
cello
Sanne van der Horst

*1769 , Füssen †1832 , Londen

Füssen, de stad waar Bernhard Simon Fendt op 11 mei 1769 geboren werd, was de vroegst bekende plaats in Europa waar strijkinstrumenten gebouwd werden. Het was gelegen aan een van de belangrijke handelsroutes tussen de grote Duitse steden en Italië. Füssen was welvarend maar ook erg afhankelijk van de export van instrumenten. In tijden van onrust of oorlog was het kwetsbaar voor economische stagnatie. Niet alleen instrumenten staken de grenzen over, veel viool- en luitmakers verlieten de stad om in het buitenland hun brood te verdienen. Tiefenbrucker was naar Lyon gegaan, Maler naar Bologna en leden van de Seelos familie naar Venetië. Waar de Füssense bouwers kwamen, ontstonden veelal nieuwe centra voor vioolbouw.
Vioolbouwers uit Füssen waren meesters in hun vak. Hun leerweg duurde vijf jaar, waarna zij nog drie jaar bij een meester moest blijven werken voordat zij voor zichzelf mochten beginnen. Dat mocht pas nadat hun werk door drie gevestigde vioolbouwers was beoordeeld. Het reglement dat dit voorschreef stamde uit 1562 en bleef tot ver in de 19e eeuw van kracht. Het stond dan wel garant voor een ongekend hoog vakmanschap, maar veel creativiteit of een individuele ontwikkeling liet het echter niet toe. Voor sommige jonge bouwers was dat een goede reden om naar het buitenland te gaan.
Bernhard Fendt was een van hen. Hij was direct na zijn opleiding in Füssen naar zijn oom François Fendt gegaan die zich al eerder in Parijs had gevestigd. Naar de mening van Milliot (2008) was François Fendt in de loop van slechts enkele jaren een van de leidende vioolbouwers in de hoofdstad geworden. Zijn werkplaats heette ‘cul-de-sac St.-Pierre’ en zat in rue Montmartre. Die werkplaats werd Bernhard’s nieuwe onderkomen.
Wat hij niet kon weten, was dat Parijs aan de vooravond stond van een periode van terreur, volkswoede en opstand die greep zou krijgen op het dagelijks leven in de stad. Bij al deze sociale onrust was er voor vioolbouwers maar weinig werk. De spanningen ontlaadde zich in 1789 met de bestorming van de Bastille. Dat werd het startschot voor de Franse Revolutie. De haat keerde zich niet alleen tegen de rijken, maar ook tegen vreemdelingen. Iedereen die geen Franse voorouders had dreigde alles te verliezen. Niemand kon een leven in veiligheid garanderen. Onder deze dreiging bleef Bernhard Fendt nog enkele jaren in Parijs werken, maar ontvluchtte uiteindelijk toch de chaos en het geweld.
In januari 1798 vertrok hij naar Londen waar al een grote groep buitenlandse vioolbouwers zat. Daar vond hij bij Thomas Dodd, die een van de twee grote vioolbouwers was, een nieuwe baan. Dodd was erg ingenomen met het vakmanschap van Fendt en nam kort na zijn komst Thomas John Frederik Lott aan om Fendt te assisteren. Fendt leidde Lott op en samen bouwden ze een groot aantal uitstekende instrumenten voor hun werkgever.
Het niveau van de vioolbouw in Engeland ging met sprongen vooruit nadat vioolbouwer en dealer John Betts een grote hoeveelheid strijkinstrumenten uit Italië haalde. Hij ging ze zelf uitzoeken, eerst in Noord Italië, maar later ook in Napels waar hij ze tegen spotprijzen opkocht. Het aantal instrumenten dat hij invoerde was zo groot dat Engeland er invoerbelasting over ging heffen. Door veel ruchtbaarheid aan zijn Italiaanse meesterinstrumenten te geven, begon het Londense publiek instrumenten te waarderen die op Stradivari’s model waren gebaseerd.
Fendt’s werkgever Dodd volgde Betts’ voorbeeld. Hij ontwikkelde zich tot expert in oude instrumenten, reisde veel en kocht ze in waar hij ze maar vond. Het bouwen van instrumenten liet hij aan Bernhard Simon Fendt over. Toen de vraag in Engeland het aanbod overtrof, liet Dodd instrumenten in Italië bouwen. Die voerde hij in losse delen in om zo de invoerbelasting te ontduiken. De blanke onderdelen werden in Londen in elkaar gelijmd en van lak voorzien. Aanvankelijk deed hij het lakwerk zelf om het geheim van zijn recept te kunnen bewaren, maar later nam Bernhard Fendt ook dat van hem over.
Bernhard Fendt vertrok bij Thomas Dodd nadat deze in 1809 zijn atelier wilde uitbreiden en naar een ander deel van de stad verhuisde. Vanaf dat jaar werkte hij meer en meer voor John Betts, maar bleef ook nog zeker tot 1823 voor zijn oude werkgever werken.
In 1803 kwam de Italiaanse vioolbouwer Vincenzo Panormo weer terug naar Londen. De Napolitaan had zijn halve leven gereisd langs Rome, Parijs, Londen en Dublin en was nu weer terug. Gezien de belangstelling in Londen voor Italiaanse instrumenten zou Panormo met zijn internationale kennis en ervaring erg in trek zijn geweest. Maar Panormo was al op leeftijd, hevig gedesillusioneerd en kwam straatarm terecht in St. Gilles, het deel van de stad waar de levensomstandigheden tot de slechtste van Londen behoorden. In de twaalf jaar tot aan zijn dood in 1813 heeft hij voor verschillende Londense vioolbouwers gewerkt. De instrumenten die hij bouwde werden voorzien van andere etiketten, waaronder waarschijnlijk ook die van Dodd en Betts zodat niemand weet hoeveel het er precies waren. Hoewel geen van hen zijn aanwezigheid gedocumenteerd heeft, wordt zijn invloed gezien in instrumenten van zo ongeveer alle Londense bouwers, ook die van Bernhard Simon Fendt.
De invoer van Italiaanse instrumenten droogde eind twintiger jaren geleidelijk op waardoor Bernhard Fendt in opdracht van Dodd de Italiaanse modellen na ging nabouwen. Dodd was nu grotendeels op Bernhard Fendt aangewezen, zelf deed hij het handwerk niet meer. Het vertrouwen in Fendt was zo groot dat Dodd de opleiding van zijn zoon Edward volledig aan hem toevertrouwde.
Veertien jaar lang werkte Bernhard Fendt voor John Betts. Hij specialiseerde zich in cello’s en contrabassen, die erg geliefd werden, maar bouwde ook nog wel violen en enkele altviolen. In zijn Betts-jaren leerde hij zonder enige twijfel Vincenzo Panormo goed kennen. Panormo mocht dan wel een armoedige bestaan leiden, maar zijn werk genoot een enorme populariteit in de stad. En daar maakte John Betts dankbaar gebruik van. Fendt nam veel van Panormo over en verkocht zijn ‘Italiaanse’ instrumenten ook aan Dodd.
Naast een voortreffelijke vioolbouwer was Fendt ook een goede leermeester. Hij leidde naast Dodds’ zoon, ook zijn eigen drie eigen zonen op, drie kinderen van Thomas Lott en Johan Niklaus Lentz, een oud stadgenoot van hem. Met name zijn zoon Bernard II, die samen met hem bij Betts gewerkt had, stond bekend om zijn verfijnde Italiaanse instrumenten die hij na 1823 bouwde. Hij was toen nog maar net zelfstandig geworden.
Rond 1828 begon Bernhard Fendt nog even voor zichzelf, maar in 1832 stierf hij. Zijn zoon Bernard II nam zijn werk over en ging een samenwerking met George Purdy aan onder de bedrijfsnaam ‘Purdy and Fendt’. De firma firma zette in Londen de eerste internationale vioolcompetitie op waarmee hun naam nog lang verbonden is gebleven.
Met uitzondering van de laatste vier jaar bouwde Bernhard Simon Fendt uitsluitend voor zijn werkgevers. In zijn Franse periode was dat zijn oom François Fendt, later Thomas Dodd en John Betts. Instrumenten met zijn eigen label zijn buitengewoon zeldzaam.
In Parijs was Nicolas Lupot de meest vooraanstaande vioolbouwer, maar François en Bernhard Fendt waren meer door de latere Cremonese bouwers beïnvloed. Fent, zoals François in Parijs ingeschreven stond, kreeg de gelegenheid om Italiaanse instrumenten, met name die van Stradivari zorgvuldig te bestuderen. Zijn instrumenten werden daarna in maatvoering vrijwel identiek aan een van Stradivari’s instrumenten en hebben een rijke toon. ‘Fait par Fent, maître luthier, rue Montmartre, cul-de-sac Saint-Pierre, a Paris’ vermeldde hij op zijn etiket. Fendt en Panormo hebben enkele jaren hun aanwezigheid in Parijs gedeeld. Een onderscheidend, eigen model hebben François en Bernhard Fendt niet ontwikkeld. Onderzoekers zien Francois en Bernhard Fendt wel als de bouwers die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de geleidelijke verandering van de Franse bouwstijl in een meer Italiaanse.
In Londen lieten Dodd en Betts instrumenten in verschillende kwaliteitsklassen bouwen. De ‘British’ violin was de eenvoudigste, de instrumenten van Bernhard Fendt en Vincenzo Panormo behoorden tot de hoogste klasse. Hun werk kwam nog het meest in de buurt van grote Cremonese bouwers.
De cello die Het Muziekinstrumentenfonds van Bernhard Simon Fendt in de collectie heeft is van rond 1825. Het is een prachtig voorbeeld van wat hij aan het einde van zijn loopbaan bouwde. De invloed van Stradivari is onmiskenbaar in het instrument aanwezig.
Milliot S., 2008, Histoire de la lutherie Parisiens, Parijs.
Milliot S. en Perrin N. 2017; Journée Européenne De La Lutherie. Cordes sur Ciel. Parijs.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers - Keulen.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Henley W. , 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. Londen.
Jaquot A, 1912, la lutherie loraine et Français, Parijs.
Sibre A. 1824, La Chélémonie ou Le Parfait Luthie. Paris.