
altviool
Berdien Vrijland


Mathias Klotz (1653–1743) was de eerste vioolbouwer van de familie en vermoedelijk ook in het stadje. Zijn vader Urban Klotz (Vrbanus Cloz, 1627–1691) en Ursula Schändl, zijn moeder woonden al generaties lang in Mittenwald. Mathias ging al jong naar de stad Füssen voor een opleiding tot luiten- en vioolbouwer. Daar werkten veel van de beste bouwers van Europa. Hij bleef er twee jaar lang als leerling en vervolgde zijn opleiding nog eens zes jaar lang bij de luiten- en vioolbouwer Pietro Railich in Padua.
Eenmaal terug in Mittenwald bouwde hij naast luiten, ook steeds meer violen. Mathias was niet alleen goed in zijn vak, maar was ook een succesvolle ondernemer: hij bezat meerdere huizen, stukken bouwgrond en akkers, allemaal in of rond Mittenwald.
Het dorp Mittenwald lag aan de belangrijke oud Romeinse ‘Via Raetia’, een handelsroute die van Augsburg naar Venetië liep en de ‘Rottstraße’ werd genoemd. Langs de weg lagen op vaste afstanden herbergen en overslagpunten waar machtige Venetiaanse kooplieden het voor het zeggen hadden. Mittenwald was een belangrijk knooppunt waar goederen uit heel Europa werden overgeslagen en verder getransporteerd, daaronder zaten ook veel muziekinstrumenten.
Het hout dat rond Mittenwald groeide, bleek bij uitstek geschikt voor de vioolbouw. Dat trok ambachtslieden naar de stad. Veel van hen werden door Mathias Klotz opgeleid. Het systeem van de gilden dat de vioolbouw in Füssen groot had gemaakt werd aan het eind van de zeventiende eeuw ook in Mittenwald ingevoerd.
Instrumenten van belangrijke bouwers als Amati, Stainer en anderen uit Augsburg en Venetië passeerden Mittenwald. Niet alleen via de ‘Rottstraße’, maar ook over de rivier de Isar die langs Mittenwald liep en waarover goederen stroomafwaarts naar München gebracht werden. Instrumenten van Mathias en later ook van de andere familieleden Klotz vonden via dezelfde routes hun weg naar andere delen van Europa.
Mathias had zes kinderen waarvan Sebastian (1696–1775), Georg (1686-1737) en Johann Karl (1709–1790) vioolbouwer werden. De eerste die een eigen etiket mocht voeren was Sebastian. Vermoedelijk bouwde hij aanvankelijk meer luiten dan violen, want hij stond als ‘plectopaeus’ te boek, luitenmaker. Zijn beide broers, Georg en Johann Karl, werkten eveneens in de familiewerkplaats. Aan hun werk is de invloed van andere succesvolle bouwers als Stainer en Amati duidelijk te zien. Hoewel misschien niet zo hoog gewaardeerd als Sebastian, bouwde Johann Karl Klotz wel zeer verfijnde violen, de meeste naar Amati.
De derde generatie bestond uit zeven vioolbouwers, het waren twee zonen van Georg, drie van Sebastian en twee van Johann Karl. Zij deden ongetwijfeld bij Mathias en hun vaders in de werkplaats hun eerste ervaringen in het bouwen van violen op, maar hun vervolgopleiding brachten zij bij een andere meester vioolbouwer door. Op Aegidius, de jongste zoon van Sebastian na, gingen ze als zelfstandig vioolbouwer verder. Aegidius keerde terug naar de werkplaats van Sebastian. Hij wordt beschouwd als de meest getalenteerde van zijn generatie. Halverwege de achttiende eeuw was het belang van de familie Klotz erg groot geworden. Na zijn reis door Europa schreef Leopold Mozart dat “Londen en Parijs vol zaten met Klotz-violen”. Voor zijn zoon Amadeus kocht ook hij een Klotz viool. Onderzoekers nemen aan dat Aegidius die samen met zijn vader gebouwd heeft. Het instrument is lang door Amadeus bespeeld. Vermoedelijk gebruikte hij de viool ook bij het componeren van zijn vioolconcerten.
Geleidelijk nam de invloed van buitenaf op de familie Klotz toe; de veranderende muziekvoorkeur stelde andere eisen dan de oorspronkelijke Klotz instrumenten konden bieden. Iedere bouwer van de familie moest daar wel aan tegemoetkomen om het hoofd te kunnen bieden aan de enorme concurrentie die rond negentienhonderd in de vioolbouw was ontstaan. Hun instrumenten voorzagen zij vaak van een etiket van Jacob Stainer wiens instrumenten geliefd waren geworden bij componisten en vooraanstaande musici. Deze individuele Klotz bouwers konden maar in enkele gevallen aan hun instrumenten herkend worden. Kenners moesten daarom ook veel violen toewijzen aan een niet te identificeren lid van de familie.
Johann Nepomuk Klotz (1903-1971) was de één na laatste vioolbouwer van de dynastie. Hij werd aan de Mittenwald school opgeleid en werkte bij Neuner & Hornsteiner, het bedrijf van twee andere belangrijke families van vioolbouwers in Mittenwald. In 1930 ging hij naar München en later naar Berlijn. Daar werkte hij bij de vooraanstaande bouwer Otto Möckel en in 1946 vestigde hij zich als zelfstandig vioolbouwer in die stad. Zijn werk is persoonlijk en zeer verfijnd.
Hans Baptist Klotz (1906-1988) was de laatste vioolbouwer van de familie. Hij studeerde in zijn geboorteplaats, maar vertrok naar Stuttgart waar hij een groot aantal zeer goede en onderscheidende instrumenten bouwde.
Van Mathias is lang aangenomen dat hij bij Amati in Cremona en in Absam bij Stainer zijn vak had geleerd. Die aanname had te maken met Mathias’ werk dat veel weg had van beide vioolbouwers. Zijn invloed was groot: hij leidde veel bouwers op die allemaal in belangrijke mate zijn opvattingen in en buiten Mittenwald verspreid hebben. De bekendste was Johann Jais. (c. 1752–na 1780) die naar de stad Bolzano trok. Dat was de belangrijkste schakel tussen de Duitse vioolbouwgebieden en Italië en had een lange traditie op het gebied van vioolbouw.
Het werk van Sebastian leek in de eerste jaren nadat hij zelfstandig geworden was nog op dat van zijn vader, later werd dat persoonlijker. Hij werkte zeer nauwkeurig; de randen en de inleg zijn verfijnd gemaakt. Zijn voornaamste twee modellen waren langgerekt en hadden verticaal lopende f-gaten. Ze hadden korte hoekpunten en een wat toegeknepen middenronding. Hij bouwde ze met een constructiemethode die in Cremona gebruikt werd. De welving is minder hoog dan die uit andere Duitse streken. Tot 1800 was de bouwstijl van Sebastian Klotz het voorbeeld van wat later de ‘Mittenwalder Schule des Geigenbaus’ genoemd werd. Sebastian had veel leerlingen. Anton en Andreas Gäßler evenals Johann Georg Psenner waren de bekendste. Het werk van Sebastian werd al tijdens zijn leven massaal gekopieerd en over Europa verspreid als ‘Klotz-instrumenten’.
Ook de derde generatie Klotz en hun leerlingen bleven dicht bij het werk van hun vaders, maar ontwikkelden het familie-erfgoed verder. Georg Klotz, de oudste zoon van Sebastian, vond gaandeweg een eigen stijl. Hij bouwde ongewoon grote instrumenten en vond een heel eigen benadering van de welving, de opbouw van de zijkant en de f-gaten. Zijn broer Aegidius Klotz ging nog verder; het model dat hij ontwikkelde is opvallend compact van karakter en heeft een brede randinleg. De wat gedrongen kop met krul past daar goed bij. In zijn werk is de invloed van Jacob Stainer terug te vinden. Ook zijn werk werd veelvuldig gekopieerd. Joseph Thomas, de derde zoon van Sebastian wordt gezien als een van de meest verfijnde bouwers van zijn generatie; zijn werk is vlakker dan dat van de vorige generatie. Zijn beide zonen werden de vierde generatie Klotz. Zij werkten niet meer in de familiewerkplaats, maar vestigden zich zelfstandig.
Op enkele individuele bouwers na die hun naam verbonden aan een eigen model, hadden de meeste bouwers van voorgaande generaties Klotz hun invloed op de Europese vioolbouw al geleidelijk aan verloren. De laatste twee bouwers van de dynastie bouwden herkenbare instrument, maar die waren gebaseerd op hun leermeesters, niet op de familietraditie. Zij vonden geen navolgers.
Lees hier meer over Sebastian Kloz
Archief van het Mittenwald museum voor vioolbouw.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
The Smithsonian Institution, The Klotz family.
Tarisio, Cozio archive, geraadpleegd in 2022.