
cellostrijkstok
Thomas van Geelen


Naamgever en grondlegger van de firma was William Ebsworth Hill; Hill naar zijn vader en Ebsworth was de familienaam van zijn moeder. Stamvader van de Hill dynastie was hij niet, evenmin de eerste vioolbouwer in de familie, wel was hij de belangrijkste. Samuel Pypes maakte in 1660 al vermelding van een vioolbouwer Joseph Hill uit Londen. Daarmee is deze vioolbouwer Joseph Hill I de stamvader, maar anderen houden het erop dat Joseph Hill II die geboren werd in 1715, de oudste vioolbouwer van de Hill-dynastie is.
W.E. Hill legde de basis voor de firma W. E. Hill & Sons in een kleine kamer aan de St George Road in Southwark in Londen. Daar bouwde hij in 1851 zijn eerste instrument. Zijn nicht werkte bij hem als dienstmeisje. William trouwde in 1857 met Eveline Tyrrell en verhuisde naar Waterloo Bridge road. Als beroep gaf hij aanvankelijk nog instrumentenmaker op, daarna volgden nog zeven andere adressen voor hij in 1880 een eigen winkel met werkplaats in Wardourstreet opende. Voor het eerst noemde hij zich viool- en strijkstokkenmaker. Het was er “Dark, very dark .. but the light was good enough for Mr. Hill, a greater glare came from those hundreds of old brown fiddles, the very moderately establishment was hung .. with.” aldus H. R. Haweis in 1905. Later bleken er onder die ‘old fiddles’ Guadagnini’s en andere oude Cremonese instrumenten te hangen.
Nieuwe violen bouwde William Ebsworth Hill maar weinig. Hart schreef in 1875 dat W.E Hill in zijn jonge jaren wel instrumenten had gebouwd, maar dat hij had ontdekt dat nieuw werk de inspanning eigenlijk niet loonde en dat hij zich daarom had toegelegd op het repareren en handelen in oude instrumenten. Op dat gebied genoot hij volgens Hart toen al het volle vertrouwen van de Britse vioolwereld.
In de daaropvolgende tien jaar overstroomden oude Italiaanse instrumenten en instrumenten uit de massaproductie industrie van Mirecourt en Markneukirchen de Engelse markt. Ondanks die nieuwe ontwikkeling, gaf de firma de nieuwbouw niet helemaal op. Wel was er een nieuwe impuls voor nodig. Williams zoon Alfred vertrok in 1878 naar Mirecourt in Frankrijk om bij de vioolbouwer J.J. Martin verder te gaan leren.
In 1881 was Alfred Hill weer terug in Wardour street. Hij had in Mirecourt niet alleen het vak grondig geleerd, maar ook veel connecties gelegd. W. Ebsworth Hill & Sons richtte zich nu ook op de import van Franse instrumenten, op nieuwe accessoires als kinsteunen, vioolkisten en na enige tijd ook op de invoer van Duitse instrumenten. Zijn twee broers Arthur en William Henry werden kenners van oude instrumenten.
Halverwege de tachtiger jaren begon vioolspelen een ware rage te worden in Londen. In 1890 waren er negen tijdschriften die uitsluitend gewijd waren aan vioolspelen, violisten en hun instrumenten. Scholen waar iedereen viool kon leren spelen, schoten als paddestoelen de grond uit. Eén krant signaleerde een veranderd straatbeeld in Londen: er was een 'wandelende massa vioolkisten in het centrum van de stad’ bijgekomen. Voor beginners verkocht Hill & Sons eenvoudige Duitse violen, iets duurdere uit Mirecourt en voor de echte liefhebber had de firma een wisselend aanbod van oude Italiaanse en Franse instrumenten. De prijs van de laatste categorie steeg enorm.
Het was verleidelijk om met vervalsingen veel geld te verdienen. Uit onderzoek van ‘The Stad’, het gezaghebbende tijdschrift voor musici en vioolbouwers, blijkt dat ook Hill daar aan toegaf. In 1890 wijdde het blad een serie artikelen aan een viool die door Hill als een Stradivari was verkocht, maar die in de werkplaats van de firma uit verschillende onderdelen van andere bouwers was samengesteld. Ook een Guarneri, beoordeeld door Arthur Hill bleek er geen te zijn. De rechtszaken en publicaties rondom deze problemen deden de Hills geen goed.
De toenemende waardering van goede instrumenten in Engeland lokte veel Franse en Italiaanse vioolbouwers naar Londen. De firma Hill & Sons kreeg geduchte concurrentie van Paul Bailly, Charles Boullangier en de broers Chanot die zich allemaal in de stad vestigden. Ook hun overburen the Voller brothers, waren concurrenten. Zij hadden de bedenkelijke reputatie voortreffelijke maar frauderende kopiisten van oude Franse en Italiaanse meesterinstrumenten te zijn. De verstandhouding tussen Voller en Hill verslechterde toen William E. Hill bij de firma Hamma in Hamburg drie van de zes aangeboden Stradivari-violen als Vollers ontmaskerde. Het werk van ‘the Vollers’ was echter zo goed dat Hill hen als serieuze concurrenten moest blijven beschouwen.
Niet alleen de handel in oude instrumenten vergde aandacht van W.E. Hill en zijn zonen, ook het atelier in Wardourstreet, waar hun beste instrumenten gebouwd werden, groeide en hernam een belangrijke positie in Londen. Vanaf 1862 had de firma meegedaan met grote nationale en internationale exposities; waar zij uitsluitend gouden medailles wonnen. De veranderde smaak vergde echter andere bouwers dan in Engeland voorhanden waren. In 1884 werden de eerste vioolbouwers van buiten de familie aangetrokken; dat waren Franse bouwers uit Mirecourt. Alfred Hill had in zijn leertijd bij J.J. Martin in Mirecourt veel goede bouwers ontmoet. Délunet, zijn voormalige collega bij Martin, zou in 1884 de eerste worden van de twaalf Franse bouwers die Hill in de loop van de jaren naar Londen haalde. Allemaal bouwers met een goede staat van dienst. Harde werkers waren het bovendien; van Desmond Hill weten we dat Langonet een viool per dag kon maken. Een voor Engelse begrippen niet te evenaren tempo. Op tentoonstellingen van 1894 en later bleven de Hill instrumenten prijzen behalen.
In 1895 overleed W. Ebsworth Hill. Hij had de firma een internationale reputatie meegegeven en was zelf een groot expert geweest. Zijn vier zonen William Henry, Arthur, Alfred en Walter gingen gezamenlijk verder met de firma. De naam bleef echter W.E. Hill & Sons, waarmee zij zich nog net voor de dood van hun vader ‘The sole violin & bow makers to Her Majesty the Queen’ mochten noemen. Met nieuwe energie zetten de Hills alles in voor een nog grotere bekendheid. Na de negatieve publiciteit was dat hoognodig. Het was gebruikelijk dat vooraanstaande vioolbouwers en handelaren catalogi lieten drukken van hun aanbod: strijkinstrumenten, strijkstokken, kisten en snaren in alle denkbare categorieën. W. E. Hill & Sons deed dat eveneens, maar daarnaast publiceerde de firma ook mooi gebonden boekwerken over onderzoeken die zij anderen lieten uitvoeren naar grote namen in de vioolbouw. Zo deed Carlo Lozzi voor de firma Hill onderzoek naar Caspar da Salo en Hill zelf schreef een groot stuk over de 'Le Messie'-viool van Stradivari. De broers zetten zelf hun naam onder het boek over Gio. Paolo Maggini. Vijf andere publicaties volgden.
Het meest invloedrijke boek was wel de biografie van Antonio Stradivari uit 1902. Alle publicaties toonden een grote kennis van zaken. Die werd wereldwijd gezaghebbend. Een andere manier om hun bekendheid te vergroten waren de talloze advertenties en artikelen over de firma Hill in de Londense kranten. In de Violin Times waren de activiteiten van Hill een veel genoemd onderwerp. In kringen van musici roerden zij zich door vanaf 1894 tot 1918 ieder jaar een viool, een strijkstok en een vioolkist aan de beste eindexamenkandidaat van de Royal Academy of Music, de Royal college en Guildhall te schenken. In vakbladen werd ieder jaar weer ruime aandacht geschonken aan dit mooie gebaar. Niet alleen in Engeland, maar ook in Frankrijk ontplooide Hill vergelijkbare inspanningen. Zo stelden zij in tussen 1908 en 1910 prijzen ter beschikking aan de beste leerlingen van de vioolbouwschool in Mirecourt.
De Hill’s hadden zich hoofdzakelijk met drie onderdelen van hun werk geprofileerd: hun nieuwe instrumenten, hun verkoopcollectie oude meesterinstrumenten en hun expertise inzake reparaties van het allerhoogste segment Italiaanse instrumenten. Minder aandacht vestigden zij op de productie van hun strijkstokken. Daarmee had de firma Hill toch een belangrijk aandeel in de Engelse markt in handen. Vanaf 1905 verscheen hun catalogus ook in Amerika en in Canada en werden ook hun strijkstokken genoemd. Voor hun strijkinstrumenten hadden de Hill’s Franse bouwers uit Mirecourt naar Londen gehaald, maar hun vertrouwen in de Britse deskundigheid was voldoende om uitsluitend Engelse strijkstokkenmakers aan te stellen. Tussen 1880 tot 1984 waren dat er 31, waarvan er velen een persoonlijke markering op de stok achterlieten. James Tubbs had zelfs een eigen brandstempel: W.E. Hill.
De inspanningen om de firma onder de aandacht van een breed publiek te brengen hadden succes; de firma groeide fors. In New Bondstreet bleven de kantoren, de winkel en showrooms, in 1910 werd het bedrijf uitgebreid met een grote nieuwe werkplaats in Hanwell, Middelsex. Een volgende stap in de expansie van het bedrijf was de import van piano’s, pianola’s, diverse andere instrumenten, grammofoons en platen. Met inbegrip van de leden van de Hill familie heeft het bedrijf werk geboden aan in totaal 41 hoog gekwalificeerde vioolbouwers en 31 strijkstokkenmakers. Hoeveel er daarnaast en indirect bij de firma berokken zijn geweest wordt geschat op het veelvoud ervan. Niet iedereen kon de firma Hill waarderen. Moya en Piper schreven in 1890 uitermate kritische over de Hill’s: ‘enkele van de vroege leden van de familie waren zeer vaardige bouwers’. Over de anderen vermeldden zij niets, evenmin iets over de nieuwbouw van de firma. Alleen hun kennis van oude instrumenten lieten zij on-weerlegd. Pijnlijk waren de feiten die zij over Hill’s Stradivari monografie publiceerden: het merendeel was niet van Hill, maar verzameld door George Hart. Evenmin waren de feiten over Maggini van de gebroeders zelf. Die waren verzameld door prof. Berenzi en de samenstelling van het boek berustte feitelijk bij Lady Huggins. De firma heeft altijd zelf regie gevoerd over de familiegegevens die naar buiten werden gebracht. Zo heeft de familie lang met succes de onverkwikkelijke geschiedenis van hun familielid Lockey Hill buiten de officiële boeken gehouden.
Lockey Hill was een goede vioolbouwer, maar werd in 1795 ter dood veroordeeld na een reeks paardendiefstallen. In de lezing van de familie was Lockey in dat jaar buiten Londen gaan werken en pas in 1810 gestorven. Zijn veroordeling verzwegen zij. Iets meer dan een jaar na elkaar stierven de laatste twee uit de Hill dynastie: Arthur Frederik in 1939 en Alfred Ebsworth in 1940. Maar de firma was al in 1936 geleidelijk overgenomen door Elbert Elgar Philips. Lagonet en Delunet bleven hem als de seniors van de firma bijstaan. Midden 1970 werd 'Havenfields' in Great Missenden, Buckinghamshire aangekocht en werd de werkplaats van Hanwell daarnaartoe overgebracht. De nieuwe eigenaren en leidinggevenden van W. E. Hill & Sons waren Stefan-Peter Greiner, Simon Morris, Steven Smith, Derek Wilson en Robert Brewer Young. In 1992 werd ‘Havenfields’ weer afgestoten.
W.E. Hill & Sons bouwde tot 1883 instrumenten zonder daar een archief van bij te houden. Pas in dat jaar werd een viool met het volgnummer nr. 1 geregistreerd, gevolgd door nog zes andere in dat zelfde jaar. Wie deze instrumenten bouwde is niet na te gaan. Vermoedelijk was het niet William Ebsworth zelf, daarvoor verschillen ze te veel van eerdere instrumenten die van hem bekend zijn. Alfred Hill, Joseph Prunier en Charles Lagonet zijn de enige die hiervoor in aanmerking komen. Het was een reeks die hoofdzakelijk op 11 bestaande Stradivari-violen gebaseerd was; van zijn vroege ‘Tuscan’ uit 1690 tot de ‘Rode’ uit 1722. De serie omvatte 326 violen, waarvan de laatste in 1935 werd gebouwd. Nicolò Amati, Carlo Bergonzi, Guarneri del Gesù, Pietro Guarneri en Maggini waren andere voorbeelden waarnaar Hill bouwde. Het betrof instrumenten van ‘prime’ kwaliteit; daarnaast startte Hill in 1892 ook een ‘workshop’ kwaliteit. Daarvan werden er 125 gebouwd. Sommige in Hanwell, andere, zo vermoeden Basford en Toft, thuis bij vioolbouwers die naar de opgegeven maten van Hill werkten.
Altviolen werden bij Hill gebouwd naar modellen van Stradivari, da Salo en Maggini, maar cello’s van eigen model kwamen er niet voor. Slechts een tien tal zeer fraaie Stradivari kopieën van zijn forma B model werden er gebouwd, de meeste door Charles Lagonet. Naast klassieke voorbeelden verkocht Hill ook ‘moderne’ violen. Dat waren kopieën van de Franse vioolbouwer J. B. Vuillaume. Al direct na de komst van de eerste Franse bouwer werd bij Hill de Franse manier van werken ingevoerd; één persoon maakte het corpus, een ander de hals en de krul en een derde deed de afwerking. Over het algemeen wordt het aantal strijkinstrumenten dat tussen 1880 en 1940 in eigen werkplaatsen gebouwd werd, geschat op iets meer dan 500. De firma Hill had een onkreukbare reputatie op het gebied van strijkstokken. Zij domineerden daarmee de Engelse markt grotendeels. Het totaal aantal stokken dat de werkplaatsen verliet wordt geschat op kleine duizend stuks. Grote makers als James Tubbs, zorgde ervoor dat ze niet onder deden voor de Franse.
Tot aan WO II maakten, net zoals de vioolbouwers in de firma, ook de strijkstokkenmakers in Hanwell ieder een onderdeel, daarna werden zij opgeleid om de volledige strijkstok alleen te kunnen maken. Net als veel vioolbouwers werden zij vaak per stuk betaald, pas later was er sprake van een dienstverband. In volgorde van kwaliteit werden de strijkstokken voorzien van de volgende stempels: W. E. Hill (allemaal gemaakt door James Tubbs), W. E. Hill & Sons, W. E. H & S, Hill & Sons England, H & S, Hill, waarbij de eerste stempel meestal bestemd was voor de beste strijkstokken en de laatste voor de minder goede stok. Bij Hill werden ook strijkstokken zonder stempel gemaakt voor anderen. Stokken van inferieure kwaliteit kwamen niet voor. De meeste werknemers vonden het een geweldig bedrijf om te leren, maar niet de meest geweldige plaats om te werken. Het salaris was laag, Hill kende geen oudedag regeling en weinig vrije dagen. Bij ziekte werd aanvankelijk niets, later slechts de helft van het salaris betaald. Vijf minuten te laat op het werk, betekende een kwartier minder salaris. Stafleden kregen een contract met veel ‘gij-zult-niet’ artikelen erin en om concurrentie tegen te gaan mochten zij buiten werktijd geen strijkstokken maken. W.E. begon zijn eerste werkplaats in Wardour Street in 1880, in 1887 verhuisde hij naar New Bond Street 38 en zette een grote werkplaats op in Hanwell, tien jaar later verhuisden zij naar New Bond Street 140. Hanwell werd in 1904 uitgebreid en pas in 1972 weer gesloten. Vanaf 1715 tot 1940 telde de familie Hill 12 leden die zich op enigerlei wijze met vioolbouw bezig hebben gehouden, 11 mannen en 1 vrouw, Emily Laura Hill, de enige dochter van W.E. Hill die langere tijd voor haar vader gewerkt heeft. Zij deed tot ca 1908 veel lakwerk van instrumenten die in Hanwell gebouwd werden.
De Hills gingen uitermate grondig te werk, van iedere viool die het atelier verliet werden gedetailleerde gegevens bewaard. Het Hill archief telt 58 verschillende vioolmallen en sjablonen, waarvan 33 Stradivari modellen en 12 mallen van altviolen, alle bedoeld om kopieën mee te maken. Dit waren nauwkeurige reconstructies van de originelen, meestal instrumenten die bij Hill gerepareerd waren of die zij voor de verkoop in handen hadden gekregen. Toft en Basford hebben een groot aantal instrumenten van Hill onderzocht. Naast de nauwkeurige kopieën van de originelen hebben zij kenmerken gezien die in veel instrumenten gelijk waren. Zo hebben zij zichtbare passerlijnen aangetroffen waarmee de diktes van de bladen aangegeven werden. De bladen voorzagen de Hills van ‘studs’, kleine vierkanten steunplaatjes die over de naden heen gelijmd werden. Nergens anders waren gereedschapsmarkeringen te zien.
Bij veel Stradivari kopieën zochten de Hill’s hout uit dat overeenkwam met het origineel; daar weken zij bij hun ‘prime’ kwaliteit maar zelden van af. De afwerking was bij alle onderzochte instrumenten zeer zorgvuldig gedaan. De lak had vaak iets lichtgevends door de roze ondergrond die aangebracht was. De krul was een nauwkeurige kopie van het origineel; alleen instrumenten die niet als zodanig bedoeld waren, hadden kenmerken van krullen uit verschillende Stradivari periodes. De eerste les die veel nieuwe strijkstokkenmakers bij Hill kregen, was ‘from now on, train your eye down from 30 feet to 30 inches’ en ‘Just 100% good is good enough’. Het eerste dat nieuwe strijkstokkenmakers te doen kregen was het uitvoeren van kleine reparaties; vervolgens werd hen, onder strikte supervisie, geleerd hoe de stokken behaard moesten worden om na verloop van tijd ruw voorbereidend werk te mogen doen. De opleiding tot strijkstokkenmaker bij Hill kon twee jaar duren. Na hun proeftijd kregen de meesten een nummer toegewezen en mochten zij een markering aanbrengen op het kopplaatje, onder de beharing.
De stokken die zij voor de firma produceerden waren vaak nauwkeurige kopieën van bekende Franse strijkstokkenmakers. Ook daarvan had Hill tekeningen en mallen laten maken. Hill beschikte over het beste pernambuco dat er voor handen was. Alfred Hill ontwikkelde rond 1890 een firma-stijl die gebaseerd was op de Tourte vioolstok en de Voirin cellostrijkstok, waarmee hij de individuele makers met elkaar verbond tot een Hill standaard van hoge kwaliteit. De meeste Hill stokken onderscheiden zich van hun origineel door een zilveren of gouden kopplaatje in plaats van een ivoren. Onder de vele uitstekende strijkstokkenmakers was James Tubbs misschien wel de meest markante. Hij werkte zonder aanstelling van 1858 tot 1870 bij Hill; Tubbs’ chaotische manier van werken en inconsistente productie paste absoluut niet bij W.E. Hill die gelijkmatigheid, voorspelbaarheid en netheid nastreefde. Hill betaalde Tubbs dan ook per stuk. Om toch verzekerd te zijn van een gelijkmatige kwaliteit hout kwam het pernambuco uit de Hill-voorraad.
Zijn relatie met W.E. Hill verslechterde geleidelijk, niet in de laatste plaats om het weinig vriendelijke karakter van Tubbs. Als Tubbs, na met ruzie vertrokken te zijn, een stok van zichzelf tegenkwam waar de stempel van Hill op stond, brandde hij zijn naam er alsnog overheen. Later werd hij de Engelse Tourte genoemd. Tubbs heeft ruim duizend strijkstokken gemaakt, waarvan honderden voor Hill. De Hill instrumenten werden uitsluitend in de winkel van Hill verkocht, de strijkstokken konden ook bij Wurlitzer en andere bouwers worden gekocht. Voor veel medewerkers was hun ervaring bij Hill voldoende om na enige jaren met succes voor zichzelf te kunnen beginnen. Bij Hill gewerkt hebben was bijna synoniem voor vakbekwaamheid. Mougenot, die slechts een klein jaar bij Hill in dienst was geweest, schreef in 1899 nog in zijn catalogus dat hij in Londen gewerkt had, maar een jaar later noemde hij zich ‘ex-ouvrier des Maisons Hill Frères’. Hill probeerde dat in zeker zin tegen te houden door tot aan WOII de werkzaamheden strikt gescheiden te houden; ‘verdeel en heers’ noemde Stagg dat. De naam Hill is een begrip geworden dat groter is dan hun instrumenten en strijkstokken. Het staat voor de top op het gebied van vioolbouw in Engeland. Henley noemde Hill in New Bond Street de “Mount Parnassus of the art of violin making”.
Stagg J.W., 2015, Bowmaking, Bradley.
Heron-Allen, 1902, Violinmaking as it is and was, Londen.
Milnes and Wilson, 2016, The Hill Bow Makers 1880-1962.
Baker T., Dilworth T. en Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.
Plowright D.G., 1934, Dictionary of British bowmakers, Londen.
Tarisio, Cozio archive, bezocht 2021.
Archive des Vosges, en Archives Nationales, bezocht in 2021.




