Doorgaan naar content
bouwer

Camillo Mandelli

*1873 , Calco (Como)      †1965 , Sesto San Giovanni (Milaan)

Op de etiketten die Camillo Mandelli voor zijn instrumenten gebruikte vermeldde hij het liefst zijn bijnaam: ‘Camillo da Calco’. Zijn geboortedorp Calco lag zo’n 40 km boven Milaan en telde maar een handvol inwoners. Daar begon hij zijn loopbaan niet als vioolbouwer, maar als timmerman.

Veel goede vakmensen konden in Milaan een betere boterham verdienen dan op het platteland. Daar was de armoede vaak groot; de inflatie had al miljoenen Italianen het land uitgejaagd en wie het zich de overtocht niet kon veroorloven, trok naar de grote steden. Milaan was het economische centrum van Noord-Italië en groeide jaarlijks.
Werkplaats(en)
Milaan, 1890-1899
Buenos Aires, 1899-1920
Sesto San Giovanni (Milaan), 1920-1956

Het bedrijf Leandro Bisiach

Ook Camillo Mandelli ging rond 1890 naar Milaan waar hij in contact kwam met Leandro Bisiach, een ondernemer-vioolbouwer die een groot atelier had waar een tiental werknemers instrumenten voor hem bouwden. Zelf was hij evenveel zakenman als vioolbouwer, maar hij werkte wel in het atelier mee waar hij vaak de nieuwe instrumenten van zijn werknemers aflakte.

Rond de tijd dat Camillo Mandelli voor hem ging werken was het bedrijf van Bisiach het grootste vioolbouw atelier van Italië. Wat Vuillaume was geweest voor Frankrijk en Hill voor Engeland, was Bisiach voor Italië. De meeste andere bouwers in Milaan werkten voor hem of hadden in zijn atelier gewerkt. Bisiach had een groot netwerk waardoor hij instrumenten kon leveren aan handelaren in heel Europa. Drie broers Antoniazzi waren zijn voornaamste medewerkers, alle drie waren zij uitstekende vioolbouwers. De oudste, Riccardo Antoniazzi, gaf leiding aan de werkplaats van Leandro Bisiach. Zelf was hij een voortreffelijke bouwer.

Riccardo Antoniazzi als leermeester

Onder Riccardo leerde Camillo Mandelli het vak. Hij had talloze goede bouwers opgeleid, waaronder Leandro Bisiach zelf. Aanvankelijk werden er veel op de Franse leest geschoeide instrumenten gebouwd, maar later liet Bisiach steeds meer instrumenten maken naar voorbeelden uit Cremona: Stradivari, Guarneri, Gagliano en met name naar een van de laatste grote Cremonese vioolbouwers: Enrico Ceruti. Antoniazzi kwam uit Cremona waar hij in zijn jeugd de werkplaats van Ceruti bezocht. Ceruti had zich niet geconformeerd aan de stijl van Stradivari en Guarneri del Gesù waaraan in Engeland en Frankrijk de voorkeur werd gegeven, maar aan Bergonzi. Met name is Bergonzi’s invloed terug te zien in zijn contrabassen. Riccardo Antoniazzi bouwde een aanzienlijk aantal goede contrabassen naar die van Ceruti.

Riccardo Antoniazzi in zijn werkplaats

Riccardo Antoniazzi werd in 1897 opgepakt wegens diefstal en keerde na vrijlating niet meer terug bij Bisiach, maar ging voor zichzelf werken. Waarschijnlijk ging Mandelli met Riccardo mee of werkte voor hem. Bisiach had zo’n beetje het monopolie van de handel in strijkinstrumenten in handen, waardoor er in Milaan geen plaats was voor een concurrent. Hij was puissant rijk geworden van de handel in en het laten kopiëren van oude instrumenten en was daar niet altijd zuiver in. In de werkplaats kwamen veel oude en kostbare instrumenten langs die Bisiach zijn werknemers grondig liet bestuderen. Aan het namaken van deze instrumenten werkten zijn medewerkers wel mee, maar niet iedereen deed dat van harte.

Vioolbouwer van het Teatro Colón

Camillo Mandelli vertrok in 1899 naar Buenos Aires. Die stad telde bijna een miljoen inwoners en had met ruim 200.000 Italiaanse immigranten de op een na grootste Italiaanse gemeenschap buiten Italië en die groeide in hoog tempo verder. Toen Camillo Mandelli er twintig jaar later weer vertrok had bijna de helft van de inwoners een Italiaanse achternaam, schreef Pablo Alejandro Saravi chargerend in ‘Italian Violin Making in Argentina’. Op alle niveaus werd er muziek gemaakt, vaak door Italiaanse musici en zangers. In 1908 kreeg Buenos Aires er een prestigieus operahuis bij: het Teatro Colón met 3.500 plaatsen. Al vanaf de opening werden er veel Italiaanse opera’s uitgevoerd; Aida van Verdi was de eerste. Als een van de weinige theaters beschikte het over een eigen orkest. Camillo Mandelli was de eerste vioolbouwer die door het theater Colón werd ingehuurd.

De vioolbouw in Buenos Aires stond op hoog niveau. Die trend was gezet door Luigi Rovatti die in 1886 in Buenos Aires was begonnen na opgeleid te zijn door Enrico Rocca in Genua. Er werkten meer gerenommeerde vioolbouwers in Buenos Aires: de gebroeders Militello (Mariano, Gandolfo en Francesco); Giovanni Capalbo en Matteo Bruni. In Argentinië bleef Camillo Mandelli’s relatie met Leandro Bisiach in stand. Naast zijn werk voor het Teatro Colón en de instrumenten voor zijn eigen klanten, bouwde hij ook instrumenten voor zijn voormalige werkgever die samen met zijn zoon de zaak in Milaan verder had uitgebreid.

Teatro Colón, Buenos Aires

Teatro Colón, Buenos Aires

Terug naar Italië

Rond 1920 keerde Camillo Mandelli naar Italië terug. Eerst ruim 15 jaar in zijn geboortestad Calco en vanaf 1936 in Sesto San Giovanni, een voorstad van Milaan. Daar werkte Camillo Mandelli aan een groot oeuvre tot hij in 1956 overleed. Tot rond 1945 bleef hij instrumenten leveren aan de familie Bisiach.

Contrabas uit de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds, 1929

Werk en invloed

Zijn werk is erg beïnvloed door Antoniazzi maar kreeg in Argentinië een meer eigen stijl. Zijn contrabassen vertonen met een gewelfd achterblad veel overeenkomsten met die van Ceruti.

Waar hij ook werkte, Camillo Mandelli wist aan een goede kwaliteit hout te komen. De welvingen van zowel het boven- als het achterblad lopen tot vrijwel aan de rand door. Hij had een helder-oranje tot donker rood-bruine lak van een goede samenstelling waarmee hij zijn zorgvuldig gebouwde instrumenten afwerkte.

Mandelli bouwde overwegend violen, maar er zijn ook enkele cello’s en contrabassen van hem bekend.

Hij brandde zijn naam op het halsblok en zette vaak een zwierige handtekening op het achterblad.

Hij stond bekend onder de naam Camillo da Calco, wat hij ook op zijn etiketten vermeldde.

Etiket:            fidibus, fide, fidis, CAMILLO DA CALCO, fece Anno 19..

                        fidibus, fide, fidis, CAMILLUS CALCENSIS FECIT, Anno Domini 19..

Bronnen

Blot E., Liuteria Italiana II - Lombardia, 2001, The Antoniazzi and Bisiach families, Eric Blot Edizioni, Italy.

Kass P. J., 2007, The Bisiach Family, Londen.

Azzolina U., Italian Violin Making in the 1800s and 1900s, Milaan.

Codazzi R., 2002, La Liuteria Lombarda del ‘900, Brescia.

Hamma W., 1993, Meister Italienischer Geigenbaukunst, Wilhelmshaven.

Vannes, R., 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers, Brussel.

Brinser M., 1978, Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers.

Henley W., 1969, Universal Dictionary of Violin & Bow Makers, Brighton.

Landon Ch., 2023, The Strad Magazine.

Saravi P.A., 2012, Italian Violin Making in Argentina, Buenos Aires.

Tarisio. The Cozio archive, bezocht in 2024.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
10 april 2024