
cello
Octavie Dostaler-Lalonde

*± 1760 , Sheffield †1834 , Londen

Thomas Dodd was de derde zoon van Edward Dodd, arbeider in een van de vele staalfabrieken van zijn geboorteplaats Sheffield. In 1752 kreeg Edward zijn eerste zoon John, gevolgd door James. Rond 1760 werd Thomas geboren. Kort na de geboorte van Thomas verhuisde Edward met vrouw en kinderen naar Londen om daar een loopbaan te beginnen als vioolbouwer en strijkstokkenmaker. John en James volgde hun vader in dat vak, maar Thomas had geen ambitie in die richting; hij werd bierbrouwer. Pas rond zijn vijfentwintigste veranderde hij van beroep. Hij maakte enkele jaren strijkstokken en violen in de werkplaats van zijn vader. In 1789 opende hij een eigen atelier.
Al in het eerste jaar dat hij zelfstandig werd, nam hij Bernhard Simon Fendt (1756-1832) aan. Fendt was vioolbouwer, geboren in Innsbruck, Tirol, maar al als kind naar Parijs vertrokken om bij zijn oom François Fent vioolbouw te leren. De Franse Revolutie had hem echter gedwongen om, met achterlating van al zijn bezittingen, het land te verlaten. Enkele maanden later nam Thomas John Frederick Lott (1775-1853) als hulp voor Fendt aan. Lott had geen enkele ervaring, maar leerde snel. Tot welk jaar Thomas nog zelf strijkinstrumenten bouwde is niet bekend. Op alle instrumenten die zijn atelier verlieten stond het label met zijn naam.
Het niveau van de vioolbouw in Engeland deed een enorme sprong voorwaarts nadat vioolbouwer en dealer John Betts (1752-1823) grote aantallen uitstekend strijkinstrumenten uit Italië haalde. Hij ging ze zelf uitzoeken, eerst in Noord-Italië, maar later ook in Napels waar hij de instrumenten tegen spotprijzen opkocht. Het aantal instrumenten dat hij invoerde was zo groot dat Engeland er invoerbelasting over ging heffen.
Thomas Dodd beroemde zich er op ‘The Only Possessor of the Recipe for preparing the Original Cremona Oil Varnish’ te zijn
Thomas Dodd volgde Betts’ voorbeeld. Hij ontwikkelde zich tot expert in oude instrumenten, reisde veel en kocht ze in waar hij ze maar vond. De vraag in Engeland overtrof het aanbod, waarna Dodd instrumenten in Italië liet bouwen. Vaak voerde hij ze in losse delen in om zo de invoerbelasting te ontduiken. De blanke strijkinstrumenten werden in Londen voorzien van een prachtige oranje-rode lak die door Thomas ontwikkeld was. Aanvankelijk deed hij het lakwerk zelf om het geheim van zijn receptuur te kunnen bewaren, maar later namen Fent en Lott het van hem over. De lak vertoonde veel overeenkomst met die van de oude meesters. Thomas Dodd beroemde zich er op ‘The Only Possessor of the Recipe for preparing the Original Cremona Oil Varnish’ te zijn (zie afbeelding hieronder).
Fendt en Lott bouwden samen een aantal uitstekende cello’s en contrabassen. In 1800 vertrok Bernard Fendt naar John Betts, maar bleef nog zeker tot 1820 voor Thomas Dodd werken. John Frederick Lott was nu de belangrijkste medewerker van Thomas geworden. Dat zou hij blijven tot hij in 1835 zijn eigen atelier opende. Thomas Dodd breidde zijn atelier uit en verhuisde in 1809 naar een ander deel van de stad.

Visitekaart Thomas Dodd © The Trustees of the British Museum. (shared under CC BY-NC-SA 4.0 licence)
Op zijn zevenenzestigste keerde de Italiaanse vioolbouwer Vincenzo Panormo, na een levenslange reis vanuit Napels, langs Rome, Parijs, Londen en Dublin weer terug naar Londen. Gezien de belangstelling voor Italiaanse instrumenten zou Panormo met zijn internationale kennis en ervaring er in trek zijn geweest. Maar Vincenzo was al op leeftijd, straatarm en hevig gedesillusioneerd. Voorjaar 1801 kwam hij terecht in St. Gilles, het deel van de stad waar de levensomstandigheden tot de slechtste van Londen behoorden. In de twaalf jaar tot aan zijn dood in 1813 heeft Panormo bij meerdere Londense vioolbouwers gewerkt. Hoewel geen van hen zijn aanwezigheid gedocumenteerd heeft, wordt zijn hand gezien in diverse instrumenten van Londense bouwers waaronder die van John Betts en Thomas Dodd.
Oxford Street eerste helft 19e eeuw
De invoer van instrumenten stagneerde eind twintiger jaren geleidelijk waardoor Thomas zich genoodzaakt zag om een andere richting in te slaan. Rond 1795 was Thomas’ zoon, Edward geboren en aan de zorgen van Fendt toevertrouwd. In 1824 verhuisde het atelier naar Oxford Street die toen voornamelijk bestond uit winkels van de betere handwerkslieden. In zijn nieuwe atelier liet hij naast strijkinstrumenten ook harpen bouwen, later gevolgd door fortepiano's. In 1834 stierf Thomas Dodd.
Zijn zoon Edward nam de leiding van het bedrijf over. Hij maakte naam door uitvindingen voor diverse instrumenten te patenteren. Thomas’ tweede zoon, Thomas II, eveneens opgeleid door Bernard Fendt, maakte in dit atelier nog strijkstokken en strijkinstrumenten waar hij een uitstekende reputatie mee verwierf, maar het bedrijf verloor zijn focus nadat Thomas II in 1838 door een ongeval om het leven kwam. Edward II zette de zaak wel voort maar liet alleen nog maar harpen en pianofortes bouwen. Het bedrijf moest in 1843 worden beëindigd toen ook hij door een noodlottig ongeval het leven verloor.
In het atelier van Thomas Dodd werden aanvankelijk instrumenten gebouwd naar Stainer. Die waren op dat moment in heel Europa nog zeer in trek. Maar nieuwe stijlen in de muziek verlangden andere instrumenten. Dat werden instrumenten van de grote Cremonese bouwers als Amati, Guarneri, Stradivari en Bergonzi van wie zij verschillende modellen bouwden. Deze instrumenten waren in Britse muzikale kringen niet veel minder dan revolutionair. De vroege instrumenten uit het Dodd-atelier waren nog gebouwd volgens de Franse bouwtechniek die Fendt uit Parijs had meegebracht.
Onder leiding van Thomas Dodd bouwden Bernard Fendt en John Lott een aantal zeer goede violen, een enkele altviool, maar in het bijzonder veel cello’s en contrabassen.
Thomas Dodd heeft, samen met John Betts de Engelse vioolbouw nieuw leven ingeblazen en het publiek kennis laten nemen van de Italiaanse instrumenten. Engelse bouwers werden niet alleen door het succes van beide ondernemende vioolbouwers gestimuleerd, maar de verfijnde manier van werken die Fendt en Lott bij Thomas Dodd hadden geperfectioneerd zette andere Engelse bouwers aan tot het streven naar een hoger niveau dan tot dan toe in Engeland gebruikelijk was. Matthew Hardie en Richard Tobin zijn daar goede voorbeelden van.
Dodd heeft veel instrumenten in onderdelen geïmporteerd, maar dat ging niet altijd goed. Het leidde soms tot een samenstelling die niet oorspronkelijk zo bedoeld was. In de twintigste eeuw werd een dergelijk instrument ten onrechte als een latere composiet beoordeeld, maar vermoedelijk pasten Dodds’ medewerkers de onderdelen, zo goed en kwaad als dat ging, in het atelier aan en maakten er één geheel van.
In dagbladadvertenties beriep hij zich er op ‘Perfect Copies of Stradivarius (of Stainer, Amati, enz.)' te bouwen en verkocht naar eigen zeggen ‘Instruments Improved and Repaired’.
Foto met dank aan Ellen Broughton Photography
Er zijn twee etiketten van hem bekend:
- T. Dodd, Violin, Violoncello & Bow Maker: New Street, Covent Garden.
- Dodd, violin maker, / 92 St-Martins Lane
Gezien het feit dat alle instrumenten, of die in het atelier vervaardigd waren of geïmporteerd, het Dodd-etiket kregen, is niet nauwkeurig vast te stellen hoe groot zijn productie geweest is. Hoewel kenners zeer goed in staat zijn om het onderscheid te maken tussen het werk van Dodd en de instrumenten die hij in Italië liet bouwen, is het tot een volledige inventarisatie nog niet gekomen.
Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is een voorbeeld van een cello uit de periode waarin hij zich nog helemaal op het bouwen van instrumenten richtte. Het is niet uit te sluiten dat Bernard Fendt een deel van het instrument bouwde of dat met of onder leiding van Thomas Dodd deed.
Flaming, J. F., 2016, English, Scottish and Irish Violin Makers, London.
Westbrook J., 2012, Panormo and His Contemporaries, Cambridge.
Baker T, Dilworth T en Fairfax A., 2001 The British Violin, Londen.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., Italian & French Violin Makers - Vol. 1, 2001, Keulen.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Tarisio, the Cozio archive, bezocht in 2020.