Doorgaan naar content
bouwer

Georges (III) Chardon

*1870 , Parijs      †1949 , Parijs

Georges (III) Chardon en zijn zoon André behoren tot een familie van vioolbouwers die volgens Sylvette Milliot (2006), kenner van de Parijse vioolbouwhistorie, tot de Franse elite op hun vakgebied gerekend mag worden. De meesten uit de familiedynastie leidden een nogal turbulent persoonlijk leven, maar hun reputatie op hun vakgebied is onaangetast gebleven. Het leven van Georges en André Chardon kan niet gezien worden zonder hun familiegeschiedenis die even roemrucht als fameus was.
Werkplaats(en)
Parijs, 1890-1949

Leven en loopbaan

De geschiedenis van de vioolbouwersfamilie Chardon gaat terug tot Joseph Chanot die een atelier in het Noord-Franse stadje Mirecourt had. Zijn geboortedatum is niet bekend, maar zijn eerste viool bouwde hij in 1790. Joseph was naast vioolbouwer, ook boer en handelaar. Dit werk moest hij doen om zijn gezin dat uit twaalf kinderen bestond te kunnen onderhouden. Zijn oudste zoon, François (1788 – 1825), bleek zeer begaafd te zijn en ging wiskunde studeren aan de Ecole Polytechnique in Prijs. Zijn interesse in vioolbouw volgde pas nadat hij zich had bezig had gehouden met het ontwerpen van oorlogsschepen. Onder invloed van de opkomst van wetenschappelijke inzichten schreef hij twee proefschriften over strijkinstrumenten. Het eerste ging over bouwtechnieken, het tweede over akoestische kenmerken van strijkinstrumenten. Hij was ervan overtuigd dat zijn wetenschappelijke benadering een instrument zou opleveren dat beter klonk dan de bestaande violen. Beide proefschriften kregen grote invloed op de Franse manier van bouwen.

Zijn ontwerpen, violen met afgeronde hoeken, werden door de firma Lété & Payonne in Parijs gebouwd. Daarvoor was Jean Baptiste Vuillaume (1798-1875) speciaal van Mirecourt naar Parijs was gekomen. Om Jean Baptiste te helpen bij het bouwen van deze revolutionaire instrumenten stuurde François Chanot zijn zoon Georges I in 1819 ook naar Parijs.

François Chanot gaf veel lezingen over zijn wetenschappelijke benadering op het gebied van akoestiek in strijkinstrumenten. Zijn voortvarendheid en overtuigingskracht waren zo groot dat hij zelfs een presentatie in aanwezigheid van de Franse koning gaf, waarna deze hem er in 1818 een patent op verleende. Het resultaat bleef achter bij de verwachting, maar de naam van Chanot was gevestigd.

Na het debacle werkte Georges I Chanot (1801–1883) nog enige tijd bij Jean Laurent Clement, maar opende in 1821 een eigen zaak in Parijs. Door zijn onervarenheid werd dat geen succes en ging hij bij Charles François Gand (1787–1845) meer ervaring opdoen. Twee jaar later opende hij opnieuw een atelier. Dit keer met meer succes. Onder vioolbouwers in Parijs ontstond enige opschudding doordat hij een vrouwelijke leerling, Florentine Demolliens (1797~1840), aannam. Maar daar bleef het niet bij. Florentine werd Georges’ zakenpartner, kreeg ongehuwd vijf kinderen en veroorzaakte daarmee een schandaal.

Florentine leidde het bedrijf grotendeels zelfstandig gedurende de jaren dat Georges Chanot door Europa en Rusland reisde om zijn netwerk op te bouwen. Kenner en verzamelaar Luigi Tarisio (1796-1854) zou hem later in zijn memoires noemen als een groot kenner van oude meester instrumenten. Van hem kocht hij enkele instrumenten, waaronder enkele Stradivari en Guarneri violen.

In 1840 vertrok Florentine uit Parijs om te herstellen van een ziekte. Maar nog in dat jaar stierf ze. Omdat Georges’ zaak groeide en hij daar assistentie bij nodig had, ging Antoinette Chardon, een vriendin van Florentine, naar Parijs om hem te helpen. In 1843 werd een zoon, Marie-Joseph (1843–1930) geboren. Daar zijn ouders ongehuwd waren kreeg hij de achternaam van zijn moeder: Chardon. Marie Joseph Chardon zou eveneens vioolbouwer worden en nadat George Chanot hem erkend had als zijn zoon, bij hem in de leer gaan. De naam Chardon werd aan Chanot toegevoegd en vanaf dat moment heette het bedrijf Chanot & Chardon.

Georges’ andere zoon, Georges II Chanot (1831-1895), had aanvankelijk geen belangstelling voor het vak. Hij leidde lang een buitengewoon bourgondisch leven en kwam pas op zijn 20e bij zijn vader in de zaak. Eerst als vioolbouwer, later als strijkstokkenmaker. Zijn vader zag bij nader inzien meer in hem als handelaar en had een toekomst als internationaal expert voor hem op het oog. In 1858 stuurde hij Georges II als dealer naar Londen, waar hij eerst korte tijd voor Hart and Turner werkte en later met steun van zijn vader een eigen zaak begon waar hij de violen van zijn vader verkocht. Hij wordt gezien als een van de belangrijkste ambassadeurs van de Franse vioolbouw in Engeland. Door zijn kennis en handelsgeest verdiende hij er het eerste familievermogen, maar raakte een groot deel weer kwijt door zijn bijnaam ‘Joly Georges’ eer aan te doen.

Twee maal was Georges II Chanot als handelaar betrokken bij een schandaal. De eerste keer werd daar uitgebreid publiciteit aan gegeven. Na beschuldigd te zijn van vervalsing, gaf hij toe etiketten nagemaakte te hebben, maar motiveerde dat een dergelijke praktijk onder vioolbouwers heel gebruikelijk was. Hij vond het een hommage aan Guarneri del Gesù die hij zei nagebouwd te hebben. De etiketten die hij gebruikt had leken in het geheel niet op de originelen. De ‘Guarneri’ evenmin. Die had hij, zo bekende hij later, in Parijs gekocht, niet zelf gebouwd en was ook geen echte. De rechter veroordeelde hem er voor en zijn vakgenoten zagen het aantal rechtszaken tegen deze praktijken toenemen. Zijn reputatie liep wel schade op, maar door zijn kennis bleef hij internationaal gezien worden als een groot expert.

Na zijn Londense tijd keerde Georges II weer terug naar Parijs. Daar werd de familiezaak Chanot & Chardon heel succesvol geleid door zijn onwettige zoon Marie-Joseph Chardon (1843–1930). Ook diens zoon Georges III Chardon (1870–1949) werd vioolbouwer. Instrumenten die voortkwamen uit de samenwerking tussen vader Marie-Joseph Chardon en zoon George III Chardon werden vanaf 1905 voorzien van het etiket met de vermelding 'Chardon père en Fils'.

Georges III Chardon blonk, geheel in de familielijn Chanot-Chardon, uit in het bouwen van instrumenten die gebaseerd waren op oude meesters. Daarnaast maakte hij naam een van de beste experts van Frankrijk te zijn. In 1897 werd zijn zoon André Chardon (1897–1963) geboren. André zette de familietraditie verder voort, maar wel zou hij er de laatste telg van worden. Hij werd door zijn vader opgeleid en werkte met hem vanaf 1912 samen in hun Parijse atelier. Na twee jaar werd zijn loopbaan echter onderbroken door de eerste wereldoorlog. In 1915 ging hij in dienst en pas in 1919 keerde hij, na hersteld te zijn geweest van zijn verwondingen, terug naar Parijs. Het bedrijf heette vanaf dat moment ‘Chardon et fils’. Daar bouwde hij samen met zijn vader jaren lang veel zeer goede instrumenten tot hij in 1938 een eigen atelier opende.

Wellicht onder invloed van zijn grootvader Georges II specialiseerde André zich in de loop van de jaren in het maken van strijkstokken. Daar zou hij vanaf 1920 onder musici grote bekendheid mee krijgen. Ze zijn zeldzaam en buitengewoon goed gemaakt. Wel bleef hij daarnaast altijd nog strijkinstrumenten bouwen.

André’s grootvader Georges II had in 1870 een grote voorraad voortreffelijk hout voor instrumenten en strijkstokken aangelegd waar zijn vader en hij nog lang uit konden putten. Zijn grootvader was liefhebber van strijkstokken geweest. Met zijn koets, waarin hij een grote mahoniehouten kist meenam die vijf lagen strijkstokken bevatte, had hij door heel Europa gereisd. Soms verkocht hij de stokken, maar meestal ruilde hij ze voor violen.

In 1937 namen vader en zoon deel aan de grote tentoonstelling in Parijs. Zowel hun violen, als de strijkstokken kregen veel waardering. Na de dood van zijn vader Georges III in 1949, nam André het bedrijf over. Georges III had echter bepaald dan ook zijn dochter Josephine partner moest worden. Samen dreven zij de zaak tot André in 1963 stierf. Het bedrijf zou nog tot 1981 door Josephine voortgezet worden, waarna de zaak gesloten werd.

Georges III en André bouwden een groot aantal uitstekende strijkinstrumenten, de meeste gebaseerd op oude Franse meesters. Door hun grote kennis en vaardigheden die generatie op generatie werd doorgegeven, worden beiden gerekend tot beste Parijse deskundigen van hun tijd.

Werk en invloed

De familie Chanot-Chardon was zeer succesvol in het bouwen van instrumenten gebaseerd op Guarneri del Gesù’s midden- en late periode. Geen twee violen lijken echter op elkaar, ook al zijn ze altijd onmiskenbaar “Chardon”.

De meerderheid van Chardon's achterbladen bestaan uit één stuk. Zowel Georges II, als zijn opvolgers selecteerden hout dat zoveel mogelijk leek op het origineel waardoor zij zich lieten inspireren. De grote voorraad hout die zijn vader had aangeschaft stelde hen daartoe in de staat.

De Chardons hadden enkele formules voor hun lak die verschillende texturen lak produceerden. Vaak gebruikten zij een roodbruine vernis met een donkere bordeauxrode tint op een gele ondergrond. Het is meestal een dikke olielak die in de loop van de tijd een natuurlijke craquelé kreeg. De andere kleur van hun instrumenten is oranjebruin, opnieuw met verschillende texturen. Vroege instrumenten lakten zij om de indruk van een oude 'Cremona' te wekken met alle oneffenheden van dien.

Georges II bouwde zijn instrumenten vermoedelijk nog zonder mal, Georges III en André gebruikten die wel. Al hun instrumenten zijn gebaseerd op bekende voorbeelden van

Bronnen

Milliot S., 1994, La famille Chanot-Chardon, Les luthier Parisiens aux xxixi et axe siècle, Paris.

Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2007, Italian & French Violin Makers, Keulen.

Cité de la musique/Musée de la musique, Violons, Vuillaume, un maître luthier français de XIXe siècle, 1998, Paris.

Millant R., 1979, J-B Vuillaume; Sa vie et son oeuvre. Hill&sons, London.

Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2020.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2020

Auteur
Jan Boekhout
Datum
1 juli 2020