
viool
Joshua Tavenier

*1853 , Cremona †1912 , Milaan

Het was rond 1850 dat Riccardo Antoniazzi’s vader Gaetano begon met het maken van violen. Hij woonde in Cremona, waar de hoogtijdagen van de vioolbouw al voorbij waren. Alleen vader en zoon Ceruti werkten er nog in de schaduw van Stradivari, Bergonzi, Guarneri en Ruggeri.
Door de Ceruti’s raakte Gaetano Antoniazzi geïnteresseerd in het vak en werd, naar eigen zeggen, hun leerling. Van de vioolbouw alleen konden maar weinigen leven, de meesten deden er ander werk bij. Ook bij Gaetano Antoniazzi was dat het geval. Hij kluste noodgedwongen meer bij dan hij violen kon bouwen.
In 1853 werd Riccardo Antoniazzi geboren. Hij was de eerste van acht kinderen. Zes ervan werden in Cremona geboren, de anderen in Mantua. De laatste in de rij was Romeo, die negen jaar jonger was, met wie hij later vrijwel onafgebroken zou samenwerken. Het gezin Antoniazzi had voortdurend financiële problemen; Gaetano deed niet alleen allerlei werkzaamheden in de omgeving, maar hij verhuisde ook keer op keer, steeds op zoek naar werk.
In 1855 trok het gezin naar Mantua, waar de familie op zeven verschillende adressen woonde. Tien jaar later verhuisden zij naar Genua, maar een jaar later keerden ze weer naar Cremona terug. Overal werkte Gaetano als houtbewerker, maar bouwde daarnaast ook enkele violen. Toen het gezin zich in 1870 in Milaan vestigde, verhuisde Riccardo mee.

Ondertussen leerde Riccardo Antoniazzi van zijn vader en vermoedelijk ook van andere vioolbouwers in Mantua, Genua en Milaan vaardigheden die nodig waren om vioolbouwer te worden. In de loop van tien jaar ontwikkelde hij zich onder leiding van zijn vader tot een bekwaam vakman, maar een eigen bedrijf waar zij uitsluitend van de vioolbouw konden leven hadden de Antoniazzi’s nog niet.
Gaetano, en later ook Riccardo, bouwde instrumenten voor anderen, maar op geen enkel etiket werd hun naam vermeld. Een gebruikelijke praktijk in die tijd. Pas vanaf 1880 bouwde Gaetano enkele violen met een eigen etiket. De eerst bekende viool van Riccardo dateert van 1883. Hij was toen twintig jaar en moet al tientallen violen voor anderen hebben gebouwd. Als bijverdienste deed zijn vader nog steeds klusjes, Riccardo verdiende er als violist en luitist in diverse Milanese orkesten bij.
Halverwege de negentiende eeuw was er van de Italiaanse vioolbouw weinig meer over. De Fransen waren voortreffelijke kopiisten van Italiaanse meesters gebleken, hadden een efficiënte organisatie opgebouwd en het daarmee gewonnen van de Italiaanse ateliers. De Franse vioolbouwers domineerden de markt en bepaalden dus ook de smaak. Tijdens tentoonstellingen viel de vergelijking tussen Italiaanse en Franse bouwers dan ook vrijwel altijd in het voordeel van de laatsten uit.
Om aan te kunnen sluiten bij deze trend vertrok Riccardo Antoniazzi in 1880 naar het Franse Nice, waar de bejaarde maar zeer gerespecteerde Nicolò Bianchi werkte. Bianchi had in Franse stijl leren bouwen en stond bekend als een uitzonderlijk goede leermeester. Hij had Scarampella opgeleid en later ook Praga en beiden waren legendarische vioolbouwers geworden. Slechts één jaar kon Riccardo Antoniazzi van Bianchi’s vakkennis profiteren; al in 1881 stierf hij. In dat jaar trouwde Riccardo in Nice met Catharina Viale en kreeg zijn eerste en enige zoon die hij naar zijn vader noemde: Gaetano.
Zo Riccardo gehoopt had om Nicolò Bianchi’s opvolger te kunnen worden, de tijd om zich als zodanig te ontwikkelen was te kort geweest. Een andere leerling die lang bij hem gewerkt had erfde zijn zaak, het gereedschap en de hele voorraad hout.
Na jarenlang heen en weer gereisd te hebben tussen Italië en Frankrijk, keerde Riccardo uiteindelijk terug naar Milaan.
Riccardo bleef wel nog enkele jaren in de voormalige werkplaats van Bianchi werken, reisde regelmatig heen en weer tussen Milaan en Nice en keerde in 1886 definitief naar Milaan terug waar hij zich weer aansloot bij zijn vader en broer die inmiddels zelfstandig waren geworden.
Voor zijn vertrek naar Nice, had Riccardo zich erg bekommerd om zijn jongere broer Romeo. Al zijn kennis over techniek en over de ontwikkelingen binnen de Europese muziekwereld had hij aan hem doorgegeven. Maar tijdens de afwezigheid van Riccardo was Romeo een eigen weg ingeslagen: geen Franse bouwstijl, maar terug naar die van Ceruti, leermeester van Gaetano en vooral erfgenaam van de Cremonese meesters.
Leandro Bisiach
In 1886 ontmoette Riccardo Leandro Bisiach, een man die vioolbouwer wilde worden, maar ook grote zakelijke ambities had. Riccardo nam hem als leerling aan, maar al snel waren de rollen omgedraaid. Bisiach begon een eigen bedrijf en nam Riccardo in dienst. Binnen enkele jaren had Leandro Bisiach een imperium opgebouwd dat de handel in strijkinstrumenten in Noord Italië in handen had. Riccardo werd de belangrijkste medewerker in zijn atelier. Nadat Bisiach een grote naam had verworven, vermeldde Riccardo Antoniazzi op zijn etiket dat hij Leandro Bisiach’s leermeester was geweest. Naast zijn werk voor Bisiach, bouwde hij vanaf 1883 ook instrumenten op eigen naam.
De instrumenten van Riccardo Antoniazzi waren ‘on-Milanees’; ze konden zich meten met het beste dat er in Europa werd gebouwd.
Tussen 1880 en 1890 bouwden de Antoniazzi’s instrumenten die erg leken op die van de Cremonese Ceruti. Milaan stond niet bepaald bekend als een stad waar grote vioolbouwers vandaan kwamen; Hill had ze ooit ‘Cheapjacks’ genoemd, makers van goedkope en inferieure instrumenten. Die van Riccardo Antoniazzi waren in ieder opzicht ‘on-Milanees’; ze konden zich meten met het beste dat er in Europa werd gebouwd. Later werden ze door anderen als echte Ceruti’s verkocht en brachten véél meer op dan onder de naam van hun werkelijke maker. Van instrumenten uit die tijd waarin Riccardo’s eigen etiket nog staat, zijn er maar weinig bewaard gebleven.
Antoniazzi’s vroege instrumenten worden, onder andere door Gindin (2017), in stilistisch opzicht het meest interessant beschouwd omdat zij onmiskenbaar hun laat-Cremonese wortels verraden. In 1894 deden Riccardo en zijn vader mee met een tentoonstelling in Milaan waar hij wèl en zijn vader geen medaille won.
De Antoniazzi’s misten ieder zakelijk inzicht, in tegenstelling tot Bisiach. Met uitzondering van enkele maanden in 1907 heeft Riccardo nooit officieel en permanent geregistreerd gestaan als onafhankelijke vioolbouwer; in plaats daarvan wisselde hij tussen vioolbouw en ander handwerk, vrijwel altijd werkend voor andere firma's.
In 1889 had Bisiach een grote werkplaats geopend naast een succesvol bedrijf in oude muziekinstrumenten. Het lijkt erop dat in het begin van de jaren 1890 alle drie de Antoniazzi's al voor hem werkten en enkele van de beste Milanese instrumenten ooit maakten (Blot, 1995). Hoewel stilistisch niet helemaal ‘puur’, zijn dit misschien wel de meest 'klassieke Cremonese' van de Milanese instrumenten sinds de vroege werken van Giovanni Grancino.
Riccardo, en in mindere mate Romeo, kreeg geleidelijk meer invloed in de werkplaats van Bisiach. Dat ging zo ver dat vanaf het midden van de jaren 90 de stijl van de Bisiach-instrumenten geleidelijk mee veranderde met de manier waarop Riccardo en Romeo zich ontwikkelden. De instrumenten die zij voor Bisiach bouwden werden steeds meer Cremonees, de traditionele Milanese bouwwijze werd volledig aan de kant gezet.
Vast staat dat Bisiachs grote hoeveelheden oud uitziende instrumenten opkocht die hij in zijn ateliers liet verbouwen tot ‘echte meesters’, waarna hij ze onder een vals label weer verkocht. Mede hierdoor heeft Bisiach fortuinen verdiend. Door deze vervalsingen werd hij enige tijd alom gewantrouwd. Daar Ricardo jaren lang grote invloed had binnen het atelier, is hij zonder twijfel van deze praktijken op de hoogte geweest. Hij was alleen niet in de positie om daar tegen in te gaan.
‘Je weet dat ik je in het verleden erg heb geholpen bij jouw kunst … , ik heb je tot artiest gemaakt en je met prijzen grote faam bezorgd’
Bisiach, die in korte tijd rijk geworden was, kocht een villa net buiten Milaan en een huis in de stad waar Riccardo en Romeo in mochten wonen. In 1897 stierf Gaetano Antoniazzi. Niet lang daarna ging Riccardo voor korte tijd de gevangenis in wegens diefstal. Waarschijnlijk was dat het begin van een periode van onenigheid tussen Bisiach en Riccardo die resulteerde in een breuk tussen beiden. Riccardo moest Bisiach’s huis verlaten. Riccardo schreef hem vanuit de gevangenis: ‘Je weet dat ik je in het verleden erg heb geholpen bij jouw kunst … , ik heb je tot artiest gemaakt en je met prijzen grote faam bezorgd. Nu verzoek ik je om aan mijn broer te zeggen een paar sokken te sturen, daar ik op dit moment helemaal zonder zit’.
In hoeverre hij na zijn vrijlating nog voor Bisiach gewerkt heeft is niet bekend. Bisiach zat inmiddels op de mooiste locatie van Milaan, de Piazza del Duomo. In 1904 beëindigen zij hun relatie definitief en gaat Riccardo als vioolbouwer en reparateur voor de firma Monzino & zoon werken.
Bron: Benjamin Hebbert
Monzino & zoon was een al oud maar tamelijk onaanzienlijk bedrijf dat ook andere instrumenten verkocht. Riccardo was bij Bisiach een goede leermeester geweest, ook bij Monzino leidde hij veel anderen op. Deze prees zich gelukkig de belangrijkste medewerker van Bisiach in dienst te kunnen nemen en bood Riccardo Antoniazzi in 1904 een contract aan.In 1906 kreeg Riccardo van Monzino de opdracht om elf instrumenten te maken voor de tentoonstelling die nog dat jaar in Milaan gehouden zou worden. Voor Monzino hing er kennelijk veel van af want Riccardo mocht zelf uitmaken met wie hij deze opdracht zou uitvoeren. Met een altviool van Riccardo’s hand ging de eerste prijs naar Monzino. Riccardo’s naam werd nergens genoemd.
Hoewel de Antoniazzi's er nooit in slaagden hun krachten te bundelen tot een gemeenschappelijk bedrijf, bouwden Riccardo en Romeo samen in deze tijd ook op grote schaal zelfstandig mooie instrumenten. Bisiach had nieuwe leerlingen aangenomen, waaronder een aantal zeer getalenteerde bouwers en ging de concurrentie met de Antoniazzi’s aan. De broers verhoogden waarschijnlijk om die reden hun productie, met als gevolg dat de kwaliteit van de instrumenten die Riccardo voor zichzelf bouwde achteruit ging.
Vanaf 1910 ging Riccardo Antoniazzi’s gezondheid achteruit. Hij bleef nog wel voor Monzino werken, maar deed dat thuis. De prijs die hij contractueel van Monzino voor een viool kreeg, bedroeg net iets meer dan het dagloon dat hij bij Bisiach had ontvangen. De mooiste instrumenten uit Milaan in die tijd waren door Riccardo Antoniazzi gebouwd, maar onderbetaald en ondergewaardeerd stierf hij in 1912.
In de muziekwereld was hij een bekende en gewaardeerde figuur geweest, niet alleen als vioolbouwer, maar ook als violist en luitist. In dezelfde krant die zijn necrologie publiceerde, werd hij naast vioolbouw ‘werker’ ook de viool ‘professor’ genoemd; zijn kennis over het instrument was kennelijk de moeite van het vermelden waard geweest.
Tijdens zijn loopbaan heeft Riccardo Antoniazzi een aanzienlijk aantal verschillende stijlen en manieren van werken gehanteerd. De vroege instrumenten van Riccardo Antoniazzi zijn eigen varianten van Amati en van Stradivari. Sommige zijn losjes gebaseerd op Guarneri 'del Gesù’, maar ook die hebben wel weer een eigen Antoniazzi-karakter.
Voor Bisiach bouwde hij aanvankelijk veel op de Franse leest geschoeide instrumenten, maar ging geleidelijk over op die van Ceruti. Na zijn vertrek bij Bisiach sloeg hij een meer experimentele weg in die voor zijn tijd zelfs ‘excentriek’ genoemd kan worden (Gindin).
De kenmerken van de latere instrumenten van Riccardo en Romeo lopen enigszins uiteen. Over het algemeen is Riccardo's werk superieur aan dat van zijn jongere broer; Romeo's instrumenten zijn talrijker en zijn productie nam na Riccardo’s dood verder toe, maar dat ging wel ten koste van de kwaliteit.
Riccardo en Romeo stonden bekend om hun productiesnelheid. Voor de kwaliteit van het instrument zelf had dit geen gevolgen, die bleef goed, alleen de lak moest het ontgelden
Het is zelfs voor experts niet altijd eenvoudig om instrumenten door Riccardo gebouwd ook daadwerkelijk aan hem toe te schrijven. Zeker vanaf 1905 wordt dat minder gemakkelijk. Hij bouwde instrumenten wel grotendeels zelf, maar liet ook anderen onderdelen maken. Dat was onder anderen Erminio Farina, van wie sommige instrumenten later weer aan Riccardo Antoniazzi werden toegeschreven of onder diens naam werden verkocht.
Riccardo en Romeo stonden beiden bekend om hun hoge productiesnelheid. Voor de kwaliteit van het instrument zelf had dit geen gevolgen, die bleef goed, wel moest de lak het ontgelden. De droogtijd daarvan moest kort zijn met als gevolg een dunne, harde en kwetsbare afwerklaag.
Veel bouwers uit Milaan gebruikten in die tijd eenvoudig lokaal gevonden hout, maar Riccardo Antoniazzi wist met behulp van Bisiach, die goede handelscontacten had, aan prachtig materiaal te komen.
Vele van zijn violen zijn lang, met mooie randen, subtiel gevormde korte hoekpunten en gewelfde, zorgvuldig gesneden f-gaten, soms iets hoger dan gebruikelijk geplaatst.

Brandmerk Riccardo Antoniazzi
De meeste instrumenten van Riccardo zijn aan de achterkant voorzien van grote pinnen waarmee hij het blad tijdens het maakproces vastzette, net zoals de Ceruti’s deden. Een andere overeenkomst met de Ceruti’s was de keuze van zijn brandmerk: een kleine cirkel met bovenaan een kruis en zijn initialen 'AR' erin. Bij Ceruti stond dat op het etiket, Riccardo Antoniazzi brandde het bovenaan op het achterblad.
Op zijn etiket vermeldde hij de leerling van Gaetano, zijn vader, te zijn geweest.
Gindin D., 2018, The late Cremonese Violin Makers, Cremona.
Gindin, D., 2017, Modern Italian Violin Makers, Vol 1. Cremona
Kass P. J., 2007, The Bisiach Family, Londen.
Kass P. J., 2007, Selected World of Strings Newsletters, Londen.
Azzolina U., Italian Violin Making in the 1800s and 1900s, Milaan.
Codazzi R., 2002, La Liuteria Lombarda del ‘900, Brescia.
Blot E., 1994, Emilia e Romagna. Un secolo di liuteria italiana, 1860-1960, Cremona.
Hamma W., 1993, Meister Italienischer Geigenbaukunst, Wilhelmshaven.
Vannes, R., 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers, Brussel.
Brinser M., 1978, Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers.
Henley W., 1969, Universal Dictionary of Violin & Bow Makers. Brighton.
Tarisio. The Cozio archive, bezocht in 2020.