Doorgaan naar content
bouwer

William, Alfred & Charles Voller ‘Brothers’

*1854/1856/1865 , Londen      †1935/1918/1949 , Londen

Tot ver in de twintigste eeuw werden ‘The Voller Brothers’ meer geassocieerd met opzettelijke misleiding, vervalsingen of andere weinig ethische transacties dan met integere, gewetensgetrouwe vioolbouwers. De erkenning dat zij uitzonderlijk goede vaklieden waren is pas van recenter datum.

Dat aanvankelijke beeld kon pas worden genuanceerd nadat alle teleurstellingen en rechtszaken over vermeende oude Italiaanse violen die ‘Vollers’ bleken te zijn, verwerkt waren en hun instrumenten later nog eens nader onderzocht. De broers, afkomstig uit een armoedige buurt van Londen bleken vioolbouwers te zijn die niet onderdeden voor de besten van hun tijd. Zij hadden kans gezien om uit de anonimiteit en armoede te komen waarin veel kleine ambachtslieden in de achterstraten en kleine werkplaatsen van Londen hun leven lang waren blijven steken. Zij maakten aanvankelijk onverdachte kopieën op verzoek, later maakten ze schaamteloos echte vervalsingen.

Waar vroeger een Voller-viool bijna synoniem was voor verachtelijk en minderwaardig, ontstond geleidelijk aan ook een ander beeld; hun instrumenten bleken zich moeiteloos te kunnen meten met die van andere, gerenommeerde bouwers, vakkundig gemaakt en mooi van klank. Dat de broers zich daarbij ook nog eens hadden kunnen opwerken tot voortreffelijke vaklieden kon ook op bewondering rekenen. Een Voller werd een veel gezocht instrument en de broers leken meer slachtoffers van infame handelaren dan daders van praktijken die gerenommeerde handelaren niet geschuwd hadden. In werkelijkheid waren beide opvattingen waar.
Werkplaats(en)
Londen, ±1881-1935

Armoedig bestaan

De drie broers William, Alfred en Charles Voller kwamen uit de Londense wijk Marylebone, een buurt waarvan het arme deel bekend had gestaan om beren- en hondengevechten en harde worstelwedstrijden tussen mensen. Aan de nette kant zat de chique Marylebone Cricket Club en woonden de beter gesitueerde Londenaren in brede, elegante straten. Vader Henry Voller was koetsier, woonde met zijn gezin in het arme deel en werkte voor de meer welgestelden in het andere deel van de wijk.

Voor zijn zonen zocht Henry Voller een opleiding die hen verder zou brengen dan het armoedige bestaan waarin ze hadden moeten opgroeien. Aan de overkant, op Mandeville Place was het voornamer. Daar woonde de violist Prosper Stainton. Hij telde Wagner en Berlioz onder zijn vrienden en was viooldocent aan the Royal Academy of Music in London. Het verhaal gaat dat Henry Voller hem geregeld met zijn koetsje naar de Academy reed.

Alfredo Piatti door William Voller

Begonnen als musici

Ze waren muzikaal, zijn zonen. William, de oudste (geboren in 1854), leerde van Prosper Stainton altviool spelen. Stainton was niet alleen violist, maar ook beeldend kunstenaar met een fijn oog voor details. Van hem leerde William naast altviool spelen, ook observeren, aquarelleren en beeldhouwen. William maakte zelfs een bronzen beeldje van Alfredo Piatti met zijn Stradivari-cello.

Alfred Voller, twee jaar jonger dan William, speelde cello, terwijl Charles (uit 1865) viool had leren spelen van Ludwig Straus, een bekende violist op populaire concertavonden in Londen en eerste violist in "The Queen's Band".

Na zijn vioolopleiding ging William enkele jaren werken als muziekleraar tot hij voldoende verdiende om uit de overvolle binnenstad weg te kunnen. In 1887 vond hij een huis in Brewster Gardens, een nette straat in de nieuwbouwwijk Notting Hill. Zijn beide broers verhuisden met hem mee. Hoe hij in aanraking kwam met de vioolbouwers Chanot is niet bekend, maar William kreeg door hem affiniteit met het vak en ging bij Chanot onofficieel in de leer.

'Wandelende massa vioolkisten in het centrum van de stad’

Halverwege de tachtiger jaren begon vioolspelen een ware rage te worden in Londen. In 1890 waren er negen tijdschriften die uitsluitend gewijd waren aan vioolspelen, violisten en hun instrumenten. Muziekscholen waar de drempel om viool te leren spelen laag was, schoten als paddenstoelen de grond uit. Eén krant signaleerde een veranderd straatbeeld in Londen: er was een 'wandelende massa vioolkisten in het centrum van de stad’ bijgekomen. De prijs van oude Italiaanse en Franse instrumenten steeg enorm. Het werd lucratief om instrumenten te vervalsen.

George Hart neemt stelling

Die praktijken werden geleidelijk aan een plaag voor vioolbouwers, verzamelaars en bespelers die grote sommen hadden betaald voor een niet authentiek instrument. Hiertegen had George Hart, destijds kenner en belangrijke vioolhandelaar in Londen, al in 1875 hard stelling genomen met zijn boek: The Violin: Its Famous Makers and Their Imitators. Veel had de publicatie niet veranderd, het maken van vervalsingen ging onverminderd door, alleen nam het aantal rechtszaken tegen vervalsers toe.

Atelier van Chanot in Wardour Street

Het bedrog ontdekt

George Chanot, bij wie William Voller werkte, leidde zijn vioolbouwatelier in Wardour Street met wisselend succes. Het zat niet ver van de firma Hill & Sons vandaan. Zijn zonen Frederick en George, werkten al vroeg met hem mee. In 1881 was de firma Chanot het middelpunt geweest van een rechtszaak over een vervalste Carlo Bergonzi-viool die hij als een echte had verkocht. Het bedrog werd ontdekt door vioolbouwer William E. Hill en Chanot werd veroordeeld. ‘The Strad’, een invloedrijk tijdschrift voor musici, besteedde er veel aandacht aan. Het vonnis overschaduwde het feit dat de Chanots feitelijk goede vioolbouwers waren.

William Vollers ontwikkeling bij Chanot

Chanot behield desondanks zijn goede naam, niet in de laatste plaats door de hertog van Edinburgh die hem de beschermende hand boven het hoofd hield. Met zijn violen won Chanot prijzen op tentoonstellingen in Engeland. Tot klanten van Chanot behoorden grote violisten als Joseph Joachim, August Wilhelmj en Henryk Wieniawski. William Voller ontwikkelde zich bij Chanot tot een opvallend goede vioolbouwer. Chanots zonen werkten samen met William Voller; George Chanot ging naar Manchester en Frederick volgde hem later op.

Opnieuw George Hart

William Voller en zijn twee broers begonnen rond 1893 voor zichzelf, maar boden daarnaast ook hun diensten aan George Hart aan. Zijn winkel in Wardour Street was in 1827 opgericht door zijn vader en George was, mede door zijn boek, een gerespecteerde expert geworden. Hart bezat een collectie oude instrumenten waaronder een Guarneri ‘del Gesù’ uit 1741 die zijn vader enkele jaren voor zijn dood had aangekocht. In 1894 vroeg George Hart aan William Voller om dit instrument voor hem na te maken. Het werd een bijzonder goed gelijkend exemplaar met een prachtige klank.

George Hart vroeg William Voller zijn Guarneri ‘del Gesù’ uit 1741 na te maken. Kreisler: “Ik zal nooit een mooiere stem horen dan mijn 'Hart' Guarnerius.”

Bron: Tarisio

Guarneri 'del Gesù'

In de viool kwam Harts eigen label, en een tweede label vermeldde dat het "een exacte kopie is van wijlen de heer G. Harts beroemde viool". Het nummer dat op het etiket stond had betrekking op de eerste opdracht van Hart aan Voller en de viool was nr. 37 van Harts eigen productie. In 1904 werd deze Voller de favoriete viool van Fritz Kreisler, waarover hij later zei: "Ik zal nooit een mooiere stem horen dan mijn 'Hart' Guarnerius." Het was echter het werk van Voller.

Bron: Tarisio

Met deze “Guarnerius” hadden de Voller Brothers Hart volledig overtuigd van hun vakmanschap. Met als gevolg dat hij hen meerdere opdrachten gaf. De ‘Vieuxtemps’-viool van Stradivari verscheen in 1894 onder het Hart & Son-label, zonder de naam Voller te noemen, maar wel met de vermelding dat het een ‘exact copy’ was.

De eerste vervalsingen

De firma Hill & Sons – oorspronkelijk gevestigd verderop in Wardour Street – en Voller stonden in een ongemakkelijke verhouding tot elkaar. William E. Hill was in 1890 veroordeeld voor een vervalsing waardoor hem er veel aan was gelegen zich te rehabiliteren. Voller had daar minder moeite mee en bewoog zich op de grens van wat nog geoorloofd was en wat niet. In 1891 ontdekte Hill vier valse Gragnani’s die aangeboden werden door de handelaar George Duncan (1852-1935). Duncan had brood gezien in vervalsingen van de Vollers en liet hen vanaf 1891 naast de Gragnani’s ook Cappa-, Panormo- en Testore-kopieën maken om die zelf als originelen te verkopen. Hill & Sons werden in 1895 ’The sole violin & bow makers to Her Majesty the Queen’ en zetten vol in op herstel van hun reputatie; The Voller Brothers gingen onverminderd door met het maken van kopieën.

‘Dit is een van de beste Stradivari’s die niet door Stradivari gebouwd is’

De 'Balfour Stradivari' is een van de beste voorbeelden van het ‘Voller Brothers-vakmanschap'. Volgens Herbert Goodkind die in 1972 de iconografie van Stradivari schreef was dit ‘een van de beste Stradivari’s die niet door Stradivari gebouwd is’. Het werd aangeboden als een ‘echte’, niet door Voller, maar door de firma Balfour. William Voller had Balfour nog met klem verzocht om het niet als een echte Stradivari te verkopen, maar de koper kwam er achter dat de Stradivari niet origineel was en daagde Balfour voor de rechter. William Voller erkende tijdens dit proces de bouwer te zijn, maar werd niet vervolgd.

Geen voordelig alternatief

Hill had goede Franse vioolbouwers naar Londen laten komen om voor hem te werken. Van originele Stradivari’s die Hill had mogen repareren, verhandelen of zelf had aangekocht, liet hij 33 verschillende mallen van violen en 22 van altviolen namaken. Daarmee bouwden zijn medewerkers instrumenten voor de firma. Hill was een gerespecteerd kenner na zijn boeken over Stradivari, de familie Guarneri en Maggini. Zijn nieuwbouwinstrumenten behoorden met 35 pond tot de duurste van Londen. Een ‘Voller’ was echter geen voordelig alternatief; zij rekenden zelfs 45 pond per viool. Handelaren plakten er een vals etiket in en boden het voor het tien- tot twintigvoudige aan.

Sfeer van authenticiteit

Kopieën van de Vollers liepen uiteen van samenraapsels bestaande uit oude vioolonderdelen, tot samenstellingen van meerdere authentieke meesterinstrumenten die zij met grote kennis en inzicht aanvulden met nieuwe, zelf gemaakte stukken. Veel Voller-instrumenten hebben een oude hals en krul, ‘om de sfeer van authenticiteit’, zoals Dilworth veronderstelde, te vergroten. Sommige waren wat primitief en haastig gemaakt als het origineel dat ook was, maar uit andere blijkt hun grote vaardigheid en ervaring op overtuigende manier.

Certificaten van echtheid

Het lijkt erop dat de broers, eenmaal verstrikt in de belangen van handelaren, niet meer terug konden, maar zich juist verder moesten ontwikkeling op de ingeslagen weg. Zelf waren zij niet vermogend genoeg om hun voorbeelden te kunnen kopen, daarvoor waren ze aangewezen op hun opdrachtgevers die de originelen bezaten. Zij veranderden van experts in imitaties naar ordinaire fraudeurs. Scheuren en afwijkingen in het origineel maakten zij identiek na in hun kopieën. Samen met hun dealers bedrogen ze niet alleen amateurs, maar ook gerenommeerde kenners. Silvestre-Maucotel, Gustav Bernardel, Nestor Audinot, G.A. Chanot en F.W. Chanot schreven grif hun certificaten van echtheid. Zij die de werkwijze van Voller van nabij kenden, onthielden zich daarvan.

Toen het te riskant werd om grote vioolbouwers na te maken, begonnen zij met iets minder bekende namen. Gagliano en Tononi werden hun favoriet en zoals Hill later zelf moest toegeven ‘with breathtaking results’.

Duitse emigranten

Wat nog altijd aan de broers kleeft, maar onterecht op hun conto wordt geschreven, is dat hun instrumenten als echt werden verkocht aan Duitse emigranten die in de dertiger jaren vluchtten voor het opkomende naziregime. Zij mochten geen contant geld het land mee innemen en investeerden daarom in zeldzame, kostbare instrumenten. Veel van hen bleken Voller-vervalsingen in plaats van echte aangeboden te krijgen tegen onbeschaamd hoge bedragen.

Het is bijna onmogelijk om data vast te stellen voor de meeste Voller-instrumenten, daarvoor verscheen hun eigen naam te weinig op labels. De laatste viool, zo blijkt uit dendrochronologisch onderzoek, komt uit een boom die in 1922 werd geveld.

Foto’s van William Voller uit 1930 laten een gedistingeerde gentleman zien die in niets meer lijkt op de arme, anonieme vioolbouwers uit de achterstraten van Londen waartussen hij geboren was.

Kopiisten zonder eigen model

De Vollers hebben voor zover bekend geen eigen model ontworpen. Een typering van hun werk kan dan ook niet worden gemaakt, te meer daar hun instrumenten vrijwel niet met hun eigen etiket op de markt werden gebracht.

In de loop van de jaren hadden zij een voorkeur ontwikkeld voor instrumenten van bekende bouwers waar veel geld mee te verdienen was. Tot 1909 kopieerden zij grote meesters als Stradivari en Guarneri del Gesù, Pietro Guarneri, Pressenda en Bergonzi, later maakten zij Tononi, Gagliano, Tecchler, Mezzadri en Ballistieri na, minder lucratief, maar ook met minder kans op problemen.

Ze hielden er volgens Dillworth een strikte werkverdeling op na. Alledrie hadden zij zich gespecialiseerd: William hield zich bezig met lakken, Alfred maakte de hals en Charles het corpus.

Kopie of echt

Een van de eerste violen die zij onder het etiket van Hart & Son bouwden was een viool uit 1893. Het was een ‘Stradivari’ uit zijn late periode. Geen nauwkeurige kopie, maar een redelijk goed gelijkende.

Een ‘Gagliano’ die zij in 1895 bouwden was een beter gelijkend instrumenten dan de ‘Stradivari’ uit 1893, vrijwel net zo goed als hun ‘Guarneri del Gesu’ uit 1894.

Een ‘Testore’ die zij rond 1897 bouwden was zo overtuigend dat alleen kenners de vervalsing herkennen.

Ook nu nog zijn alleen kenners in staat om de kopie van de echte te onderscheiden. Voor dit instrument gebruikten zij de zijkanten en de hals van verschillende oude instrumenten. Het werd door Hart & Son verkocht, voorzien van hun label en de vermelding dat het een kopie was.

Meer en meer vervalsingen

Na 1900 gingen zij meer en meer vervalsingen maken, bedoeld om kopers te misleiden. Hart wilde niet meer geassocieerd worden met deze praktijken; George Duncan werd hun nieuwe opdrachtgever. De Vollers gingen zo ver dat zij, volgens F. Leonhard, één originele Stradivari uit elkaar haalden en van de onderdelen drie andere ‘Stradivari’s’ bouwden.

Ook buiten Engeland was er belangstelling voor hun werk. Voor Hamma in Stuttgart bouwden zij onder andere drie ‘Stradivari’s’ en aan dealers in New York stuurden zij eveneens hun violen. Van de correspondentie tussen Rembert Wurlitzer in New York en Voller weten we dat hij Voller 50 pond per instrument betaalde. De verkoopprijs was iets minder dan het dubbele.

De drie instrumenten van ‘The Voller Brothers’ die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft zijn goede voorbeelden van wat zij in opdracht van Hart & Son bouwden.

Bronnen

Dilworth, Fairfax, Milne, 2006, The Voller Brothers, Londen.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Morris M., 1920, British violinmakers, A biographical dictionary. Londen.

Heron-Allen, 1902, Violinmaking as it is and was, Londen.

Basford J. en Toft T., 2020, W.E. Hill, violinmakers 1880-1936, Sheffield.

Baker T., Dilworth T. en Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.

Tarisio, Cozio archive, bezocht 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
26 oktober 2023