Doorgaan naar content
bouwer

Romeo Antoniazzi

*1862 , Cremona      †1925 , Milaan

Romeo Antoniazzi heeft een buitengewoon ongeregeld leven geleid. Zijn ouders hadden al op twaalf verschillende adressen gewoond en zijn moeder had toen hij geboren werd al negen kinderen ter wereld gebracht. Romeo zou niet hun laatste kind zijn en na zijn geboorte gingen de verhuizingen ook gewoon door. Nadat hij het huis uit was gegaan, veranderde daar niet veel in. Romeo zou zelf ook nog eens eenentwintig keer van woonadres wisselen. Ondanks het feit dat hij voornamelijk voor andere bouwers heeft gewerkt, zag hij kans om een belangrijk eigen oeuvre op te bouwen.

Romeo werd geboren in Cremona. Zijn vader Gaetano was vioolbouwer, evenals twee van zijn oudere broers. Gezien de instrumenten die Gaetano Antoniazzi later bouwde, was de vioolbouwer Enrico Ceruti onmiskenbaar zijn leermeester. Ook Gaetano’s zoon Riccardo heeft voor Ceruti gewerkt. Riccardo nam in de eerste jaren zijn jongere broer Romeo onder zijn hoede en leerde hem het vak. Romeo heeft slechts enkele jaren een eigen werkplaats gehad, wat de verklaring zou kunnen zijn voor het feit dat zijn oeuvre wel groot was, maar er ogenschijnlijk geen eenheid in zat. Ondanks het feit dat hij zijn hele leven in grote armoede heeft geleefd, werd hij 63 jaar.
Werkplaats(en)
Milaan, 1880-1922

De nadagen van de Cremonese stijl

Cremona had een roemrijk verleden en was de stad waar Italië’s grootste vioolbouwers vandaan kwamen. Daar was toen Romeo Antoniazzi in 1862 geboren werd, echter niets meer van over. De Fransen waren voortreffelijke kopiisten van Italiaanse meesters gebleken, hadden een efficiënte organisatie opgebouwd en het daarmee gewonnen van de Italiaanse ateliers. De Franse vioolbouwers domineerden de markt in die tijd en bepaalden dus ook de smaak. Tijdens tentoonstellingen viel de vergelijking tussen Italiaanse en Franse bouwers dan ook vrijwel altijd in het voordeel van de laatsten uit.

In Cremona waren alleen Giuseppe Ceruti, zijn zoon Enrico en enkele kleine bouwers nog actief. De Ceruti’s vormden de laatste schakel van enig belang tussen een nieuwe generatie vioolbouwers en de grote meesters van weleer. Tot 1865, toen Romeo Antoniazzi drie was werkte en leerde zijn vader nog bij Ceruti, maar in dat jaar vertrok hij met vrouw en kinderen naar Genua. Vermoedelijk vond Gaetano niet wat hij nodig had om zijn grote gezin te kunnen onderhouden want een jaar later waren ze al weer terug in Cremona. Daar bleven zij tot ze in 1870 naar Milaan verhuisden.

Drie Antoniazzi’s in Milaan: vader Gaetano, Riccardo en Romeo

In Milaan bouwde zijn vader zijn eerste violen onder zijn eigen naam en groeide Romeo’s broer Riccardo uit tot de ‘vioolprofessor’, een erenaam voor zijn kennis over het instrument én voor het feit dat hij van tijd tot tijd in diverse Milanese orkesten speelde. In 1880 vertrok Riccardo naar Nice om zich bij Nicolo Bianchi, die twintig jaren Parijs gezeten had, de Franse manier van bouwen eigen te maken. Romeo bouwde in de tussentijd enkele goede violen in de stijl van Ceruti. In 1886 keerde Riccardo weer terug naar Milaan. Voor Romeo was zijn terugkeer een belangrijke gebeurtenis; hij trok bij Riccardo in die opnieuw zijn leermeester werd. In 1888 trouwde Romeo in Rome met Palmira Clerici en schreef zich in op zijn eerste eigen adres in Milaan.

Leandro Bisiach en de ‘Franse’ stijl

De ontmoeting van Riccardo met de ondernemer Leandro Bisiach in Milaan werd een keerpunt in het leven van de Antoniazzi’s. De zakenman was geïnteresseerd in vioolbouw en zag in Riccardo de vioolbouwer die hem de vioolbouwkunst kon leren. Bisiach zette een atelier op naar Frans model en bleek een onverwoestbare energie te hebben. Zelf werkte hij in het atelier mee en lakte vaak de nieuwe instrumenten. Zijn bedrijf bouwde hij uit tot het rond 1900 het belangrijkste vioolbouw atelier van Milaan werd met een groot netwerk waardoor hij instrumenten kon leveren aan handelaren in heel Europa. De drie Antoniazzi’s werden zijn voornaamste medewerkers.

‘Volgens Gindin (2018) maakten de Antoniazzi’s rond 1890 de mooiste instrumenten die ooit in Milaan gebouwd waren’

Het succes van Bisiach was opmerkelijk; Italië verkeerde in een diepe crisis. Nog niet eerder was de armoede zo groot geweest. Tussen 1895 en 1900 zochten bijna twee miljoen Italianen hun heil in het buitenland. Eigenaren van oude Italiaanse meesterinstrumenten zagen zich vaak genoodzaakt deze tegen een spotprijs van de hand te doen aan binnen- en buitenlandse handelaren die het land afstruinden. Voor nieuwbouw was toen nog maar weinig belangstelling. Alleen ‘Franse’ instrumenten deden het goed. Bisiach zag daarin zijn kans en liet de Antoniazzi’s instrumenten op de Franse manier bouwen. Volgens Gindin (2018) maakten de Antoniazzi’s rond 1890 de mooiste instrumenten die ooit in Milaan gebouwd waren. Bisiachs kocht soms ook antiek uitziende instrumenten die hij liet verbouwen en als echt verkocht. Zijn moderne instrumenten exporteerde hij meestal. Later werd hij een expert in oude meesterinstrumenten en leerde zijn medewerkers om ze tot in detail te bestuderen.

Leandro Bisiach

Bisiach, die in korte tijd rijk geworden was, kocht een villa net buiten Milaan en een huis in de stad waar Romeo en Riccardo in mochten wonen. In 1897 stierf Gaetano Antoniazzi. Kort daarop ging Romeo’s broer de gevangenis in wegens diefstal. Romeo was nu de enige Antoniazzi bij Bisiach. Waarschijnlijk wilde Bisiach Riccardo niet meer terug hebben na zijn gevangenschap. Wat hij direct na zijn vrijlating deed is niet bekend, pas in 1904 komt Riccardo als vioolbouwer en reparateur voor op de loonlijst van de gerenommeerde firma Monzino & zoon. Ook Romeo werd door Monzino ingehuurd.

Monzino & zoon

Romeo bouwde vanaf 1904 veel instrumenten voor de firma Monzino. Beide broers stonden bekend als snelle en vakbekwame werkers, Riccardo was zorgvuldig en precies, Romeo werkte impulsiever. Beiden waren uitstekende leermeesters, zij leidden bij Bisiach en bij Monzino veel vioolbouwers op. Riccardo maakte al snel carrière. Hij bouwde voor Monzino een aantal instrumenten die in 1906 prijzen wonnen op de tentoonstelling van Milaan. Hoewel Romeo het succes van zijn broer niet kon evenaren werden toch ook zijn instrumenten op de diverse tentoonstellingen goed beoordeeld.

‘De periode tussen 1910 en 1923 werd zijn meest stabiele tijd’

Na 1907 had Romeo vermoedelijk geen vaste betrekking meer, maar kreeg net zoals de meeste vioolbouwers bij Monzino een tijdelijk contract. Vanaf dat jaar ging hij ook voor andere firma’s instrumenten bouwen. De periode tussen 1910 en 1923 werd zijn meest stabiele tijd. Wellicht om de ziektekosten voor Palmira, zijn echtgenote te kunnen betalen, bouwde hij naast zijn eigen instrumenten ook nog een groot aantal studieviolen voor Giuseppe Barlassina. Palmira stierf in 1920. Met uitzondering van het jaar van haar dood bouwde hij in die periode ook enkele van zijn beste instrumenten.

Moeilijk karakter

Vanaf zijn huwelijk in 1888 tot aan zijn dood stond hij op negentien verschillende adressen ingeschreven, soms verhuisde hij met slechts enkele maanden tussenpozen en een enkele keer zelfs drie keer per jaar. In 1910, 1912 en 1923 woonde hij in dezelfde straat, maar steeds op een ander nummer. Zijn langste verblijf op één adres was zes jaar. Het kortste elf dagen. Onderzoekers zagen de verklaring hiervoor in zijn moeilijke karakter en zijn overmatig drankgebruik. Ondanks dat dwingt hij bewondering af voor het aantal goede instrumenten dat hij gebouwd heeft en de vele vioolbouwers aan wie hij zijn vakkennis doorgaf. Hij stierf in 1925 als bouwer om wie veel te doen is geweest en wiens werk pas na recent onderzoek volledig op waarde geschat kon worden.

Werk en invloed

Romeo moet rond zijn twaalfde begonnen zijn met zijn eerste lessen in vioolbouw. Die ontving hij niet in de verhouding van leerling tot leermeester, maar spontaan en informeel van zijn vader en zijn broer Riccardo. Gaetano en Riccardo waren in Cremona door Enrico Ceruti beïnvloed, maar ook bij hen was er geen er sprake van een echte opleiding. Ceruti was de laatste van de traditionele Cremonese vioolbouwers geweest. Die manier van werken propageerde hij in veel Europese steden. Zijn werk had weinig weg van Stradivari of Guarneri 'del Gesù', maar was gebaseerd op de traditie van Bergonzi. De Antoniazzi’s kregen deze traditie van hem mee.

Riccardo merkte dat er voor die stijl vrijwel geen belangstelling meer was en richtte zich op Franse bouwers die Stradivari of Guarneri 'del Gesù' wèl als hun voorbeeld hadden gebruikt. Na terugkomst uit Nice, gaf Riccardo zijn nieuw verworven kennis zonder enige twijfel door aan Romeo.

Zijn mooiste erkenning zou hij pas na zijn dood krijgen. Met de gouden medaille die Romeo postuum ontving, trad hij uit de schaduw van zijn vader en broer’

Het werk dat Romeo bij Leando Bisiach deed moet divers, maar niet erg bevredigend geweest zijn. In tegenstelling tot de Italiaanse ateliers, waarin een medewerker een instrument helemaal zelf bouwde, had Bisiach een strikte taakverdeling ingevoerd. Iedere medewerker maakte maar één, gestandaardiseerd, onderdeel van een instrument. Voor een persoonlijke inbreng kon daardoor geen sprake zijn. Voor Romeo die een erg impulsieve en ongedurige aard had moet dat de reden geweest zijn om ook voor anderen te blijven werken.

Bij Monzino waar hij rond 1904 bij begon, werd nog wel op de traditionele manier gewerkt. Daar kon hij een instrument grotendeels zelf bouwen en zijn vakmanschap inzetten om instrumenten te repareren.

Onafgebroken voortreffelijk werk gevolgd door mindere periode

Volgens Blot (2002) lag de periode waarin hij vrijwel onafgebroken voortreffelijk werk en zelfs enkele van zijn beste instrumenten maakte tussen 1885 en 1910. Vanaf 1910 had Romeo tot ongeveer 1923 een eigen werkplaats waar hij soms voor zichzelf, maar meestal voor anderen werkte. Zijn beste instrumenten uit die tijd bouwde hij heel nauwgezet, maar ze missen de spontaniteit van zijn eerdere werk. In dezelfde periode bouwde hij soms ook beduidend minder goede instrumenten.

Zijn mooiste erkenning zou hij pas na zijn dood ontvangen. In 1949 stuurde M. Rosa uit Milaan, voor wie Romeo een kwartet had gebouwd, deze vier instrumenten in naar de tentoonstelling van Cremona. Met de gouden medaille die Romeo daar postuum voor ontving, trad hij uit de schaduw van zijn vader en broer.

Etiket in een viool uit de collectie van Het Muziekinstrumentenfonds, foto: Cathy Levesque

Romeo Antoniazzi voorzag zijn instrumenten van een etiket en een brandmerk. Op het etiket vermeldde hij dat het in Cremona was gebouwd, maar daar was hij na zijn achtste niet meer geweest. Het brandmerk bestond uit zijn initialen en een klein kruis.

Informeel leermeesterschap

Romeo Antoniazzi heeft anderen hoofdzakelijk beïnvloed via zijn informele leermeesterschap bij Bisiach en bij Monzano. Daar leidde hij veel vioolbouwer op waarvan de belangrijkste Leandro Bisiach, Ambrosio Sironi en Giuseppe Pedrazzini waren. Naar de mening van Florian Leonard (2019) kan het belang dat de drie Antoniazzi’s op de vioolbouw van de 20e eeuw hadden echter nauwelijks overschat worden. Hun gemeenschappelijke inspanningen, zo meent hij, brachten de vioolbouw in Italië weer op een hoogte die sinds de 17e en 18e eeuw niet meer was gezien.

Er is veel twijfel geweest aan het vakmanschap van Romeo Antoniazzi. Reden was dat er veel slechte instrumenten met zijn etiket bestonden en veel minder goede. Na onderzoek bleek de verklaring daarvoor drieledig te zijn; Romeo had geen eigen netwerk van klanten. Die markt had Bisiach volledig in handen. Veel van zijn beste instrumenten bouwde hij voor Bisiach die ze onder een andere naam verkocht. De tweede oorzaak was dat de instrumenten die Romeo later in zijn leven bouwde door de zoon van Enrico Ceruti verkocht als door hemzelf gebouwd. Ook in die instrumenten ontbrak Romeo’s naam. En ten slotte waren er na zijn dood bouwers die voor hun eigen gewin heel veel inferieure instrumenten voorzagen van een nagemaakt etiket van Romeo Antoniazzi.

Bronnen

Gindin D., 2018, The late Cremonese Violin Makers, Cremona.

Kass P. J., 2007, The Bisiach Family, Londen.

Kass P. J., 2007, Selected World of Strings Newsletters, Londen.

Azzolina U., Italian Violin Making in the 1800s and 1900s, Milaan.

Codazzi R., 2002, La Liuteria Lombarda del ‘900, Brescia.

Blot E., 1994, Emilia e Romagna. Un secolo di liuteria italiana, 1860-1960, Cremona.

Hamma W., 1993, Meister Italienischer Geigenbaukunst, Wilhelmshaven.

Vannes, R., 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers, Brussel.

Brinser M., 1978, Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers.

Henley W., 1969, Universal Dictionary of Violin & Bow Makers. Brighton.

The Cozio archive, Tarisio, bezocht in 2020.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
13 oktober 2023