
altviool
Alice Sinacori

*1744 , Cremona †1816 , Cremona

Lorenzo’s carrière zat midden in de geleidelijke teloorgang van de Cremonese hegemonie. Er waren in Europa veel concurrerende centra voor vioolbouw bijgekomen, maar minstens zoveel hadden de Cremonese bouwers te lijden gehad van het feit dat Italië in de tweede helft van de 18e eeuw vrijwel onophoudelijk verwikkeld was in oorlogen tussen de Oostenrijkse en Franse overheersers. Ook nog eens leden zij onder ‘hervormingen’ die de economie en het culturele leven van het land lam legden. De machthebbers hieven hoge belastingen om hun oorlogen te kunnen bekostigen. De gilden die de vioolbouwers in het land eens zo streng maar effectief hadden beheerd, waren vervangen door kerkelijke instituties die een ander belang hadden dan het stimuleren van het vakmanschap.
Ondanks dat alles was Lorenzo Storioni een opmerkelijk productieve bouwer; niet in de laatste plaats omdat hij als een van de weinige vioolbouwers was overgebleven nadat de meeste anderen Cremona hadden verlaten en waren uitgeweken naar Venetië, Bologna, Mantua of Rome, zelfs naar Turijn.
Aankondiging van de uitvoering (in 1770) van 'La clemenza di Tito' van Michelangelo Valentini in Teatro Nazari in Cremona
Het culturele leven was echter niet stilgevallen. Het Ariberti theater was het centrale punt voor de muziek in de stad. Toen dat in opdracht van de kerkelijke autoriteiten werd omgebouwd tot een religieus ‘oratorium’, bracht een groep edelen geld bij elkaar om een groot, seculier theater te laten bouwen. In 1747 was het nieuwe Teatro Nazari klaar. Vrijwel direct werden er veel opera- en balletuitvoering in gegeven en het theater trok daarmee musici aan. Kort na Lorenzo Storioni’s 26e verjaardag, gaf Wolfgang Amadeus Mozart er samen met zijn vader een concert en zij zagen een uitvoering van La Clemenza di Tito van Valentini en waardeerden die zeer. Dat werd de renaissance van een levendige muziekcultuur in de stad.
In 1786 nam Storioni Giovanni Roti als leerling aan. Een jaar later verhuisde Lorenzo Storioni naar het huis dat eigendom was van graaf Gaetano Mina-Bolzesi en aan de Contrada Coltellai lag, vlak bij de piazza San Domenico en met het voormalige huis van Antonio Stradivari om de hoek.
Het hele gezin Storioni woonde er van 1787 tot 1794 samen met de tien jaar jongere Nicola Bergonzi (1754-1832) die inmiddels ook al drie kinderen had. Nicola was de jongste in de grote Bergonzi-dynastie, maar was nauwelijks in de familietraditie opgeleid. Wel had hij ervaring, want in 1777 bouwde hij al zijn eerste instrument, een voor die tijd al verouderd model violone. Vermoedelijk kreeg hij te weinig opdrachten, want Nicola ging na tien jaar zelfstandig te zijn geweest bij Lorenzo Storioni werken.
Graaf Cozio di Salabue
Nog voordat de verzamelaar en kenner graaf Cozio di Salabue de erfenis van Stradivari van Paolo Stradivari kocht, had Nicola een deel van Stradivari’s werktekeningen en mallen kunnen bemachtigen. Wellicht had hij die geërfd van zijn grootvader Carlo I Bergonzi die de laatste jaren van zijn leven in de werkplaats van Stradivari had gewerkt en diens instrumenten had afgemaakt.
De tekeningen van Stradivari’s kleine cello’s gebruikte Nicola Bergonzi vóór hij bij Lorenzo werkte voor zijn eigen instrumenten. Er bestaan enkele cello’s waar beide bouwers hoogst waarschijnlijk samen aan hebben gewerkt. In 1794 begon Nicola Bergonzi opnieuw voor zichzelf, dit keer in het huis ernaast op nummer 1334. Tot 1804 bleven Lorenzo en Nicola buren.
Technische tekening Stradivarius
Bolzesi bouwde later op de plek waar het huis van Storioni had gestaan, een nieuw palazzo dat nu nog een van de beste academies ter wereld voor vioolbouw huisvest.
Cozio de Salabue beschreef in 1775 een viola d’amore van Lorenzo Storioni die hij onbetwist bouwde op basis van de tekeningen van Antonio Stradivari. Dat maakt het aannemelijk dat Storioni niet alleen via Nicola Bergonzi toegang had tot een deel van diens nalatenschap, maar daar zelf ook over beschikte. Ook tot de technische kennis van Del Gesù naar wie hij veel instrumenten bouwde, had Storioni vermoedelijk toegang.
In de laatste jaren maakte Storioni veel reizen buiten Cremona, de langste duurde acht jaar. Vooralsnog is niet bekend waarheen en waarom hij deze reizen ondernam. Na 1804 zijn er echter geen instrumenten meer van hem bekend. Zijn zaak had hij twee jaar eerder al overgedragen aan G.B. Ceruti. Vermoedelijk vanwege de geringe vraag naar instrumenten was Nicola Bergonzi al in 1802 definitief gestopt met het bouwen van instrumenten en werd hij in 1804 handelaar in fijne stoffen. Ceruti was daarna de belangrijkste vioolbouwer in Cremona.
Aanvankelijk zocht Storioni inspiratie bij niet-Cremonese tijdgenoten, zoals Tommaso Balestrieri en Giovanni Battista Guadagnini. Kort verkende hij de Cremonese traditie, maar naarmate hij ouder werd, maakte hij zich los van deze strenge opvattingen en begon hij meer te experimenteren in de geest van Del Gesù. Naast zijn leerlingen Giovanni Battista Ceruti en Giovanni Rota, leidde hij mogelijk ook Giovanni Francesco Pressenda op.
Zijn eerste instrumenten dateren van rond 1768. Lorenzo streefde naar een bijzondere klankkwaliteit, maar van elegantie was bij hem geen sprake: nauwelijks symmetrische f-gaten, verschillend geplaatst op elk bovenblad, smalle en ruw afgewerkte randinleg, minder afwerking van zijn massieve krullen. Het meest opvallende kenmerk is misschien wel het verschil in houtkwaliteit tussen de voorkant en de achterkant. Na 1778 waren zijn instrumenten vaak van plaatselijk esdoornhout zonder mooie ‘tekening’; het bovenblad daarentegen was meestal van uitstekende kwaliteit.
Lorenzo streefde naar een bijzondere klankkwaliteit, maar van elegantie was bij hem geen sprake
Doordat Cremona geïsoleerd was geraakt door gebieden waar oorlogen woedden en ziektes huishielden, bleef de aanvoer van het esdoorn uit de bergen, dat hij nodig had voor zijn instrumenten, vrijwel onbereikbaar. Storioni's vernis, dat wat samenstelling afweek van de traditionele Cremonese oliegedragen lakken, was meestal diepgeel met een roodachtige tint en werd snel broos. Vrijwel al zijn instrumenten munten uit in een prachtige en vooral krachtige klank.
Lorenzo Storioni maakte violen, altviolen, cello's en contrabassen. De vroegste instrumenten van hem stammen uit ca. 1768. Hij gebruikte toen tot ca. 1780 een handgeschreven etiket 'Laurentius Storioni fecit Cremonæ 17..’, daarna liet hij zijn etiketten drukken. Op de tweede versie van het etiket staat Cremona in plaats van Cremonæ. Zijn laatst bekende instrumenten zijn van 1796.
Gindin D. 2002, The late Cremonese Violin Makers, Cremona
Reuning Ch., 2010, Carlo Bergonzi, Alla scoperta di un grande Maestro, Cremona.
Rosengard D., 2010, Carlo Bergonzi and his sons, Cremona.
Brandon Frazier, 2007, Count Cozio di Salabue, Memoirs of a Violin Collector.
Gindin D. en Rosengard D., 2002, The Late Cremonese Violin Makers , Cremona.
Vannes, R., 1985, Dictionnaire Universel des Luthiers, Brussel
Dilworth J., The Strad, vol. juni 1995, Cremonese Mistery Man.
Archief van de Oxford music library, bezocht in 2024
Tarizio, Cozio archive, bezocht 2024