
viool
Renate van Riel

*± 1660 , Novara †± 1737 , Milaan

Op het gebied van de vioolbouw wordt Giovanni Grancino (1637-1709) gezien als de grondlegger van de Milanese school en Carlo Giuseppe Testore als zijn leerling, medewerker en opvolger. Carlo Giuseppe werd geboren in Novara, veertig kilometer ten westen van Milaan. Over zijn tijd in Novara is niets bewaard gebleven. Vermoedelijk ontmoette hij de vioolbouwer Gioffredo Cappa (ca 1653-1717) die in verschillende plaatsen in dezelfde streek werkte en maakte hij bij hem kennis met het vak.
Cappa da Saluzzo, zoals hij ook wel genoemd werd, was in zijn geboorteplaats een bouwer van aanzien, niet alleen door zijn maatschappelijke status, maar als een van de weinige vioolbouwers had hij de titel ‘Maestro’ gekregen. Om de afwerking leek Cappa zich niet al te zeer te bekommeren. Zijn instrumenten zijn eerder markant dan verfijnd. Cappa werkte in het zuiden van de Piemonte en bouwde instrumenten die zoveel op Amati leken dat Paganini in 1823 schreef; ’Je zult geen violen met zijn (Cappa’s) naam meer vinden, Pugnani heeft alle Cappa-labels veranderd in Amati’. Door deze bouwer, die zich tijdens zijn leven zo succesvol op zijn vak had toegelegd, maar later zo roemloos vergeten werd, voelde Carlo Giuseppe Testore zich aangetrokken tot de vioolbouw en werd zijn leerling.
Toen Carlo Giuseppe Testore rond 1686 naar Milaan ging, was Giovanni Grancino daar de belangrijkste bouwer. Deze had, samen met zijn broer en zoon een atelier aan de Contrada Larga, een straat die op korte afstand van de Dom en het paleis van de aartsbisschop en kardinaal lag. Grancino nam Carlo Giuseppe Testore als leerling aan, maar toen Carlo de eerste beginselen van het vak al bleek te kennen, werd hij al snel zijn medewerker. Nadat Carlo Giuseppe Testore zelfstandig geworden was, zou hij Grancino nog enige jaren als zijn leermeester op zijn etiketten vermelden.
Carlo lijkt een belangrijke rol gespeeld te hebben in Grancino’s atelier. Hij was in zijn beginjaren nauwkeuriger dan zijn werkgever en het was wellicht aan zijn invloed te danken dat de instrumenten van de Grancino’s na zijn komst beter werden afgewerkt dan voor die tijd.
Rond 1690 begon Testore voor zichzelf, eveneens aan de Contrada Larga, een straat waar zich in de loop van de jaren veel meer vioolbouwers zouden vestigen. Zijn atelier noemde hij ‘Al segno dell’Aquila’. De instrumenten die hij vanaf dat moment bouwde, brandde hij met een adelaarsteken.

Label van Carlo Giuseppe Testore in de viool (± 1703) uit de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds
Een van de eerste nieuwkomers aan de Contrada Larga was Bartolomeo Pasta (1640-1706) geweest. Deze bouwer was in 1673 uit Cremona gekomen en werkzaam geweest in de werkplaats van Nicolò Amati. Hij werd in de buurt gezien als een ongewenste concurrent, zeker toen bleek dat hij veel wist over de bouwwijze van Amati-familie die de norm was voor de Italiaanse vioolbouw. Pas later werd hij door de andere Milanese vioolbouwers geaccepteerd. Carlo Testore ging na zijn aankomst in Milaan bij Bartolomeo Pasta inwonen.
Dat ook Bartolomeo Pasta bij Grancino gewerkt heeft, is niet aangetoond, maar is wel zeer aannemelijk. In de instrumenten van de beide bouwers is nog veel van Grancino’s invloed terug te zien. Verder verschilden de opvattingen van Pasta en Testore erg van elkaar.
Carlo Giuseppe trouwde in 1689 en een jaar later werd zijn eerste zoon Carlo Antonio (1693 – ca 1765) geboren, zeven jaar later gevolgd door Paolo Antonio (ca 1700 – 1767).
Vrijwel geen enkele Milanese vioolbouwer uit die tijd had het breed. De stad viel onder het Franse bewind en was door de hoge belastingen leeggeplukt. Van een rijke muziekcultuur zoals in Rome, Florence of Venetië was geen sprake. De streek om Milaan lag bovendien ingeklemd tussen andere staten en werd daardoor voor de invoer van goederen, zoals een goede kwaliteit hout voor zijn instrumenten, erg beperkt. Noodgedwongen kwam het hout dan ook voornamelijk uit de omgeving. Testore’s instrumenten missen daardoor vaak de aansprekende houtstructuur van instrumenten uit andere streken. Deze eenvoud bleef lange tijd kenmerkend voor zijn werk.
Het lijkt er sterk op dat zijn klanten niet tot het meest welvarende deel van de bevolking behoorden. Die kochten hun instrumenten bij bouwers uit Brescia, Bologna of Cremona.
Door zijn goede contacten met de veeleisende aristocratie en hooggeplaatste kerkelijke figuren kon Grancino meer voor zijn instrumenten rekenen en daardoor veel tijd aan materiaalkeuze, afwerking en lak besteden. Testore moest het meer hebben van musici die hun brood met muziek verdienden. Voor hen bouwde hij instrument die misschien niet de mooiste waren, maar in klank wel tot de beste instrumenten behoorden die er in Milaan gebouwd werden.
In 1709 stierf Giovanni Grancino. Zijn zoon was kort voor het overlijden van zijn vader betrokken geraakt bij een gewelddadig incident met een van de andere vioolbouwers in de buurt, waarna hij ter dood werd veroordeeld. De Grancino’s raakten daardoor hun licentie om violen te bouwen kwijt. Giovanni Battista Grancino vluchtte nog voor de uitvoering van het vonnis en bouwde illegaal een aantal instrumenten om zichzelf en zijn gezin in leven te houden, maar in Milaan was de rol van de familie Grancino uitgespeeld. Carlo Giuseppe Testore werd daarna een van de belangrijkste bouwers van de stad.
Zijn beide zonen leidde Carlo Giuseppe zelf op. Onder zijn leiding bouwden zij instrumenten die veel op die van hem leken. Zijn zoon Carlo Antonio miste de nauwkeurigheid en het gevoel voor verfijning, het werk van Paolo Antonio liep sterk uiteen. Zijn betere instrumenten verraden een goed vakmanschap terwijl zijn mindere instrumenten ronduit slecht gebouwd zijn.
Carlo Giuseppe stierf toen hij 77 jaar was. Zijn oeuvre moet groot geweest zijn. In 1701, vijf jaar nadat hij voor zichzelf begonnen was, had hij al 103 instrumenten gebouwd. Veel ervan zijn verloren gegaan. Er bestaan nu nog maar zo’n 150 instrumenten van hem. Het merendeel bestaat uit violen; er zijn verder nog een 20-tal cello’s, enkele altviolen en contrabassen.
Zijn oudste zoon Carlo Antonio nam de zaak na zijn dood over, samen met zijn 16 jarige broer. Paolo kon als laatste generatie van de vioolbouwers Testore het niveau van zijn vader niet bij benadering evenaren. Hij speelde in Milaan geen rol van enige betekenis meer.
Krul van de C.G.Testore-viool (1709) uit de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds
De vroege instrumenten van Carlo Giuseppe Testore hebben over het algemeen een lage welving die karakteristiek is voor Grancino’s latere periode. Ook de slanke f-openingen verraden zijn invloed. Later nemen ze de vorm aan van Guarneri zoals die ze in Cremona maakte. Testore’s krul is vrijwel vanaf het begin van zijn loopbaan al onderscheidend door een ovale, vooroverhangende vorm.
Bij zijn vroege instrumenten zijn de c-rondingen nog diep en symmetrisch, rond 1700 worden ze langer waardoor het instrument een uitgesproken slank uiterlijk krijgt zoals die van Cappa tien jaar eerder.
Het hout dat Testore gebruikte verschilde enorm in kwaliteit. In het begin leek hij in staat te zijn om mooi gevlamd hout te kopen, maar na 1705 wordt dat minder. Op veel van zijn instrumenten tekende hij de ‘randinleg’ met pen en inkt op het achterblad en maakte die op het voorblad op de traditionele manier van drie strookjes hout. Daarmee toonde hij een uiterst pragmatische instelling te hebben; op het harde hout van het achterblad was een randinleg onnodig en duur, alleen het zacht hout van het bovenblad vereiste een inleg om het splijten aan de kwetsbare randen tegen te gaan. In de latere jaren werden de getekende lijnen door andere bouwers vaak alsnog vervangen door een echte inleg.
Rond 1705 ontwikkelde hij een meer persoonlijk model door de hoekpunten te verlengen. Het instrument kreeg zo een markante spitse vorm.
In zijn loopbaan is er nauwelijks een periode aan te wijzen met een consistent gebruik van kleur. Hij gebruikte soms diep Venetiaans rood maar ook vaak bruin-geel en oranje-geel.
Op zijn vroege labels vermeldde hij dat Grancino zijn leermeester was, na 1690 laat hij dat weg. Daarna luidde de tekst alleen nog maar: Carlo Giuseppe Testore in Con/trada Larga di Milano/Segno Dell’ Aquilla, gevolgd door het jaartal/
Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, bouwde hij kort na de dood van zijn leermeester Grancino en na de veroordeling in hetzelfde jaar van diens zoon met wie hij samen gewerkt had. Het is een van de weinige instrumenten die hij van mooi gevlamd hout bouwde.
Chiesa C., 1996, Violinmakers at the Contrada Larga in Milan.
Kass P. J., 1989, Snaarinstrumenten van de Milanese vioolbouwers van de Contrada Larga.
Santoro E., 1989, Violinari e violini, Cremona.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa
De Courcy, G.I.C., 1957, Paganini: The Genoese, University of Oklahoma
Sacchi, F, 1898, Count Cozio di Salabue: Celebrated Violin Collector, London.
Tarisio, Cozio archive, bezocht 2020