
viool
Diana Fakour

*1828 , Musiano (Pianoro) †1898 , Bologna
In de heuvels iets ten zuiden van Bologna werd Raffaele Fiorini in 1828 geboren als zoon van Petronio Fiorini en Orsola Dozza. Al jong verhuisde hij met zijn ouders van Musiano, iets ten zuiden van Bologna naar het gehucht Bazzano, dat 25 kilometer verderop lag. Daar begon zijn vader als molenaar van een houtzaagmolen. Raffaele hielp hem daarbij en nam de molen later van hem over. Naast zijn werk als molenaar schilderde Raffaele en speelde hij ook graag en veel viool. In Bologna ontmoette hij rond 1848 Giovanni en Ignazio Tadolini (resp. 1789-1872, 1797-1873), twee musici die in Parijs geleerd hadden om violen te bouwen. Zijn biograaf De Piccolellis vermeldde dat Raffaele bij hen in de leer is geweest, maar dat kan niet met zekerheid vastgesteld worden. Wel zeker is dat hij tussen 1848 en 1867 veel contacten onderhield met verschillende Bolognese bouwers. In Bazzano bouwde hij rond 1858 zijn eerste violen. Aangemoedigd door Carlo Verardi, een vooraanstaande jonge violist, verhuisde hij naar Bologna om daar een atelier te beginnen.
Het moment was goed gekozen; Bologna begon net weer op te leven van de Franse overheersing. De stad werd weliswaar opnieuw een van Pauselijke Staten, maar zag toch kans om belangrijke profane instellingen weer nieuw leven in te blazen. De Universiteit, die de oudste van Europa was, en het conservatorium trokken weer jonge wetenschappers en kunstenaars aan en er ontstond een nieuwe financiële en culturele elite. Zij financierden concerten, maar zetten ook de toon voor wat hun muzikale voorkeuren betreft. Als reactie op de Franse invloed, stimuleerden zij een nieuwe Italiaanse muzikale renaissance. Er ontstonden twee stromingen: die van de grote Italiaanse opera’s, veelal de voorkeur van de burgers en een tweede, die van kamermuziek, waar de strijkers de voorkeur genoten van de elite. In beide stromingen heerste er nog wel de oude Franse revolutionaire opvatting dat cultuur voor alle lagen van de bevolking toegankelijk en dus gratis moest zijn. Het aantal concerten en opera’s nam snel toe, waar musici en vioolbouwers van profiteerden.
Raffaele Fiorini maakte kennis met de vele jonge violisten die aangetrokken werden door een nieuwe, succesvolle methode waarop strijkers aan het conservatorium van Bologna leerden spelen. Die toestroom zette zich nog eens voort toen in 1860 de cellist Francesco Serato (1848-1919) en docent aan de Muziek Academie een cello-opleiding begon die veel jonge cellisten trok. De academie werd een van de belangrijkste centra voor strijkers in Italië. Mèt de toenemende vraag naar strijkinstrumenten groeide de behoefte aan vioolbouwers in de stad. Fiorini werd daar al snel de belangrijkste van. Vooraanstaande financiers verbonden zich gemakkelijk met de culturele elite in de stad, waardoor ook vioolbouwers hoog in aanzien kwamen te staan. Gezien het feit dat Raffaele Fiorini zijn atelier in het paleis van de familie Pepoli kon openen geeft wel aan dat hij in hoog aanzien stond.
Uit beschrijvingen kan worden opgemaakt dat Palazzo Pepoli Vecchio een centrum van verfijnde kunstzinnigheid was. Gezien de voortreffelijke artistieke kwaliteit van Fiorini’s werk paste het atelier daar goed in. Hij richtte het rond 1867 in en het atelier bleef in het Palazzo tot ver na zijn dood. Al snel verdiende hij een ‘welverdiende achting door zijn eerlijkheid en goede karakter’, en had verschillende getalenteerde medewerkers gevonden die hij met zorg uitgekozen had. Hij ontwikkelde een efficiënte werkwijze en genoot aanzien in heel Bologna.
Onder de invloed van andere vioolbouwers die zijn werkplaats bezochten of er tijdelijk werkten, verfijnde hij zijn werkwijze aanzienlijk. In 1861 was in Bazzano zijn enige zoon Giuseppe geboren. Op vijftienjarige leeftijd begon Giuseppe als leerling in het atelier van zijn vader en werd een van zijn vaste medewerkers. Veel leerlingen, waaronder Giuseppe, werden later grote bouwers. In 1877 vertrok Giuseppe Fiorini en nam Cesare Candi (1869–1947) zijn plaats in.
In 1894 ontfermde Fiorini zich over Augusto Pollastri (1886-1960), een jongen van negen jaar wiens vader in dat jaar gestorven was en die de zorg voor zijn drie jaar jongere broer Gaetano had. Raffaele Fiorini liet Augusto klusjes voor hem opknappen en leerde hem later het vioolbouwvak. Augusto bleek erg getalenteerd, werd Fiorini’s assistent en beoogd opvolger. Zowel Augusto Pollastri als zijn broer Gaetano zouden later grote vioolbouwers worden.
In 1881 deed Raffaele voor het eerst mee aan een belangrijke internationale tentoonstelling in Milaan, een jaar later in Arezzo waar hij een zilveren medaille won. Ook twee jaar later op de tentoonstelling in Turijn won hij zilver. In de jaren daarna nam hij deel aan veel tentoonstellingen in heel Europa.
Zijn werkwijze werd eerst overgenomen door enkele bouwers in de stad, later volgden veel anderen uit de hele streek Regio Emilia Romagna. Fiorini wordt dan ook beschouwd als de grondlegger van de Romagnese vioolbouwtraditie.
Toen de gezondheid van Raffaele Fiorini rond 1885 achteruit ging, nam Augusto Pollastri geleidelijk aan belangrijke taken van hem over. Augusto bleek echter een groter talent voor vioolbouw te hebben dan voor het leiden van het atelier. Het werd na Fiorini’s dood in 1898 voortgezet door zijn oudste werknemer Armando Monterumici (1875-1936). Augusto begon in dat jaar voor zichzelf. In het palazzo Pepoli is niets meer van zijn atelier terug te vinden; wel staan er enkele instrumenten van hem in Bologna tentoongesteld.
Raffaele Fiorini was de eerste die de Bolognese vioolbouw weer nieuw leven inblies nadat het tot halverwege de negentiende eeuw vrijwel volledig was stilgevallen. Hij ging weer terug naar de modellen van Cremonese meesters, maar gebruikte daarbij een werkwijze die de Tadolini’s en paar Franse bouwers enkele jaren eerder uit Parijs naar Italië mee hadden gebracht.
De instrumenten die Raffaele Fiorini zelf heeft nagelaten verschillen nogal van elkaar. Duidelijk is dat hij veel geëxperimenteerd heeft en pas rond 1880 tot een definitieve vorm kwam. Deze late instrumenten zijn belangrijk; ze hebben nog maar vaag iets weg van de samenvoeging tussen Guarneri en Amati en vertonen meer persoonlijke kenmerken.
Ter hoogte van de randinleg verdiepte hij de welving, waardoor zijn instrumenten een markant uiterlijk kregen. De inleg zelf was smal en fijn. Als ondergrond gebruikte hij goudgele lak met daaroverheen een diep rood-bruine afwerklaag. Er zijn nog maar weinig instrumenten van Raffaele Fiorini over, met name de cello’s zijn zeer gezocht. Ze zijn iets kleiner dan toen gebruikelijk was en komen meer overeen met het huidige formaat.
De invloed die Raffaele Fiorini heeft gehad op de manier van bouwen in de streek Emilia Romagna is erg groot geweest; zijn werkplaats werd veel bezocht door bouwers uit de streek en hij ondersteunde ze bij hun werk. Fiorini’s ‘Bolognese’ bouwstijl is terug te vinden bij veel latere vioolbouwers in Bologna. De bekendste leerlingen van Raffaele Fiorini waren; Augusto Pollastri, Oreste Candi, zijn zoon Giuseppe Fiorini en Armando Monterumici. Door hen verspreidde de invloed van Fiorini zich over heel Noord-Italië.
De viool van Raffaele Fiorini die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft dateert van 1882, hetzelfde jaar waarin hij zilver won op de tentoonstelling in Arazzo.
Strocchini, G., 2015, Liutai Romagnoli, Cremona.
Piccolellis de, G., 2007, Fiorini, Liutai antichi e moderni, Bologna.
Maragi, M., 2000, Cincquecente anni del Monte di Bologna, Bologna.
Panorama of Modern Bolognese Violin Making: Influences and Relationships, 2002, The Scientific Committee "Il Suono di Bologna”, Bologna.
Versari A., 2002, Modern Violin Making in the Emilia-Romagna Region. Bologna.
Blot E., 2001, 1860-1960 - A century of Italian Violin Making - Emilia e Romagna, Cremona.
Brinser M., 1978 Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers, Bologna - A living tradition of Violin Making, zp.
Brinser M., 1978 Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers, Bologna - A living tradition of Violin Making, zp.