
viool
Hae Jin Park

*1734 , Monreale (Palermo) †1813 , Londen

Op een steenworp van Palermo ligt het stadje Monreale dat uitkijkt over de rivier de Oreto die beide steden met elkaar verbindt. In de kathedraal van Monreale werd Vincenzo Trusiano enkele dagen na zijn geboorte in 1734 gedoopt. Zijn vader Gaspare Trusiano was muziekinstrumentenmaker en bouwde naast blaasinstrumenten ook contrabassen. Dat had Gaspare vermoedelijk geleerd van de kleine, maar bloeiende gemeenschap instrumentenmakers die al sinds de 16e eeuw in een wijk langs de Oreto in Palermo zat.
In de archiefstukken werd Gaspare in 1752 nog aangeduid als een gewone instrumentenmaker, maar vijf jaar later kwam hij in het kerkelijke archief voor als ‘maestro’. Ook Vincenzo werkte toen al met hem samen; uit hetzelfde archief blijkt Vincenzo een van de drie ‘maestri’ te zijn die instrumenten voor het klooster gemaakt hadden. Dat hij toen, net als zijn vader, niet alleen blaasinstrumenten maakte, blijkt uit een contrabas die in Palermo wordt bewaard met het label ‘Vincenzo Trusiano, fecit Panormo, 1752’. Het gezin Trusiano was inmiddels verhuisd van Monreale naar het centrum van Palermo.
Aangezien de productie van Palermo’s instrumentenmakers het grootste deel van de vraag naar muziekinstrumenten op Sicilië bestreek, zocht Gaspare zijn toevlucht tot Napels, waar hij met zijn zonen Vincenzo en Giovanni rond 1759 naar toe verhuisde.
Napels bood Gaspare en zijn zonen oneindig veel meer mogelijkheden dan Palermo. De stad was door koning Karel III omgetoverd tot een van de indrukwekkendste hoofdsteden van Europa. Nergens anders leefde de opera zo als in Napels. Om aan de vraag naar musici te voldoen waren er in Napels vier conservatoria; ieder met een eigen specialiteit. Muziek was er voor alle lagen van de bevolking. Naast de kleine rijke bovenlaag van Napels, leefde het merendeel van de mensen in grote armoede. Met enige regelmaat dreef hongersnood groepen hongerigen uit de omringende streek naar de stad. Tussen 1764 en 1767 stierven er in en om Napels 150.000 mensen van de honger en veel kinderen werden aan de zorg van wees- of armenhuizen overgelaten. Muziek was echter zo verweven met Napels dat zelfs de kinderen in deze tehuizen uitstekend zang- en vioolonderwijs kregen. Napels was al vanaf de 17e eeuw de belangrijkste leverancier van prima donna’s, castraten en violisten in Europa. Rond die tijd werkten meer dan honderd instrumentenmakers waaronder zo’n dertig vioolbouwers in Napels, waarvan Postiglione en de familie Gagliano samen de markt domineerden.
Kort na hun aankomst in Napels begonnen Gaspare en zijn zonen een onderneming ‘Panormo & Figli, Giovanni e Vincenzo’ die de belangrijkste op het gebied van blaasinstrumenten in Napels zou worden. Aan hun achternaam Trusiano hadden zij inmiddels Panormo, de Latijnse naam van Palermo toegevoegd. Vincenzo trouwde rond 1762. In die tijd sloeg de hongersnood weer in alle hevigheid toe en kwam de bevolking van Napels in opstand tegen de steeds toenemende armoede. Het leger greep vaak en hardhandig in. De onrust, honger en het geweld waren vermoedelijk de reden dat Vincenzo samen met zijn vrouw in 1764 Napels verliet en naar Rome ging.
In Rome vond hij echter niet wat hij verwachtte. Kort na aankomst kreeg hij een zoon Francesco, maar vermoedelijk keerde zijn vrouw in 1767 al weer terug naar Napels om daar van hun tweede zoon Joseph te bevallen. Ook Vincenzo bleef niet lang in Rome. Samen met zijn vrouw en hun twee zonen reisde hij via Marseille, waar hij enkele blaasinstrumenten en violen maakte, door naar Parijs. Van het feit dat daar de machtige gilden het voor het zeggen hadden, was hij zich vermoedelijk niet bewust. Alleen Parijse ambachtslieden die erbij aangesloten waren, mochten in de stad werken.
Bastille en Porte Saint-Antoine, gezien van buiten de muren van de stad, J.B. Lallemand. Online Bibliothèque Nationale de France
Anderen waren aangewezen op de vrijplaatsen zoals Faubourg Saint-Antoine. Daar was sinds de 15e eeuw vrije vestiging van ambachten toegestaan. Het waren levendige, rebelse buurten aan de rand van de stad waar handwerkers zich niet aan de strenge gezag van de machtige gilden hoefden te onderwerpen. De vrijheid die heerste in de vrijplaatsen gaf ruimte aan ambachtslieden om er hun beste werk te vervaardigen, niet zelden werkstukken waar door meerdere disciplines aan gewerkt was; een praktijk die elders in Parijs nooit door de gilden zou worden toegestaan. Omdat zij buiten deze gilden om werkten, die het monopolie op de productie hadden en de handelsprijzen bepaalden, was de armoede in de vrijplaatsen vaak erg groot. Ook Vincenzo ontkwam daar niet aan.
Vanwege het ingewikkelde Parijse ambachtenstelsel kon Vincenzo vermoedelijk de weg niet vinden om aan voldoende en geschikt hout te komen. Mede door het harde bestaan in de vrijplaatsen vertrok hij na twee jaar weer. Londen leek aantrekkelijker; het was ruim twee keer zo groot als Parijs, maar wat belangrijker was; Italiaanse muziek was er buitengewoon geliefd. Dat was met name het geval rond het King’s Theatre waar in 22 seizoenen 112 opvoeringen van Italiaanse opera’s werden uitgevoerd. Onder de elite was de Italiaanse opera zeer in trek. Londen trok daardoor veel Italiaanse componisten, zangers en andere musici aan. De muziekcultuur was in handen van vele rijke families die afwisselend zowel in de binnenstad als in hun landhuizen uitvoeringen gaven. Naast deze uitvoeringen kwamen nog de concerten en opera’s die de meer dan honderd ‘musical societies’ organiseerden. Toen Vincenzo en zijn familie in 1772 in Londen arriveerden, werkten er honderden Italianen in de stad.
Etiket van een altviool uit Panormo's Londense periode. Afbeelding met dank aan Andrew Fairfax
Vincenzo opende zijn eerste zaak, ‘Panormo’s Music Shop’ in de wijk Soho die onder het bisdom St. Martin-in-the-Fields viel. Daar werd in 1774 zijn derde kind geboren en kort daarop begraven. Zakelijk ging het hem goed; hij bouwde instrumenten en adverteerde in diverse kranten. Uit die tijd is een altviool met zijn etiket bekend.
Zijn succes zou echter ook daar maar kort duren. Vanaf 1778 laaide in Londen een anti-katholiek volkssentiment op dat uitdraaide op gewelddadigheden tegen katholieken. Hun eigendommen werden afgenomen, huizen en kerken vernield en hun bezittingen verbrand. Deze volksopstand was een protest tegen een wet om katholieken meer vrijheden te geven, maar had bijna een revolutie tegen de regering tot gevolg. Vincenzo vluchtte een jaar later, in 1779, voor het snel om zich heen grijpende geweld.
"Classe des nouveaux Maîtres" 1779, Vincenzo’s (5e van boven) registratie als meester vioolbouwer in Parijs.
In Parijs was de macht van de gilden enigszins teruggebracht. Voor het eerst mochten buitenlanders zich vrij in de stad vestigen. Vincenzo Panormo keerde terug naar Parijs, werd in het gilde-register van de stad in 1779 ingeschreven als ‘meestervioolbouwer’ en begon opnieuw een zaak. Eerst in de levendige, maar arme buurt naast Les Halles en verhuisde in een periode van acht jaar nog twee keer, tot hij zich uiteindelijk in 1788 vlak bij het Palais Royal du Louvre vestigde. Wat aanvankelijk een goede keuze leek, pakte een jaar later anders uit.
Gewapende revolutionairen hadden op korte afstand van Vincenzo’s zaak een guillotine geplaatst. Daar vonden direct al de eerste terechtstellingen plaats. Een jaar later waren er in Parijs 2.693 doodvonnissen voltrokken, waaronder honderden op het plein aan het einde van de straat waar hij woonde. Parijs was terechtgekomen in een periode van terreur, volkswoede en opstand. Bij zoveel sociale onrust was er voor vioolbouwers geen werk. Vincenzo hield het in zijn nieuwe atelier maar kort vol. De spanningen in de stad ontlaadden zich in 1789 in de bestorming van de Bastille. Dat werd het startschot voor de Franse Revolutie. De haat keerde zich nu ook tegen vreemdelingen en na tien jaar in Parijs gewerkt te hebben, dreigde hij alles kwijt te raken; voor de derde keer was Vincenzo Panormo gedwongen te vluchten.
Er zijn veel aanwijzingen dat hij enige tijd voor John Betts werkte
Samen met een stroom Franse vluchtelingen keerde hij eind 1790 terug naar Londen waar nu de rust was weergekeerd. En ook dit keer vestigde Vincenzo zich in Soho, de wijk die al voor hun komst voor driekwart uit Fransen hugenoten bestond. Dat waren vaak gespecialiseerde handwerkers als goud- en zilversmeden, hoedenmakers, wevers en muziekinstrumentenmakers. De levendigheid nam verder toe nadat de Royal Academy zich in Soho vestigde en er vele honderden schilders en beeldhouwers uit heel Europa naar toe trokken. Uit die tijd zijn van Vincenzo enkele strijkinstrumenten bekend, waaronder een cello met een handgeschreven etiket die hij in 1791 bouwde. Ook ging hij door met het maken van blaasinstrumenten.
Er zijn veel aanwijzingen dat hij enige tijd voor John Betts werkte. Door de allerbeste meesterinstrumenten uit Italië te importeren en daar veel ruchtbaarheid aan te geven, was het mede aan John Betts te danken dat het Londense publiek instrumenten begon te waarderen die op Stradivari’s model waren gebaseerd. Bij Betts werkten alleen zeer goede vioolbouwers, als Joseph (III) Hill en Henry Hill. Vincenzo had als vioolbouwer een rijke internationale ervaring en beschikte nog steeds over relaties in Italië waarmee hij Betts mogelijk van dienst was.
Wat de reden was dat Vincenzo naar Ierland ging is niet bekend, maar zeker is dat veel mensen Soho ontvluchtten voor het oplaaiende anti-Franse sentiment. Waarschijnlijk vroeg Claude Pierray hem om naar Dublin te komen. Daar had hij een atelier waarin Vincenzo enige tijd werkte. Ook bouwde hij voor zichzelf, gezien de instrumenten die hij voor de hertog van Leinster vervaardigde. Vanaf 1797 werkte hij twee jaar voor Bartholomew Murphy, vioolbouwer in Cork. Daarna keerde hij terug naar Dublin om halverwege de reis, in Kilkenny nog een cello te bouwen: ‘Vincenzo Panormo/fecit Kilkenny/Irelande, 1799’.
Op zijn zevenenzestigste keerde Vincenzo voor het laatst terug naar Londen. Daar belandde hij in St. Gilles, het deel van Soho waar de levensomstandigheden tot de slechtste van Londen behoorden. In de twaalf jaar tot aan zijn dood in 1813 moet hij bij andere vioolbouwers gewerkt hebben, vermoedelijk zelfs bij Hill, maar gedocumenteerd is dat niet.
Over het leven en werk van Vincenzo blijven veel vragen onbeantwoord. Vaak waren het barre omstandigheden die maakten dat hij zijn geluk steeds weer ergens anders moest beproeven. Niet zelden moest hij werken in slechte omstandigheden en met materialen die voorhanden waren. Het is bewonderenswaardig dat hij desondanks zulke voortreffelijke instrumenten maakte. Vincenzo wordt nu beschouwd als de meest invloedrijke vioolbouwer in het laat-achttiende-eeuwse Engeland.
In zijn vroege periode maakte Panormo nog instrumenten gebaseerd op Amati, maar al aan het eind van zijn eerste Parijse periode bouwde hij meer naar de opvattingen van Stradivari. Zijn stijl was nog wat onontwikkeld, maar al wel met kennis van zaken gebouwd. Ook is de invloed van Nicolas Chappuy te zien, wiens werk veel overeenkomst vertoont met dat van Panormo. Later werd zijn werk verfijnder zonder al te veel aandacht voor de afwerking te hebben. Bij veel van zijn instrumenten zijn de afdrukken van schrapers en andere gereedschappen nog te zien. Zijn randinleg is diepzwart van kleur wat zijn instrumenten een geprononceerd uiterlijk geeft.
Het hout van de bovenbladen uit zijn tweede Franse tijd was kenmerkend voor vrijwel alle Parijse bouwers; afkomstig uit de Vogezen door de gilden geleverd. Opmerkelijk is het bovenblad van een viool die hij in 1790 bouwde, waarbij dendrochronologisch onderzoek recent heeft aangetoond dat het van dezelfde boom afkomstig is als dat van een viool die later door Nicolas Lupot gebouwd zou worden. Bijzonder mooi is het sycamore-hout dat hij Londen gebruikte. Dat was mooi gevlamd en had veel kleurschakeringen. Het hout dat hij in Ierland gebruikte was meestal van lokale herkomst. Bekend is dat Vincenzo in Dublin het hout van een biljarttafel verzaagde en er enkele instrumenten van bouwde.
‘Opmerkelijk is het bovenblad vaneen viool waarbij dendrochronologisch onderzoekheeft aangetoond dat het van dezelfde boomafkomstig is als dat van een viool die later doorNicolas Lupot gebouwd zou worden’
In zijn tweede Londense periode leek zijn werk steeds meer op dat van Stradivari, ook diens gewoonte om zwarte randen langs de sleutelkast aan te brengen nam hij over. Welvingen en de f-gaten zijn symmetrisch. De openingen zijn eerst smal en verticaal, naarmate hij zich meer op Stradivari richt worden ze breder en krijgen een lichte helling. De krul is al vanaf het begin diep uitgestoken en elegant van vorm.
Panormo gebruikte in zijn vroege periode een licht gouden tot oranje lak van goede Italiaanse kwaliteit. Daarna lijkt hij voor zijn grondstoffen vaak aangewezen te zijn op lokale bronnen. Had hij eenmaal een goede lak ontwikkeld, dan nam hij de ingrediënten mee en paste het recept later aan. Vanaf zijn tweede Londense periode wordt zijn lak dieper, roder en dunner opgebracht.
De viool uit 1810 die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, dateert uit zijn laatste en meest ‘volwassen’ periode.
Harrison R., 1998, The Panormo Family, The Troubadour.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa
Baker T, Dilworth T en Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers - Vol. 1, 2001, Keulen
Westbrook J., 2012, Louis Panormo and His Contemporaries, Cambridge.
Tarisio, the Cozio archive, Vincenzo Panormo, by Andrew Fairfax.
Fairfax A., Panormo – the life and work of Vincenzo and his sons. Exhibition Catalogue, London
Milliot S. en Perrin N. 2017, Lecture 3; journée Européenne De La Lutherie. Cordes sur Ciel.