vioolstrijkstok
Irene Piazza


Rond de eeuwwisseling zetten Auguste, Maurice-Émile en Marc een afdeling op waar instrumenten gemaakt gingen worden die net iets beter waren dat zij tot dan toe produceerden: het ‘Atelier des Artistes’. Daar kreeg George Apparut in 1902 de leiding over. Apparut was een vioolbouwer met een grote staat van dienst. Hij had bij Paul Blanchard in Lyon gewerkt en bij Mougenot in Brussel, maar was vooral winnaar van gouden medailles bij de tentoonstellingen in Nancy, Brussel, Metz en Parijs. Apparut deelde zijn kennis graag en had in zijn eigen werkplaats een school waarin hij jonge vioolbouwers opleidde. Een aantal van hen won later prijzen. Bij Laberte werd hij zeer gewaardeerd om zijn grote praktische en theoretische kennis. Naast de eenvoudige violen met fantasienamen als J. Didelot, die bij Laberte ook nog werden gebouwd, kreeg de firma met de komst van Apparut een nieuwe kwaliteitsimpuls.

Werkplaats van Laberte-Humbert Frères, Mirecourt, begin 20e eeuw
Marc trouwde in 1904 met Thérèse Drouin met wie hij een zoon, Philippe, kreeg. In 1909, kort na zijn geboorte, stierf zijn vrouw. Drie jaar later trouwde Marc opnieuw. Met Francine Thouvenin kreeg hij in 1916 een dochter. Beide kinderen werkten later mee in het bedrijf, Philippe als vioolbouwer, Rose deed de administratie.
Bron: Enquête ethnologique d’Hélène Claudot-Hawad sur les luthiers de Mirecourt (Vosges, Lorraine), 1980-1982
In 1919 fuseerde Laberte Frères met het huis ‘Fourier Magnié’, dat al sinds 1775 commerciële instrumenten maakte. Samen gingen ze door als "Laberte et Magnié”. Marc Laberte adverteerde: “Etablissements Laberte-Humbert Frères, Fourier Magnié réunis”. George Apparut begon in 1923 weer voor zichzelf, maar verkocht aan Marc Laberte, die de leiding over het bedrijf had, de rechten om de prijzen die hij had gewonnen te mogen gebruiken. In de catalogus van 1927 stonden die dan ook vermeld als gewonnen door de firma zelf.
In de fabriek werden nog steeds erg veel, maar niet bijzonder goede instrumenten gemaakt. Rond 1920 begon Marc Laberte met het aankopen van een aantal van de beste instrumenten uit de historie van de Franse en Italiaanse vioolbouw, waaronder die van Antonio Stradivari, Guarneri 'del Gesù', Giuseppe Guarneri 'filius Andreae', Francesco Ruggeri, Nicolas Lupot, Jacob Stainer en Jean-Baptiste Vuillaume.
Ook kocht Marc Laberte een groot aantal andere rechten van bouwers. Van Paul Mangenot, die al sinds 1890 een grote bekendheid genoot in Mirecourt, verwierf hij de rechten op de term ‘à la Ville de Cremone'.
Een pagina uit de catalogus
De catalogus van 1927 kwam uit onder de naam 'Laberte et Magnié, À la Ville de Cremone, ateliers de lutherie depuis 1780’. Binnen enkele jaren kocht Marc Laberte ook de rechten om de namen Didier Nicolas, Joseph Nicolas, Honoré et Juste Derazey en Paul Mangenot commercieel te mogen gebruiken, allemaal goede vioolbouwers die onder de groeiende concurrentie niet of nauwelijks konden overleven.
De oude instrumenten die de firma had gekocht werden nauwkeurig bestudeerd en in het atelier nagebouwd door uitstekende vioolbouwers. Rond 1925 verkochten ze kopieën van Amati, Guadagnini, Santo Serafin, Bergonzi, Pressenda, Guarneri, Magnini en Lupot. Onder de bouwers die ze vervaardigden waren Camille Poirson en Charles Brugère. En met succes. Marius Casadesus, Benedetti, Maurice Maréchal en Maurice Hewitt kochten deze Laberte instrumenten en prezen die ook aan. Naast een facsimile-etiket van de originele bouwer, zat in het instrument ook een etiket met: ‘Marc Laberte, Maître Luthier’.
De afdeling waar strijkstokken gemaakt werden kreeg rond 1930 ook een nieuwe impuls. Samen met de broers Somny, ontwikkelde Marc Laberte enkele nieuwe modellen. De leerlingstokken kregen de fantasienamen V.J. Ferelli en G. Fournier mee, voor de betere stokken werden uitstekend opgeleide strijkstokkenmakers in dienst genomen. In de catalogus van 1930 stonden kopieën van Tourte, Voirin, Lupot en Peccatte. Zelf maakte Marc ook strijkstokken; deze kregen de stempel ‘Marc Laberte’. Ook stokken die aan de hogere kwaliteitseisen voldeden kregen zijn brandstempel mee.
In 1939 was het bedrijf met 500 medewerkers uitgegroeid tot het op een na grootste in zijn soort van Frankrijk. Hun concurrent J. Thibouville-Lamy (J.T.L) dat eveneens in Mirecourt zat, was met 1000 werknemers die per jaar 150.000 instrumenten maakten veruit de grootste.
Kort na het begin van WO II werd het bedrijf door de Duitsers overvallen. De voorraad instrumenten werd meegenomen en het gereedschap grotendeels vernield. Direct na de oorlog hernam de firma de werkzaamheden, maar veel bouwers hadden de oorlog als soldaat niet overleefd. De economie draaide om de wederopbouw van het land en niet om de muziek. Marc Laberte had de firma succesvol gemaakt door voortdurend betere instrumenten te maken; Marc’s zoon Philippe probeerde dit ook in de naoorlogse periode. Direct na de oorlog deed Marc nog één poging om internationaal aan de weg te timmeren, niet met de voor de Amerikanen onuitsprekelijke naam Laberte-Magnié, maar onder zijn eigen naam. In New York liet hij de firma vertegenwoordigen door Buegeleisen & Jacobson, Inc., die voor distributie in de V.S. en Canada zorgde. Daar adverteerden ze tot zeker 1949 mee tot Philippe een andere koers insloeg.
Met Philippe als directeur produceerde Laberte voornamelijk instrumenten die bedoeld waren voor de betere musici, maar erg succesvol was dat niet. Marc Laberte overleed in 1963. De firma sloot in 1969 nadat Philippe was overleden.
In de loop van de jaren verschenen er instrumenten onder de volgende namen; Compagnon, Mansuy, F. Couturieux, Bertholini, Breton, Borelli, M. Deconet, Marquis de l'air d'oiseaux, H. Denis, D. Soriot, H. Clotelle, N.F. Fournier, J. Didelot, J. Leclerc, Chipot-Vuillaume, J. B. Vuillaume, G. Didion, E. Henry, en voor de strijkstokken, G. Fournier en V.J. Ferelli.
Sommige namen waren fictief, van andere waren de rechten gekocht. De kopieën van de grote meesters uit het verleden werden eveneens nagemaakt maar waren vrij van rechten.
Vannes R. 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers , Spa
Vatelot E. 1976,. Les Archet Francais. Paris
Raffin, J. F.; Millant, B., 2000. L'Archet. Paris.
Terrier R., L'Eclat de la Lutherie Française. Bezocht in 2024
Geneanet bezocht in 2024