vioolstrijkstok
Emil Giacometti

*1928 , Parijs †1998 , Parijs

Samen leerden zij het vak van de gebroeders Morizot die goede leraren bleken te zijn. De Morizot’s hadden een atelier dat bekend stond om de efficiënte waarmee er werd gewerkt en het grote aantal strijkstokken dat er vandaan kwam. Iedereen had er een eigen taak. In hun gouden tijd werkten er tien strijkstokkenmakers bij Morizot. Strijkstokken van Morizot waren geliefd bij een breed publiek en zij konden de vraag nauwelijks aan. Per medewerker verlieten er gemiddeld zo’n vijf strijkstokken per dag het atelier! Alleen kort na de oorlog was het aantal medewerkers tijdelijk teruggebracht tot vijf. In dat jaar begonnen Jean-Jacques en Bernard in dit productieve atelier.
Na deze leerschool, in 1948, vertrok Bernard naar Amerika en Jean-Jacques ging terug naar Parijs. Alvorens een eigen atelier te openen, wilde hij zich verder bekwamen en ging daarom enkele jaren bij zijn vader en oom werken. De broers Roger en Max Millant hadden sinds 1923 samen een atelier en waren gerespecteerde vioolbouwers die buitengewoon verfijnde instrumenten maakten naar klassieke Italiaanse meesters. In 1949, één jaar na de komst van Jean-Jacques, wonnen zij met een kwartet (twee violen, een alt en een cello) de eerste prijs op de prestigieuze tentoonstelling in Cremona en in datzelfde jaar wonnen zij die ook in den Haag. Niet met het grote gebaar van de broers Morizot, maar met de verfijning van Max en Roger maakte Jean-Jacques zijn strijkstokken.
In 1951 opende hij zijn eigen atelier. In de loop van de jaren verhuisde hij zijn atelier nog twee keer binnen Parijs. Iedere nieuwe lokatie was net iets beter dan de vorige. Na een periode van 1959 tot 1965 waarin hij experimenteerde met nieuwe vormen voor de slof, maakte hij alleen nog maar strijkstokken naar het model van Peccatte. In 1970 werd hij gekozen tot ‘Meilleur ouvrier de France’. Een eervolle titel die maar eens in de vier jaar, na een strenge selectie werd toegekend en plechtig werd uitgereikt op de Sorbonne. Hij trad daarmee in de voetsporen van Victor en Jules Fetique. Daarna zou deze titel nooit meer een strijkstokkenmaker te beurt vallen.
Kort na zijn opleiding lijkt hij al beïnvloed te zijn door Dominique Peccatte, waarbij ook dan al de perfectie van zijn werk opvalt. Kenners menen dat zijn strijkstokken niet of nauwelijks onder doen voor die van Peccatte.
Onder invloed van de grafische modernisten uit de jaren 50/60 ontwikkelt hij een slof met een nieuw model; experimenteel, onconventioneel en geometrisch. Niet alleen de vorm, maar ook de constructie is gedurfd. Hij grijpt terug op een Hill-techniek die hij bij Morizot geleerd heeft. De slof daarvan bestaat uit twee delen; één deel wordt op de stang gemonteerd, het ander deel glijdt er overheen. Die constructie is echter niet onder alle omstandigheden even stabiel. Hij modificeert de aansluiting zodanig dat het past bij zijn eigen stijl en het tegelijkertijd wél een hoge mate van stabiliteit oplevert. Hij maakt ze van ivoor, schildpad en ebben. Alle met goud. De knop geeft hij bijpassende, bijna architecturale vorm en inleg. Het maken ervan vergt een grote technische vaardigheid.
Na de oorlog had de nadruk op de maatschappelijke wederopbouw gelegen. Het weer tot leven wekken van de muzikale traditie had nauwelijks prioriteit. Daarbij kwam dat de film en de LP in veel gevallen concerten hadden verdrongen. Daardoor zaten tot ver in de vijftiger jaren orkesten en individuele musici vaak zonder werk. De handel in goede bestaande instrumenten en strijkstokken had de plaats ingenomen van nieuwbouw. Vioolbouwers en strijkstokkenmakers hadden nauwelijks werk. Veel ateliers hadden hun deuren noodgedwongen gesloten. Sommige bouwers waren geëmigreerd naar landen buiten Europa. In Parijs waren alleen de beste ateliers overeind gebleven.
De opleving aan het begin van de zestiger jaren zorgde voor een nieuw elan. Daar dacht Jean-Jacques van mee te kunnen profiteren. In deze periode ontwierp hij zijn nieuwe model. De meeste musici hadden echter nog steeds de grootste moeite om rond te komen. Alleen de meest prominente musici hadden de middelen voor de modernistische en kostbare strijkstokken van Jean-Jacques Millant, echter weinigen apprecieerden ze. Hij maakte ze maar tot 1965. Van een latere datum zijn er geen strijkstokken van dit type meer van hem bekend. Wel bleven de sloffen van zijn strijkstokken tot de negentiger jaren vaak rijk gedecoreerd en veelal gemonteerd in schildpad en goud. Het model was weer zoals vóór die tijd; gebaseerd op het patroon van Peccatte, maar dan iets royaler. In 1998 stierf hij als gewaardeerd voorloper van een kleine groep strijkstokkenmakers die de vernieuwing in vorm en techniek niet schuwen.
Het is niet bekend welke medewerkers hij had. Zijn directe invloed op de latere strijkstokkenmakers is dan ook beperkt. Jean-Jacques Millant wordt wel beschouwd als een van de belangrijkste strijkstokkenmakers van het tweede deel van de 20e eeuw. Niet in de laatste plaats omdat zijn oeuvre omvangrijk is, een grote samenhang vertoont en van zeer hoge kwaliteit is.
Het brandstempel dat hij gebruikte was ‘J. Jacques Millant a Paris’. Jean-Jaques Millant had een voorkeur voor licht gekleurd hout.
De strijkstok van Jean-Jacques Millant die in het bezit is van Het Muziekinstrumentenfonds, is een goed voorbeeld van zijn latere periode, waarin hij zijn strijkstokken weer maakte naar de school van Peccatte.
Millant B., Raffin J.F., 2000, l`Archet: les archetiers Francais 1750-1950. Paris.
Vatelot E. 1976, Les Archets Français. Nancy.
Jacquot A., 1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris.
Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.
Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2019.
Geneanet, geraadpleegd in 2019.
Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2019.