, op zijn dertigste, vertrok Marten naar Amerika. Daar ontmoette hij Cornelia Blair met wie hij in dat jaar nog trouwde.

In datzelfde jaar ontmoette Marten ook Philipp Naegele, afgestudeerd musicoloog van Princeton University die in Northampton aan het kleine, maar prestigieuze Smith College viool doceerde. De kamermuziekconcerten die hij gaf waren op een buitengewoon hoog niveau. Naegele was sinds 1950 onderdeel van een groep bijzondere musici rondom de vermaarde Marlboro School en festivals van Serkin en Busch. Nadat Marten samen met Cornelia naar Northampton was verhuisd en een eigen zaak was begonnen, introduceerde Philipp Naegele Marten bij musici uit zijn omgeving.

Instrumenten voor de Nederlandse markt

In Amerika was er in die tijd nog geen school voor vioolbouw en goede vioolbouwers waren schaars. Het ging Marten dan ook voor de wind; hij bouwde een indrukwekkende klantenkring op maar hij had heimwee. Ieder jaar kwam Marten naar Nederland en bezocht familie en vrienden. Cornelia ging vaak mee. Soms kwam Vladimir Pilař naar Apeldoorn en bespraken zij Martens werk als goede vrienden. De bestellingen voor instrumenten kwamen niet alleen uit de Verenigde Staten, maar ook uit Nederland. Die bracht Marten bij zijn jaarlijkse bezoeken mee. Tussendoor stuurde hij ze per koerier. Naar schatting leverde hij ruim 50 instrumenten in Nederland af.

Tijdens één van zijn bezoekjes aan Apeldoorn werd hij gebeld met het verzoek om de volgende dag naar het Amstel Hotel in Amsterdam te komen. Daar verwachtte Yehudi Menuhin hem. Tot zijn verrassing nodigde Menuhin hem uit om een altviool voor hem te bouwen. Het instrument werd door Menuhin met grote waardering ontvangen. Na de opname waar Yehudi Menuhin Martens altviool bij gebruikt had, schreef hij hem hoe blij hij ermee was.

Stradivari's 'Gravin van Stanlein' cello

Later werd Marten bevriend met de cellist van het Beaux Arts Trio, Bernhard Greenhouse. Een vriendschap die duurde tot Bernhard overleed. Bernhard Greenhouse was in het bezit van de ‘Gravin van Stanlein’-cello van Stradivari. Een ‘medium B-model’ cello uit 1707, die vroeger deel had uitgemaakt van de collectie van Paganini. De nabijheid van het instrument gaf Marten de gelegenheid om het uitgebreid te bestuderen waarna hij er op verzoek van Greenhouse een kopie van maakte. Voor hem bouwde hij later nog enkele andere cello’s waar Bernhard Greenhouse eveneens met grote lof over sprak.

Rond zijn 65ste verloor Marten een groot deel van zijn gezichtsvermogen. Diepte zag hij niet meer. Het leek erop dat hij zijn werk niet meer zou kunnen uitvoeren. Dankzij zijn enorme mentale veerkracht bedacht hij, samen met een collega vioolbouwer, een manier om toch door te kunnen blijven werken. Daarna bouwde hij tot zijn 85ste nog een kleine 100 instrumenten.

Werk en invloed

Marten Cornelissen was een productieve bouwer; op het hoogtepunt van zijn loopbaan bouwde hij een viool per week in het wit, dat wil zeggen: afgewerkt tot het gelakt kon worden.

Voor zijn eerste violen bouwde hij een Stradivari uit 1709 na, waarvan hij de maten in een boek had gevonden. Ook later bleef hij bij zijn grote voorbeeld, maar naarmate hij meer instrumenten van hem in handen had gekregen, voegde hij ook andere modellen aan zijn oeuvre toe.

Zeker 80 cello’s baseerde Marten op Stradivari’s ‘Gravin van Stanlein'. Het was zijn zogenaamde ‘medium B-model’-cello uit 1707. Ook het Montagnana-model cello dat eveneens was gebaseerd op het B-model van Stradivari, maar dan 1 cm korter, bouwde hij graag.

‘Dat is als een pasgeboren
baby met ouderdomsrimpels’

Marten geloofde stellig dat de moderne viool toekomst had. Van lakwerk waardoor een instrument ouder leek, een praktijk die veel bouwers door de eeuwen heen regelmatig toegepast hadden en die ook in die tijd niet ongebruikelijk was, had hij een afschuw. "Dat is als een pasgeboren baby met ouderdomsrimpels".

Marten had de kennis over de manier waarop de klank in een instrument tot stand kwam geleerd van Vladimír Pilař , maar ontwikkelde daar later een eigen visie op. Het gewicht en de eigen toon van ieder afzonderlijk onderdeel werd gewogen en beklopt en waar nodig gecorrigeerd. Marten gebruikte een heldere rood-bruine lak, die de nervatuur van het hout goed tot zijn recht liet komen.

Hout uit Duitsland

Voor zijn instrumenten gebruikte Marten aanvankelijk Amerikaans hout. Halverwege de zeventiger jaren voldeed dat naar zijn mening niet meer en zocht hij het hout in Europa. Na zijn bezoek aan Apeldoorn reisde Marten door naar Ohlstadt in Duitsland om hout uit te zoeken bij de firma Schuh die zijn vaste leverancier zou worden. Bij Schuh kocht Marten hout uit de Balkan dat hij geschikter vond dan het Amerikaanse.

Naast violen, altviolen en cello’s maakte Marten Cornelissen korte tijd ook strijkstokken. Die waren van een strak geometrisch ontwerp, een bijna driehoekige kop en een slof met opvallend brede onderschuif. De stokken stempelde hij met CORNELISSEN. Zijn broer Henk Cornelissen, strijkstokkenmaker in Aardenburg, gebruikte dezelfde stempel. Nadat Martens reputatie steeg en hij de bestellingen soms maanden later pas kon afleveren, besteedde hij zijn tijd alleen nog aan zijn instrumenten; voor het maken van strijkstokken gunde hij zich geen tijd meer. De stokken maakte Marten van pernambucohout dat hij van zijn broer betrok en die een goede kwaliteit hout gebruikte.

Marten heeft een kleine 600 instrumenten nagelaten, veel nog steeds in gebruik bij prominente musici in Nederland en Amerika.

De instrumenten die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, zijn een goede doorsnede van zijn werk.

Bronnen

The Strad; januari 2021.

Geneanet, geraadpleegd in 2022.

Met dank aan Peter Kerseboom en Kees Schild.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
23 april 2022