Doorgaan naar content
bouwer

Cesare Candi

*1869 , Bologna      †1947 , Genua

Vanaf het moment dat de gemeenteraad van Genua bekend maakte dat zij Cesare Candi benoemd hadden tot curator van hun collectie strijkinstrumenten, begon zijn bekendheid uit te groeien tot in heel Italië. Niet dat de collectie zo groot was, maar wel omdat ‘Il Cannone’, de viool waarmee Paganini furore had gemaakt, er deel van uit maakte. En die moest gerestaureerd worden. Cesare was in enkele jaren opgeklommen tot vioolbouwer met een bijzondere staat van dienst. Hij was geboren in Bologna, opgeleid in het atelier van Raffaele Fiorini, maar had in Genua jarenlang voor de Gebroeders Barberi, gitaren, mandolines, citers, harpen en andere tokkelinstrumenten gemaakt.

Door anderen aangemoedigd nam hij zijn oorspronkelijke vak weer op en begon strijkinstrumenten te bouwen. Omdat hij met diverse stijlen en bouwwijzen experimenteerde, variëren instrumenten eerst nog wat, maar na enkele jaren won hij al prijzen in Bologna, Milaan en Cremona. Naast violen bleef hij kunstig ingelegde en van houtsnijwerk voorziene viola’s d’amore, viola’s da gamba en mandoline’s maken. Pas later, onder invloed van Euginio Praga en Enrico Rocca, ontstond er meer eenheid in zijn oeuvre. In veel van zijn latere werk is van de hand van zijn leerling en assistent Giuseppe Lecchi te herkennen. Cesare Candi stierf in 1947. Nu wordt hij beschouwd als de grootste Genuese vioolbouwer van zijn tijd.
Werkplaats(en)
Bologna, 1889-1894
Genua, 1900-1947

Leven en loopbaan

Cesare Candi werd geboren in Bologna, evenals zijn ouders Angelo Candi en Virginia Billi. Het was een levendige universiteitsstad met een lange traditie op het gebied van muziekpraktijk. Vioolbouwers waren er echter maar weinig meer. Candi’s eerste en misschien wel belangrijkste leermeester Raffaele Fiorini, had de oude vioolbouw traditie weer nieuw leven ingeblazen. Hij had een werkplaats in het Palazzo Pepoli Vecchio dat in Bologna hèt culturele centrum was. Daar bouwde hij strijkinstrumenten in de traditionele Bolognese stijl. Candi’s leermeester Fiorini had in Bologna een reputatie van iemand met een ‘welverdiende achting door zijn eerlijkheid en goede karakter’, niet in de laatste plaats omdat hij zijn kennis ruimhartig deelde met zijn leerlingen en met de talloze bouwers die hem in zijn atelier opzochten en naar zijn mening vroegen. In deze levendige en stimulerende omgeving vond Cesare Candi’s eerste kennismaking met vioolbouw plaats.

Onder Fiorini’s leiding begon Cesare op zijn vijftiende aan zijn loopbaan. In die periode werkte zijn broer Oreste er al, evenals de broers Gaetano en Auguste Pollastri en Armando Monterumici. Fiorini bouwde modellen die iets weg hadden van Amati, maar gebruikte daarbij een werkwijze die Franse bouwers enkele jaren eerder uit Parijs naar Noord-Italië gebracht hadden. Die bouwwijze had z’n wortels in het Franse vioolbouwersstadje Mirecourt. Voor Fiorini’s zoon Giuseppe was dat reden genoeg geweest om met ruzie bij zijn vader weg te gaan. Giuseppe Fiorini was van mening dat violen die gebaseerd waren op de grote Italiaanse meesters ook op de Italiaanse manier gebouwd moesten worden.

Na vier jaar vertrok Cesare Candi naar Genua. Daar voegde hij zich weer bij Oreste, zijn broer die als bouwer van gitaren, mandolines en andere tokkelinstrumenten bij de gebroeders Barberis werkte. Ook Cesare bouwde ruim vier jaar lang bij hen deze instrumenten en werd er een ware meester in. Maar gestimuleerd door de oudere Eugenio Praga, die samen met Enrico Rocca een atelier had en in Cesare een te groot talent zag om bij Barberis te blijven werken, begon Cesare voor zichzelf.

In zijn eerste jaren als zelfstandige bouwde hij nog geen strijkinstrumenten, maar specialiseerde zich in instrumenten met bijzonder ingenieus gedecoreerde en gebeeldhouwde ornamenten. Om zijn inkomsten veilig te stellen bleef hij tot 1892 nog wel instrumenten aan Barberis leveren. Op de Italiaans-Amerikaanse tentoonstelling van dat jaar die in Genua gehouden werd, kreeg Cesare Candi nationale erkenning als muziekinstrumentenmaker.

Zijn eerste violen dateren van rond 1900. In 1896 was hij getrouwd met Rosa Castello, met wie hij drie dochters kreeg. Daarna verhuisde hij nog twee keer tot hij zich samen met zijn broer en gezin definitief vestigde op een meer prominente lokatie in de stad.

De eeuwwisseling had grote veranderingen in het culturele leven in gang gezet. Het modernisme in de kunst en het geloof in de vooruitgang door mechanisatie leverde andere composities en een andere uitvoeringspraktijk op dan ervoor. Meegaan met de moderne tijd of teruggaan naar de oorsprong, de Gouden Tijd van Cremona, was toen voor alle vioolbouwers de vraag die regelmatig aan de orde kwam. Voor Cesare Candi werden Stradivari en Guarneri de nieuwe bronnen waaruit hij inspiratie putte. Dat waren andere dan die van Raffaele Fiorini. Raffaele was bij zijn geliefde, meer provinciale Bolognese bouwstijl gebleven.

Bij Enrico Rocca, die in navolging van zijn vader Giuseppe een moderne variant van Stradivari en Guarneri bouwde, vond hij wat hij zocht. Rocca had niet alleen de modellen van deze Cremonese meesters overgenomen, maar hij bouwde ze ook op de Cremonese wijze. Een manier van werken die principiëler was, maar ook een veel grotere vrijheid van bouwen toeliet dan de Franse bouwwijze. Recensenten hadden Rocca’s violen zelfs een ‘Italiaanse herinterpretatie’ genoemd. Al was Enrico’s werk niet zo uitgesproken en verfijnd als dat van zijn vader, zijn instrumenten waren rond 1900 nogal gewild. Enrico Rocca had een grote invloed op de jongere vioolbouwers van Genua. En daar was Eugenio Praga er één van. Cesare Candi raakte onder Praga’s invloed en verhuisde weer. Zijn definitieve atelier opende hij in de zelfde straat als waar Praga en Rocca zaten, een voor Cesare Candi buitengewoon inspirerende omgeving. Na de dood van Praga in 1901 nam Cesare Candi diens mallen en voorraden over en uit waardering voor de man aan wie hij in belangrijke mate zijn erkenning en zelfstandigheid te danken had, bouwde hij daar veel violen mee.

Onder invloed van Enrico Rocca, ontwikkelde Cesare zich verder. Zijn techniek werd zo goed dat zijn instrumenten het niet alleen door musici, maar ook op tentoonstellingen erg gewaardeerd werden. In 1906 won hij in Milaan goud met een viool en een jaar later stuurde hij een heel kwartet: twee violen, een viola en een cello in naar de grote tentoonstelling van Bologna. In de stad waar hij begonnen was kreeg hij de erkenning voor de richting die hij ingeslagen was en ontving een veelbegeerde eremedaille voor zijn inzending. Wellicht was het wel zijn grootste triomf toen hij in Cremona tijdens de viering van de tweehonderdste verjaardag van Stradivari een gouden medaille kreeg voor twee gedecoreerde violen en een viola. Een echte mededinging was het niet geweest; hij ontving de medaille hors concours.

Zijn kwaliteit als bouwer en restaurator waren al eerder opgemerkt. Na de dood van Enrico Rocca in 1915, werd hij benoemd tot curator van de collectie strijkinstrumenten van de gemeente Genua, waaronder ‘Il Cannone’ van Guarneri del Gesù, de viool waarmee Paganini triomfen had gevierd. Toen de Cannone in Cremona tentoongesteld moest worden had Candi er eerst nog restauratiewerk aan te verrichten waardoor hij ook bekendheid onder vakgenoten buiten Genua kreeg.

De eerste wereldoorlog had op alle facetten van de samenleving een verlammende uitwerking gehad. Daarna was het optimisme wel voorbij en in de chaos die erop volgde, vluchtten velen weer in oude waarheden. Wat Cesare Candi er toe deed besluiten om de oude technieken die hij bij Raffaele Fiorini geleerd had weer van stal te halen is nooit helemaal opgehelderd, maar rond 1917 bouwde hij soms weer instrumenten op de oude, Bolognese manier. Ook gebruikte hij weer technieken die hij in zijn tijd als gitaarbouwer toegepast had. In die periode bouwde hij veel modellen die expert Eric Blot (1997) eclectisch noemt. Ze bestaan uit elementen die hij van diverse oude meesters overnam. Pas rond 1930 valt alles op zijn plaats en verschijnt er meer continuïteit in zijn modellen. Tot tot 1940 bleef hij actief, de instrumenten van later datum die zijn etiket dragen zijn naar alle waarschijnlijkheid niet meer van zijn hand, maar gebouwd door Giuseppe Lecchi.

In 1908 had Cesare zijn eerste leerling aangenomen. Dat was de avontuurlijke Paolo de Barbieri, die als dertienjarige weggelopen was van huis, enkele jaren op zee had gezworven, maar toch liever vioolbouwer wilde worden. Paolo bleef bij Cesare in dienst tot 1918. In 1923 nam Cesare zijn volgende twee leerling aan, Giuseppe Lecchi en Lorenzo Bellafontana. Lecchi was getalenteerd en bleef tot 1933 Cesare’s assistent. In dat jaar begon Giuseppe Lecchi wel voor zichzelf, maar bleef tot aan Cesare’s dood nog instrumenten voor hem bouwen. In 1949 volgde Lecchi Cesare Candi op als conservator van Guarneri del Gesù’s ‘Il Cannone’.

Cesare Candi bleef in de jaren na het uitbreken van de tweede wereldoorlog nog wel actief, maar vermoedelijk alleen nog maar voor reparaties. Hij stierf in 1947. Hij wordt beschouwd als de belangrijkste Genuese vioolbouwers van zijn tijd.

Werk en invloed

In Bologna heeft Candi geen instrumenten gebouwd onder zijn eigen naam. Die verschenen pas rond 1894. Dat waren naast gitaren en mandolines, rijk bewerkte viola’s da gamba, viola’s d’amore en schitterende gitaarharpen. Zijn vakmanschap op dit gebied was ongeëvenaard.

Rond 1905 begon een lange periode waarin hij zich als vioolbouwer ontwikkelde. Veel violen bouwde hij in die tijd op de mallen van Eugenio Praga. Zijn fascinatie voor ingenieuze decoraties, paste hij ook geregeld op die instrumenten toe. Tussen 1911 en 1916 bouwde hij violen met randinleg van walvisbalijn en met een decoratieve ivoren inleg. Daarmee begon tevens een tijd waarin zijn instrumenten gelijkvormiger werden, maar nog wel voorzien van verschillende elementen.

Ook experimenteerde hij met verschillende soorten lak. Die varieerde van oranje-rood tot geel-goud. Hij begon zich toe te leggen op het snijden van de hals en krul, die hij niet door anderen liet maken of kocht maar vaak zelf vervaardigde. De krul was vaak prachtig diep uitgesneden en niet zelden origineel gedecoreerd. Later liet hij dat werk over aan zijn leerling Giuseppe Lecchi.

Vanaf 1930 had hij zijn definitieve vorm wel gevonden; zijn productie nam toe en vanaf die tijd is er in zijn oeuvre een toenemende eenheid te zien. Zijn lak is nu meer oranje dan voorheen.

Voor zijn strijkinstrumenten gebruikte hij twee verschillende etiketten. De eerste tot ongeveer 1914, een tweede die hij tot aan het einde van zijn loopbaan zou gebruiken. De meeste instrumenten brandde hij met de stempel C. Candi Genova. Volgens Vannes (1981) heeft Cesare 320 violen, 25 cello’s, 30 alten, 29 luiten en 200 andere instrumenten, waaronder ten minste één contrabas gebouwd.

De contrabas die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, bouwde Cesare Candi rond 1920. Er zijn slechts twee contrabassen van Candi bekend. De contrabas van Het Muziekinstrumentenfonds bouwde Cesare, de andere bouwde zijn broer Oreste.

Bronnen

Blot, E., Giordano, A.,1997, ”Un secolo di liuteria italiana 1860-1960 - Liguria", Cremona.

Giordano, A., 2003,”Cesare Candi liutista", Cremona.

Giordano, A., "The Genoese line" in "The Strad Magazine".

Jalovec, K., 1957 "Italienische Geigenbauer", Artia, Praag.

Vannes, R., 1981 "Dictionnaire universel des luthiers", Bruxelles.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
9 maart 2020