
viool
Marcel Sutedja

*± 1640 , onbekend †na 1681 , onbekend

De verwarring over zijn loopbaan begon al in 1806, toen de auteur van La Chélonomie ou le parfait luthier, Sibire Abbé, samen met de Franse vioolbouwer Nicolas Lupot een boek schreef over Italiaanse vioolbouwers van de 15e en 16e eeuw. Daarin kwam Del Bussetto al voor als vioolbouwer. Vermoedelijk was het door de manier waarop hij zijn instrumenten bouwde, dat zij hem tussen 1550 en 1600 in Cremona plaatsten. In de archieven zijn ook bij later onderzoek geen gegevens over het leven of werk van Del Bussetto teruggevonden; niet in de zestiende en evenmin in de zeventiende eeuw. In het biografisch overzicht van deze auteurs, dat enkele jaren later verscheen, vermeldden zij Giovanni Maria del Bussetto als leermeester van Andrea Amati. Een evenmin aanvaardbare veronderstelling, daar deze grondlegger van de vioolbouw leefde van ca 1505-1577.
Niet alleen Abbé en Lupot maar ook andere auteurs, zoals De Fétis in zijn biografisch overzicht uit 1888 en George Hart in zijn boek The Violin: Its Makers and its Imitators uit 1890 plaatsten del Bussetto nog in de zestiende eeuw. Zelfs in 1972 uitte Walter Kolneder in zijn ‘Amadeus Book of Violin: construction and history’ nog het vermoeden dat Del Bussetto een zestiende eeuwse bouwer was en de leermeester van Andrea Amati.
Het was niet Andrea Amati, maar zijn kleinzoon Nicolò Amati die een tijdgenoot was van Giovanni Maria del Bussetto. Latere onderzoekers hebben vrij nauwkeurig kunnen vaststellen wie de leermeester van Amati wel was, Giovanni Maria del Bussetto was dat niet.
Hoewel Brescia en Cremona op slechts 50 km van elkaar af liggen, liep er in Del Bussetto’s tijd een grens tussen beide steden. Brescia maakte deel uit van de (vrije) Republiek Venetië met de stad Venetië als bruisende muzikale metropool, Cremona viel onder het veel strengere Spaans/Oostenrijkse regime. Voor Brescia betekende dat toegang tot materialen zoals esdoorn en spar uit de Alpen, nodig voor de vioolbouw én tot een breed netwerk van ambachtsmensen, muzikanten en aristocratische klanten uit Venetië. Cremona lag aan een oude handelsweg, waardoor het wel erg welvarend was, maar het miste de muzikale en ambachtelijke inventiviteit waar Brescia zo rijk aan was.

Plattegrond van Cremona in de 17e eeuw
De Bresciaanse intrumentenbouwers speelden al rond 1590 in op de behoefte om een type strijkinstrument te bouwen dat robuust was en krachtig kon projecteren in grotere ruimtes, zoals kathedralen of hoven. Die wens werd ingegeven door de veranderende muzikale behoeften van de renaissance naar barok. Strijkinstrumenten kregen een steeds grotere rol in ensembles en kerkmuziek, wat vroeg om een krachtiger, rijker en veelzijdiger klank. De vraag naar innovatieve bouwtechnieken groeide navenant.
In 1630 viel Brescia ten prooi aan de pest. De vioolbouwer Giovanni Paolo Maggini overleed in 1632 waarmee de hoogtijdagen van de vioolbouw in Brescia eindigden. Het vermoeden bestaat dat Del Bussetto in die tijd in Brescia werkte. Hoewel de pest ook in Cremona tweederde van de bevolking had gedood, hadden Nicolò Amati en enkele kleinere bouwers het overleefd en zij deden de naam Cremona als stad -waar de vioolbouw bijna het synoniem van was- eer aan. Daar Cremona voor vioolbouwers een beter perspectief bood, verruilde Del Bussetto Brescia voor Cremona.
Claudio Monteverdi, Olieverfschilderij door Bernardo Strozzi (ca. 1630)
Onder musici was Cremona al enige tijd een begrip. Claudio Monteverdi had de stad en zijn bouwers onder de aandacht van musici gebracht. Hij werd in Cremona geboren en had er gestudeerd bij Marc Antonio Ingegneri, violist, componist en de kapelmeester van de kathedraal van Cremona. Ingegneri was een invloedrijk man met relaties tot in de hoogste kringen van Rome. De muziek van Monteverdi was doorgedrongen tot de belangrijkste hoven en muziekcentra in Europa, zoals Venetië, Ferrara, Nuremberg en Kopenhagen.
Tussen 1582 en 1590 had hij vijf van de negen boeken met composities uitgebracht toen hij maestro di capella in de kathedraal van Mantua werd en daar zijn eerste opera schreef. Mantua was toen een van de belangrijkste cultuurcentra van de renaissance. Op het titelblad van zijn uitgaven liet hij Cremona vermelden als zijn residentie. Zijn expressieve madrigalen en opera’s, die hij later als kapelmeester van de San Marco in Venetië schreef, werden in heel Europa gespeeld en vergden van de musici andere speeltechnieken dan voordien. Die konden alleen bereikt worden met de beste instrumenten die er beschikbaar waren. Amati, en later Guarneri uit Cremona, werden voor de meeste musici bekende namen. De Amati viool was norm en maat geworden. Ook voor Del Bussetto.
Zijn instrumenten zijn zeldzaam, maar zij die het overleefden, hebben allemaal herkenbare langwerpige f-gaten en een hoekige vorm. Ze verschillen onderling nogal in kwaliteit en lijken in drie groepen verdeeld te kunnen worden. Zijn vroege instrumenten zijn Bresciaans van bouwwijze, een tweede groep kan minder goed geplaatst worden. Die is minder van kwaliteit dan zijn latere werk en betreft vaak hooggewelfde violen die veel weg hebben van de in Europa veel gebruikte instrumenten uit Tirol. In zijn beste instrumenten zijn invloeden van goede bouwers uit Cremona zichtbaar.
Van Del Bussetto zijn violen, (grote) altviolen, cello’s en viola da gamba’s bekend, echter geen (contra-)bassen. Het materiaal dat hij gebruikte, is niet altijd van de beste kwaliteit. Het bovenblad is vaak nogal grof generfd en bij cello’s bestaat het blad meestal uit drie of meer delen. De f-gaten zijn bovenaan nogal wijd. De lak is typisch Italiaans van samenstelling, zacht, meestal bruin, soms donker geel.

Harper Collins, 2019, Cremona. Collins English Dictionary. HarperCollins, Cremona
Kolneder W. Amadeus book of violin making, construction, history and music.
Dilworth j. On the history of violin making in Brescia.
Bowers, R., 2007, Monteverdi in Mantua, 1590–1612, Cambridge.
Whenham, J. W. R., 2007: The Cambridge Companion to Monteverdi, Cambridge.
Domenico R., 2002, "Lombardy: Cremona" a Reference Guide to History and Culture. Londen.
W. Henry Hill, Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, 1910, The Violin Makers of the Guarneri Family, 1626-1762, Londen.
Vannes, R., 1981 "Dictionnaire universel des luthiers", Bruxelles.
Goldfarb T., 2015, Art and Music in Venice, Londen.
Hargrave R., 2009, The Amati Method, Three articles about the Amati family.
"From the Archive: a violin by Nicolò Amati, Cremona, 1660-70”, The Strad, 2018.
Powers, W., 2000, “Violin Makers: Nicolò Amati (1596–1684) and Antonio Stradivari (1644–1737).” In Heilbrunn Timeline of Art History. New York: The Metropolitan Museum of Art.
Kass P. J. The Stati D'Anime of S. Faustino in Cremona: Tracing the Amati Family 1641-1686.
Hargrave R. G., 2011, The Working Methods of Guarneri ‘del Gesù’ and their Influence upon his Stylistic Development.