
viool
Irene Piazza

*1766 , Den Haag †1828 , Den Haag
Franciscus, geboren in 1766 te Den Haag, is het derde kind van Johannes Theodorus Cuypers en Anna Maria Borneman. Al op 17-jarige leeftijd verhuist hij naar Amsterdam waar hij vervolgens 40 jaar zal wonen. In 1698 trouwt hij met Johanna Elisabeth Beukers, waarmee hij een woning in de Leidsestraat betrekt. Er zijn geen kinderen uit dit huwelijk bekend.
Ondanks dat ook hij zich bekwaamt in het vioolbouwersvak, is zijn rol in het atelier van zijn vader enigszins onduidelijk. Wel is er een handgeschreven factuur gevonden uit 1794 waar hij enkele reparaties en onderhoudswerkzaamheden benoemt, wat er op zou kunnen wijzen dat hij zich voornamelijk bezighield met reparaties in plaats van nieuwbouw. Op de bewuste factuur vermeldt hij o.a. een reparatie van een Cremonese viool en een Stainer-viool en sluit hij af met de zin “per order van mijn vader”.
Bewijzen voor halffabricaten van zijn hand die naar Den Haag zouden zijn verzonden voor verdere afwerking, zijn nooit hardgemaakt. Wel zijn er volledig gebouwde instrumenten van zijn hand bekend uit de tijd dat zijn vader nog leefde en die dus ook zijn gesigneerd onder diens naam. Deze instrumenten zijn vaak individueler qua model, met meer uitgesproken randen en hoeken en met een verfijnde krul. De individuele stijl van Franciscus komt pas echt tot uiting na het overlijden van zijn vader, wanneer hij de exemplaren gaat signeren onder zijn eigen naam en met Amsterdam als woonplaats. In 1823 verhuizen hij en zijn vrouw weer terug naar Den Haag en wonen daar in het Hofje van Nieuwkoop, een huisje in het bezit van de katholieke kerk, hetgeen doet vermoeden dat ze het financieel niet breed hadden.
Franciscus is de meest getalenteerde zoon van Theodorus. Ondanks dat er details, zoals de lak, in het werk te zien zijn die sterk in navolging zijn van vader zijn, en dus typisch ‘Cuypers’ overkomen, is zijn werk vele malen individueler dan dat van zijn jongere broer, die zeer trouw blijft aan het werk van Johannes Theodorus. Dit zal ongetwijfeld te maken hebben met het feit dat Franciscus 40 jaar in Amsterdam woonde. Zijn persoonlijke stijl is duidelijk herkenbaar. Hij laat de, vaak door zijn vader gebruikte Stradivari-modellen achter zich en geeft zichzelf meer vrijheid. Er zijn dan ook verschillende modellen van zijn hand bekend. Het werk oogt over het geheel wat verfijnder en sierlijker, ook zijn de krullen eleganter dan een gemiddelde latere viool uit het atelier van zijn vader. Hetzelfde geldt voor ornamenten zoals hoeken en randen, die meer uitgesproken zijn, en voor de f-gaten die zeer strak en verfijnd zijn gesneden.
D.J. Balfoort, 1931 De Hollandsche vioolmakers, H.J. Paris, Amsterdam.
Bolink J, Giskes J, Lindeman F, Stam S,, 1999, 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Amsterdam.
Stadsarchief van Amsterdam, geraadpleegd in 2025