Joan (I) Guillamí
*± 1699 , Barcelona †1767 , Barcelona
Contreras had toegang tot de Italiaanse instrumenten die aan het hof van Philips V gebruikt werden; Joan Guillamí, die tien jaar eerder aan zijn loopbaan was begonnen, had zijn kennis ergens anders vandaan. Dat hij Stradivari’s instrumenten heeft kunnen bestuderen, is onmiskenbaar het geval. Hij bouwde niet alleen nauwkeurig naar diens latere modellen, maar hij construeerde zijn instrumenten ook op de werkwijze zoals die door Stradivari werd gebruikt.

De familie
De eerste van de familie Guillamí die in Barcelona vermoedelijk een werkplaats begon, was Joan Guillamí i Nin. Zijn naam kwam al in de zestiende eeuw in de gildeboeken van houtbewerkers van Barcelona voor.
Rafael Guillamí, de vader van Joan I, begon als meubelmaker in Barcelona maar bouwde een groot deel van zijn leven ook gitaren. In het gilderegister staat vermeld dat hij ook violen maakte, maar er zijn geen strijkinstrumenten van hem bekend. Joan begon bij zijn vader. Daar leerde hij ongetwijfeld gitaren maken, maar de strenge regels van het gilde geboden dat een leerling ook drie jaar bij een andere bouwer zijn opleiding moest vervolgen. Bij wie hij dat deed is niet bekend, maar hij moet toegang hebben gehad tot de strijkinstrumenten uit Cremona die vroeger naar Spanje waren gehaald.
Invloed uit Italië
Grote delen van Italië, waaronder ook Cremona, vielen in de zeventiende eeuw onder het Spaanse regime. Instrumenten van de beste Cremonese vioolbouwers vonden hun weg in het hele Spaanse Rijk, waarvan Barcelona de meest culturele stad was en waarin het hof van de aartshertog zetelde. Instrumenten van Antonio Stradivari en andere Cremonese vioolbouwers werden aangekocht voor orkesten van het Spaanse hof.
Het gilde van houtbewerkers
In Barcelona waren de gilden de pijlers van de economische en politieke macht. Iedere vakman moest er lid van zijn om zijn bedrijf uit te kunnen voeren. Instrumentenmakers, houtdraaiers, meubelmakers en touwslagers waren allemaal lid van hetzelfde gilde; de ‘Gremi de fusters de Barcelona’. Als eerste vioolbouwers in het 17e-eeuwse houtbewerkersgilde van Barcelona verschenen de namen van Rafael Guillamí, Joans vader, naast Josep Massaguer en Miquel Bofill.
De prohoms en de examinatoren van de gilden hadden bijna onbeperkte invloed
Rafael Guillamí, de vader van Joan, was al een man van aanzien toen Joan geboren werd. Hij was prohom, voorzitter van de ‘Gremi de fusters de Barcelona’. De prohoms en de examinatoren van de gilden hadden bijna onbeperkte invloed en genoten ook hoog aanzien in de stad. Rafael Guillamí bekleedde beide functies, hij was al jong examinator van het gilde en later werd hij prohom.
Twintig jaar nadat Joan voor zichzelf was begonnen, volgde hij zijn vader in het gilde op. Zijn werk als vioolbouwer, maar ook als leermeester werd zo hoog aangeslagen dat hij onder de Catalaanse instrumentenmakers al in zijn eigen tijd groot aanzien genoot. In 1745 werd hij examinator en twee jaar later werd hij de prohom van het gilde.
De familie van Filips V, Louis-Michel van Loo, 1743
Meer Italiaanse invloed
Toen Joan nog maar vier was, kreeg Barcelona te maken met een muzikale impuls die nog lang na zou klinken. Aartshertog Charles van Wenen had zich na een ingewikkelde strijd om de macht tot koning van Barcelona laten uitroepen. Uit voorliefde voor de Italiaanse opera had hij Italiaanse zangers uit zijn Weense hof laten overkomen en werden de werken van Antonio Caldara en Giuseppe Porsile in Barcelona meer uitgevoerd dan die van Catalaanse componisten. Deze nieuwe kunstvorm bleef ook na de machtswisseling in trek. Barcelona kreeg een eigen operaorkest, maar vooral de kamermuziekensembles waren in trek bij de grote groepen amateurmusici die Barcelona telde.
Kort voor Joans 12e verjaardag waren de inwoners van Barcelona in opstand gekomen tegen de overheersers. Er volgde een uitputtende strijd, de stad werd belegerd door 20.000 soldaten en verloor. De bewoners werden gespaard, maar het hof en veel belangrijke voorzieningen verdwenen naar Madrid. De nieuwe machthebber, Filips V, trof de stad bankroet aan met als gevolg dat ontwikkelingen op zo ongeveer ieder terrein stagneerden.
Een eigen werkplaats en de concurrentie
Tot 1721 deed Joan zijn opleiding bij een tot nu toe onbekende vioolbouwer, en ging daarna werken in zijn vaders werkplaats. Drie jaar later werd hij toegelaten tot het gilde en mocht zich als zelfstandig bouwer vestigen. Hij vond een werkplaats aan de ‘Carrer de Escudellers’ dat uitkwam op het grote plein van de Ciutat Vella. Daar bouwde hij in 1725 de vroegste door hem gebouwde viool die is teruggevonden en bleef daar werken tot 1767, het jaar dat hij overleed.
Ondanks de inspanningen van het gilde, kwamen er tot halverwege de 18de eeuw in bouw en handel van instrumenten veel vervalsers voor
Overal in Europa was de concurrentie onder gitaarmakers en vioolbouwers groot. Toen de Franse vioolbouwer Nicolas Duclos zich in 1740 in Barcelona wilde vestigen, werd daar bij het gilde heftig tegen geprotesteerd. Vóór Duclos instrumenten mocht bouwen onder eigen naam, moest hij proeven van bekwaamheid afleggen bij de examinator van het gilde en zich bij het gilde inkopen.
Ondanks de inspanningen van het gilde, kwamen er tot halverwege de 18de eeuw in bouw en handel van instrumenten veel vervalsers voor. Pas toen enkele invloedrijke, vermogende families zoals Xuriach, Pedrosa, Vinyoles, Boisselot, Oms en Bernareggi dit naar zich toe trokken, verdween dat en werden zij de hoofdrolspelers. De macht van het gilde nam af en de families namen het voortouw tot de veranderingen die leidden tot een industrieel proces van bouwen zoals dat ook in Duitsland gebeurde.
Muziekcultuur in Barcelona
Na de machtswisseling van 1714 bleef de muziek nog jaren wat het was, nieuwe invloeden van buiten Spanje bleven uit. De barokperiode, inclusief het gebruik en de bouw van de daarbijhorende instrumenten, duurde in Barcelona zo’n tien jaar langer dan in de rest van Europa. Tot halverwege de achttiende eeuw bleef de muziek van Palestrina en Victoria er de norm. Het hof was naar Madrid verplaatst waardoor ook de luisterrijke bals waren verdwenen, evenals de grote muziekuitvoeringen die een uitstraling op het culturele leven van de stad hadden uitgeoefend. Volksmuziek werd weer populair.
Nieuwe ontwikkelingen in de muziek brachten vioolbouwers vermoedelijk veel werk, voldoende om een bestaan op te bouwen. In de periode tussen 1720 en 1750, toen Joan Guillamí op het hoogtepunt van zijn productieve leven was, kwam in Barcelona de fandango op, een danslied dat begeleid werd door gitaar en viool. De gedanste fandango was geliefd bij de Spaanse aristocratie en werd opgenomen in zarzuela's, eenakters met een satirisch en soms politiek karakter, en werden onderdeel van opera’s en balletten. Later volgde een louter muzikaal uitgevoerde fandango, waarbij de viool meestal de melodielijn van de zanger ondersteunde. Ook bij de begeleiding van andere liederen en dansen werd de viool steeds meer gebruikt. Behalve Joan Guillamí waren er tussen 1700 en 1770 nog vier andere vioolbouwers in Barcelona, dat in die periode ruim 120.000 inwoners telde.
In 1739 werd zijn zoon Joan (II) geboren. Hij werd door zijn vader opgeleid en bouwde al vanaf zijn veertiende instrumenten onder eigen naam. Ze misten echter de verfijning die de instrumenten van zijn vader hadden gekenmerkt.
Invloed uit Cremona, Napels en Genua
John Dilworth die het werk van Joan Guillamí heeft onderzocht, vindt het zeer waarschijnlijk dat hij niet alleen de Cremonese instrumenten heeft kunnen bestuderen, maar ook toegang had tot instrumenten die in Genua gebouwd waren én instrumenten die via Genua uit Napels kwamen. De handelaren uit Genua hadden goede banden met de Spaanse en met die in Barcelona in het bijzonder.
Vader en zoon werkten met niet meer dan twee modellen: het kleine is afgeleid van de Napolitaanse school, een groter model is sterk beïnvloed door Stradivari. De modellen waaraan de Italiaanse invloed duidelijk is, zijn ook Italiaans van constructie, afwerking en lak; de hals en krul wijken daarvan af, die hebben nog het meest weg van de Genuese school. Vader en zoon waren in het gebruik van deze vorm zo consequent dat ze die hun hele leven hebben gebruikt voor zowel de violen als de cello’s.
Zijn cello’s zijn gebaseerd op Stradivari's ‘grote patroon’ en gebouwd van goed materiaal. Net als de violen zijn zij voortreffelijk afgewerkt. Naast violen en cello’s, bouwde hij ook enkele contrabassen.
Vader en zoon gebruikten hetzelfde brandmerk: GVILLAMI dat zij in het onderblad naast de stapel aanbrachten. Afbeelding met dank aan Tarisio
Doordat het gilde het importeren van hout aan banden legde, gebruikten de Guillamí’s hout uit de Spaanse Pyreneeën. Peter Ratcliff, die het hout dat zij gebruikten dendrochronologisch onderzocht, kon geen eenduidige conclusie over de exacte locatie trekken. Het bovenblad van veel instrumenten heeft in de loop van de jaren scheuren ontwikkeld, waardoor er nog maar weinig Guillamí-instrumenten in ongeschonden staat verkeren. Verscheidene bovenbladen van hun violen zijn in de twintigste eeuw vervangen.
Joan Guillamí gebruikte twee gedrukte etiketten:
‘Ioannes Guillamí me / fecit en Barcelona 1725’
en
‘Ioannes Guillamí / me fecit en Bar. / anno 1760’
Bronnen
Contreras J, Dilworth J, 2014, The Golden Age of Violin Making in Spain, Barcelona.
Patrimoni musical Català, bezocht in 2023
Pinto R, Noves aportacions dels Luthiers catalans del segle XVIII.
Vannes, R. (1999) Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Geneanet, bezocht in 2023
- Auteur
- Jan Boekhout
- Datum
- 24 juli 2025