
cello
Mascha van Nieuwkerk

*1862 , Pieve di Cento (Bologna) †1922 , Pieve di Cento

Orsolo Gotti werd geboren in Pieve di Cento, een klein plaatsje bij Bologna in de streek Emilia-Romagna. In de tijd dat Gotti aan zijn loopbaan begon, hadden veel bouwers er ook een ander beroep bij. Van vioolbouw alleen konden de meesten niet leven. Ook Gotti kon dat niet; hij begon als timmerman en legde zich pas toe op het bouwen van violen toen hij daar in zijn levensonderhoud mee kon voorzien. Hij was toen 30 jaar oud. Het waren zijn aanleg en toewijding die hem tot een zéér bedreven vioolbouwer maakten.

Leandro Bisiach in zijn atelier
Orsolo Gotti’s eerste leermeester was Carlo Carletti (1873-1941). Carletti was begonnen als antiquair, maar specialiseerde zich in de loop van de jaren in antieke muziekinstrumenten. Dat had hem in contact gebracht met belangrijke bouwers als Ettore Soffritti (1877-1928) en Leandro Bisiach (1864-1946). Hij werd gegrepen door het werk van deze vioolbouwers en leerde het vak van hen.
Carlo Carletti zette een eigen werkplaats op en breidde al snel uit naar Pieve, Cento, Bologna en Ferrara. Het bedrijf leidde hij samen met zijn vier zonen en een neef. Nadat Orsolo bij hem in dienst was gekomen, kreeg hij na verloop van tijd de leiding in werkplaats van Cento. Carletti bouwde goede instrumenten die veel weg hadden van zijn beide leermeesters Bisiach en Soffritti.
In 1902 kreeg Orsolo een zoon, Anselmo (1902-1962). Ook hij ging bij Carlo Carletti in de leer, na eerst een opleiding tot meubelmaker te hebben gevolgd. Anselmo bleek erg getalenteerd en bouwde later voortreffelijke instrumenten.
Werkplaats Luigi Mozzani. Foto met dank aan Lorenzo Frignani
In Cento stond ook een van de vele ateliers van Luigi Mozzani (1869-1943). Mozzani was ondernemer, hoboïst en klassiek gitarist. Als hoboïst had hij in het New York Philharmonic Orchestra gespeeld, later genoot hij als gitarist een ongekende populariteit en was voortdurend op tournee. Hij had zelf gitaren leren maken naar Guadagnini en liet die in zijn ateliers in grote hoeveelheden nabouwen. Tussen 1908 en 1915 bouwden Gotti en Carletti voor hem violen en cello’s. Luigi Mozzani wilde in 1917 zijn activiteiten uitbreiden met een grote werkplaats waar strijkinstrumenten op een fabrieksmatige manier gebouwd konden worden. Orsolo, zijn zoon Anselmo en Carlo Carletti hielpen Mozzani met het opzetten daarvan. Naast strijkinstrumenten werden er ook grote hoeveelheden gitaren en mandolines gemaakt.
In de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog heerste er in Noord-Italië een optimisme, dat voortkwam uit een rotsvast geloof in vooruitgang door wetenschap en techniek. Ook Mozzani was daardoor gegrepen en gebruikte nieuwe technieken om op grote schaal instrumenten te bouwen. Orsolo Gotti had hem daar weliswaar bij geholpen, maar bleef zelf liever op de traditionele manier werken. Daarvoor ging hij naar Ettore Soffritti in Ferrara waar hij kennismaakte met diens opmerkelijke nauwgezetheid, zijn puurheid en met zijn markante werk. Veel van Soffritti’s manier van werken nam hij over.
Augusto Pollastri, de laatste leermeester van Gotti
Zijn laatste leermeester werd Augusto Pollastri (1877-1927), de meest getalenteerde leerling van Raffaele Fiorini (1828-1898). Pollastri was een van de belangrijkste bouwers uit de streek geworden die bekend stond om zijn mooie lakwerk. Van hem leerde Gotti veel over het bereiden van lakken en de toepassing ervan. Deze kennis gebruikte hij later bij het antiqueren van zijn beste instrumenten.
In 1916 begon hij zijn eigen werkplaats in zijn geboorteplaats Pieve di Cento. Twee jaar later voegde Anselmo zich bij hem. Samen bouwden ze instrumenten naar Orsolo’s eigen model, later hielp Anselmo zijn vader om instrumenten te bouwen naar die van de grote meesters.
Orsolo stierf in 1922. Na de dood van zijn vader vertrok Anselmo uit Pieve di Cento en ging naar Ettore Soffritti, de leermeester van zijn vader, in Ferrara. Pas in 1931 keerde hij naar Pieve terug en opende dicht bij het vroegere atelier van zijn vader zijn eerste eigen werkplaats. Na enkele jaren in Wenen gewerkt te hebben, vestigde Anselmo Gotti zich definitief in Ferrara. De werkplaats van zijn vader nam hij niet over. Deze bleef definitief gesloten.
In de streek Emilia-Romagna, waar Gotti geboren werd en zijn hele leven bleef wonen, was Bologna het centrum van de vioolbouwkunst. Dat was het geworden nadat Italië aan het eind van de achttiende eeuw was getroffen door een grote malaise op het gebied van vioolbouw. In Bologna was die weer opgekrabbeld. De Emiliaanse bouwers borduurden voort op de ‘klassieke periode’, maar nu zonder grote Emiliaanse voorgangers te kopiëren. Zij ontwikkelden een geheel eigen stijl, wel gebaseerd op hun voorgangers, maar personaliseerden die sterk. Raffaele Fiorini wordt gezien als de grondlegger van de Emiliaanse school. Hoewel hij zelf weinig belangrijke instrumenten heeft nagelaten was hij inspirator voor veel andere, soms grote bouwers in de streek. Zijn levendige atelier werd druk bezocht door nieuwsgierige collega’s. De Emiliaanse school beperkte zich niet alleen tot Bologna en Ferrara waar Gotti begon, maar strekte zich in de loop van de jaren uit van Piacenza tot Ravenna.
Sommige bouwde hij zo nauwgezet na en antiqueerde ze vervolgens zo knap dat zij later door handelaren verkocht zouden worden als de originele
Naast zijn eigen model dat nog enige verwantschap vertoonde met Carletti, maakte Orsolo violen en cello’s naar Gagliano, Stradivari, Amati en Montagnana. Sommige bouwde hij zo nauwgezet na en antiqueerde ze vervolgens zo knap dat zij later door handelaren verkocht zouden worden als de originele.
Achterblad van de cello (rond 1900) in de collectie van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds
Veel van de violen die hij naar zijn eigen model bouwde hadden een achterblad van elzen- of populierenhout, houtsoorten die gebruikt werden door sommige bouwers van klassieke gitaren in de streek Emilia-Romagna. De zijkanten van deze instrumenten maakte hij wel van het gebruikelijke esdoornhout. De klank van deze instrumenten wordt over het algemeen zeer gewaardeerd.
Orsolo Gotti won twee keer een eerste prijs op tentoonstellingen in Rome. De eerste keer in 1915 en de tweede keer in 1920. Musea in Florence en Palermo hebben een instrument van Gotti opgenomen in hun collectie.
Gotti gebruikte een gedrukt etiket: Gotti Orsolo, Pieve di Cento (Ferrara) met daarop een handgeschreven datum.
De cello die Het Muziekinstrumentenfonds van Orsolo Gotti in de collectie heeft, is vermoedelijk van rond 1900. Ook dit instrument heeft een achterblad van elzen- of populierenhout (zie foto).
Panorama of Modern Bolognese Violin Making: Influences and Relationships, 2002, The Scientific Committee "Il Suono di Bologna”, Bologna.
Historisch archief gemeente Pieve di Cento; comune.pievedicento.bo.it.
Versari A., 2002, Modern Violin Making in the Emilia-Romagna Region. Bologna.
Blot E., 2001, 1860-1960 - A century of Italian Violin Making - Emilia e Romagna I, Cremona.
Vannes R., 1985, Dictionnaire Universel des Luthiers. Bruxelles.
Brinser M., 1978 Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers, Bologna - A living tradition of Violin Making, zp.