
viool
Cecilia Bernardini

*1596 , Cremona †1684 , Cremona

De pestepidemie die in 1630 begon, gooide roet in het eten. Overal stierven er in korte tijd veel burgers. Ook Cremona ontkwam daar niet aan. Nicolò’s ouders stierven al in het eerste pestjaar kort na elkaar. Nadat de epidemie voorbij was had Nicolò de grootste moeite om het bedrijf overeind te houden. De gevolgen van de pest ijlden nog lang na en in dure Amati violen waren de meeste musici nog niet direct geïnteresseerd. Pas vanaf 1641 was het herstel in Europa merkbaar en werden er weer instrumenten besteld bij Nicolò Amati. Hij nam mensen van buiten de familie aan, waaronder Andrea Guarneri.
Nicolò Amati kocht even buiten de stad een stuk land om zijn uitbreiding te kunnen realiseren, maar een plunderend leger dat op veldtocht was, verwoestte alles. Bijna tot aan zijn dood moest hij de schulden afbetalen die daardoor waren ontstaan. Noodgedwongen bleef hij in zijn oude werkplaats.
Nicolò kreeg acht kinderen waarvan hij de tweede naar zijn vader noemde: Girolamo. Girolamo werd in de werkplaats van Nicolò opgeleid en rond 1660 werd hij zijn assistent. Nicolò was toen al zestig. Nicolò Amati stierf op 87 jarige leeftijd. Hij had de instrumenten van zijn vader en grootvader verbeterd, een iconische firma geleid en werk nagelaten dat nog twee eeuwen na zijn dood de standaard in de vioolbouw zou blijven.
Dat Cremona ten tijde van Nicolò’s geboorte veruit de belangrijkste stad voor de vioolbouw was, had te maken met het samenvallen van geografische en historische ontwikkelingen. De stad lag op een kruispunt van grenzen en wegen die een groot netwerk vormden waarmee het verre oosten met het westen en Noord Europa met Turkije verbonden waren. Er vond een levendige handel plaats in gespecialiseerde gereedschappen, instrumenten, hout, olie, mineralen, verfstoffen, lijmen, leer, boeken en edelmetalen. Cremona leefde van de handel. Maar daarnaast werden ook nieuws, verhalen en muziek uit de vier windstreken uitgewisseld. Kennis over muziekinstrumenten uit de belangrijkste gebieden in Europa als het Duitse Füssen, Parijs en de Lage landen, behoorde daar ook toe.
De grootvader van Nicolò, Andrea Amati, had goed gebruik weten te maken van deze kennisuitwisseling. Hij was waarschijnlijk de eerste, maar zeker de meest innovatieve onder de vioolbouwers in zijn tijd. Over zijn werk is maar weinig bekend; nog minder weten we met zekerheid over zijn leven. Wel is het meer dan een vermoeden dat hij als eerste een vierde snaar toevoegde aan de viool die hij eerder al in zijn huidige vorm had ontwikkeld. Daardoor was zijn naam al halverwege de zestiende eeuw in heel Europa een begrip geworden. Die bekendheid leidde ertoe dat hij voor de Franse koning 38 instrumenten, beschilderd met het wapen van de vorst, mocht maken. Er zijn aanwijzingen dat Andrea Amati tegen het eind van zijn loopbaan de bescherming genoot van het Franse en Spaanse hof.
In 1567 werd Claudio Monteverdi in Cremona geboren. De muziek van deze verfijnde componist en musicus drong door tot de hoven en muziekcentra in heel Europa. Zijn muziek was vernieuwend en toen hij de eerste opera geschreven had en daarmee grote successen boekte, zette hij zijn geboortestad Cremona op de kaart. Aan de belangrijkste Europese hoven waren muziekgezelschappen verbonden die zijn muziek graag uitvoerden. Het vergde een grote virtuositeit van de musici die alleen maar bereikt kon worden met de beste instrumenten die er beschikbaar waren. In hoeverre Monteverdi voor die instrumenten naar de bouwers in zijn geboortestad verwezen heeft is niet bekend, maar zeker is dat Amati uit Cremona voor iedere musicus een bekende naam werd; de Amati-viool was norm en maat geworden en werd door zo ongeveer iedere vioolbouwer gekopieerd. Zo vond de Amati-viool zijn weg naar alle hoeken van Europa.
Nicolò werd geboren in het huis waar zijn grootvader Andrea in begonnen was. Het was een klein huis in de kleine wijk St. Faustino e Giovita waar ook veel kunstenaars en ambachtslieden woonden. Het beschikte over een werkplaats, een winkel, een woonvertrek, een patio en had een eigen bron. Zijn vader was er na zijn huwelijk in blijven wonen en Andrea was er in gestorven. In dat ‘Casa d’Amati’ woonde Nicolò de eerste jaren van zijn leven met een steeds verder groeiend gezin en een dochter uit zijn vaders eerste huwelijk.
Zijn grootvader, die in 1577 overleed, had het huis en de werkplaats nagelaten aan Nicolò’s vader Girolamo en aan zijn andere zoon Antonio. Na tien jaar van samenwerking hadden zich de wegen van de beide broers gescheiden. Antonio vestigde zich een eindje verderop en specialiseerde zich in luiten. Girolamo bleef er nog enkele jaren wonen en kocht in 1583 een fors huis met verschillende vleugels en een binnenplaats achter de Contrada del Coltellai, een grote vooruitgang ten opzichte van het huis waarin zijn vader in 1538 was begonnen. (Kass)
Hargrave meent goede redenen te hebben om te stellen dat, om aan de vraag naar Amati’s instrumenten te kunnen voldoen, Girolamo’s productie al rond 1590 zo aanzienlijk was dat er werk was voor ongeveer tien goed opgeleide medewerkers. Daarbij verkocht Girolamo ook strijkstokken, snaren en accessoires. Hij leidde een goed georganiseerd bedrijf.
Na een eerder huwelijk trouwde Girolamo Amati in 1593 met Laura de’ Medici Lazzarini, een van de verre verwanten van de de’ Medici’s. Toen Nicolò op 3 december 1596 uit dit huwelijk werd geboren, was zijn vader eigenaar van de belangrijkste werkplaats in Italië.
Nicolò begon al jong in de werkplaats van zijn vader; eerst leerde hij de techniek van de vioolbouw, maar later ook hoe een groeiend bedrijf geleid moest worden. Op zijn 20ste was Nicolò zover dat hij een belangrijke rol in het bedrijf op zich kon nemen; Girolamo was al op leeftijd en had zijn handen vol aan juridische kwesties. Nicolò wilde graag uitbreiden en vroeg de echtgenoten van twee zussen, Vincenzo Tili en Domenico Moneghini, deel te nemen in het bedrijf. Aan het eind van de jaren 1620 werkten zij op de een of andere manier in de Amati-werkplaats, waarschijnlijk met de bedoeling om echte zakenpartners te worden.
Nicolò had rond 1629 een aanzienlijk vermogen bij elkaar verdiend. Dat wilde hij gebruiken om zijn bedrijf uit te breiden, niet binnen de stadsgrenzen, maar net daarbuiten, waar hij meer ruimte had. Daartoe kocht hij in 1630 een stuk land met daarop een huis en schuren. Kort na de aankoop werd het echter al onder de voet gelopen door groepen plunderende soldaten van het 36.000 man tellende leger dat op weg was naar Mantua. Ondervoed en onderbetaald roofden de soldaten alles dat zij mee konden nemen; de rest van Amati’s eigendommen werd platgebrand. Van het weer opbouwen daarvan kwam het echter niet. De pest die in 1630 uitbrak, gooide alles overhoop.
Cremona werd ernstig getroffen. In een paar dagen, tussen eind oktober en begin november, leidde de ziekte tot de dood van Nicolò’s beide ouders en twee van zijn zussen. Na twee jaar was drie kwart van de burgers in Cremona dood of gevlucht naar het platteland. In heel Europa stierven miljoenen mensen met alle gevolgen van dien. De muziekcultuur stortte grotendeels in en vrijwel niemand had nog behoefte aan de dure instrumenten uit Cremona. Alleen de rijke Europese hoven en vermogende adel konden zich nog Amati’s veroorloven. In 1632 bestelde de Franse koning bij Amati een instrument voor zijn orkest ‘Les Vingt-Quatre Violons du Roi’. De plaag had ook tot gevolg gehad dat al Nicola’s concurrenten in Europa ten onder waren gegaan. Amati was drie jaar na de uitbraak als enige vioolbouwer van naam overgebleven.
De crisis, maar ook onhandige financiële transacties van zijn zwager, zorgde voor conflicten binnen de familie. Zozeer zelfs dat Nicola bemiddelaars en juristen inhuurde. Die juridische strijd duurde jaren. Nicolò bleef eigenaar van het bedrijf, maar de kosten waren hoog geweest. Het duurde bijna tien jaar voor het leven weer zijn normale gang ging.
Uit archiefstukken blijkt dat de werkplaats na 1640 veel inwonende leerlingen telde waaronder Giacomo Gennaro, Francesco Ruggeri, Andrea Guarneri en Giovanni Battista Rogeri. Externe leerlingen of medewerkers waren er ook, maar hoeveel dat er waren is niet bekend. Nicola had geen leverancier. Snaren, strijkstokken, stempennen, alles moest in de werkplaats gemaakt worden; het was laaggeschoold werk dat vermoedelijk door plaatselijke jongens werd gedaan. Hargrave vergeleek verschillende bouwers met elkaar en kwam tot de conclusie dat Nicolò Amati rond 1641 het grootste vioolbouwbedrijf in Italië leidde en wellicht in de hele wereld. In ‘Casa Amati’ woonden in 1645 acht familieleden in voortdurend wisselende samenstelling en enkele bedienden. Nicola was beroemd en vermogend, maar ondanks zijn 47 jaar nog niet getrouwd.
Van al zijn medewerkers van wie vaststaat dat zij leerlingen geweest zijn was Andrea Guarneri de belangrijkste. Hij bleek getalenteerder dan de anderen en ontwikkelde zich tot Nicolò's rechterhand. Andrea Guarneri was zo betrokken bij de Amati’s dat hij als getuige werd gevraagd bij het huwelijk dat in 1645 gesloten werd tussen Nicolò en Lucrezia Pagliari, dochter van Giovanni Battista Pagliari. Met haar kreeg hij negen kinderen.
Inmiddels had hij het oude Casa d’Amati uitgebreid met enkele kamers tot een groter onderkomen. Het huis telde nu enkele vleugels met meerdere woon- en werkvertrekken en een grote binnenplaats met ook daar weer een eigen waterput. Het bood onderdak aan Nicolò’s eigen gezin, aan een aanzienlijk aantal familieleden dat er in wisselende samenstelling leefde en aan drie of vier medewerkers die vaak voor medere jaren bij hem inwoonden. Ook waren er twee huishoudelijke hulpen intern.
Alleen zijn tweede zoon Girolamo, die in 1649 geboren werd, had belangstelling voor het vak van vioolbouwer. Vermoedelijk speelde Andrea Guarneri, de naaste assistent van Nicolò, een belangrijke rol bij de opleiding van de jonge Girolamo. Amati had groot vertrouwen in hem; niet alleen als bouwer, maar ook als goede vriend. Nicolò hielp mee om het huwelijk tussen Guarneri en Anna Maria Orcelli te arrangeren waarna zij bij hem in mochten wonen tot zij een eigen huis gevonden hadden. De relatie tussen de beide bouwers duurde ook daarna nog jaren.
Onder de vioolbouwers had Nicolò Amati de naam een voortreffelijke leermeester te zijn. Van ver over de grenzen kwamen leerlingen naar Cremona en bleven voor korte of langere tijd bij Amati. Onder zijn leiding bouwden zij instrumenten, nog niet onder de naam Amati, maar ‘Sub Discipline Nicolai Amati, in eius officina Cremonae’. Andrea Guarneri, Francesco Ruggeri, Paolo Guarneri, en vermoedelijk, de grootste van allemaal, Antonio Stradivari openden later in Cremona een eigen zaak. Rond 1670 hadden ook andere vioolbouwers van buiten de stad een vergunning gekregen om zich daar te vestigen.
Bewijs dat deze leerlingen bij Amati hun vakkennis hebben opgedaan is niet altijd gebaseerd op geschreven documenten. Er bestaat onder historici wel consensus over. Hargrave baseert zich op de redenering dat er geen andere vioolbouwer dan Amati in Cremona was; Hill leidt de relatie tussen Amati en enkele leerlingen af aan de bouw, vorm en manier van werken die door Amati gebruikt werd. En Stradivari zelf noteerde op de etiketten van zijn eerste instrumenten dat hij leerling van Amati was. Geen overtuigend bewijs (dat deden er later velen), maar er was in Cremona waar ook Stradivari geboren was, geen andere vioolbouwer die zover was in de ontwikkeling van de viool als Amati.
De vele notariële akten die bewaard zijn gebleven, laten zien dat Nicolò Amati rond 1660 niet alleen een groot bedrijf leidde, maar ook in instrumenten handelde. Om dat mogelijk te maken assisteerde Girolamo hem in de werkplaats en nam naar mate Nicolò ouder werd een steeds belangrijker rol in. Tegen 1680 kregen de instrumenten die uit het atelier kwamen nog wel Nicolò’s naam maar vermoedelijk werden die allemaal door Girolamo gebouwd.
Tot het eind van zijn leven bleef Nicolò Amati een vermogend man. Zijn economische status in 1675 valt af te leiden aan de bruidsschat die hij zijn dochter Teresa in dat jaar meegaf. Die bedroeg bijna vier keer zoveel als Andrea Guarneri aan zijn dochters mee kon geven. Dat was toen Guarneri op het hoogtepunt van zijn roem zat en zeker niet onbemiddeld was.
Cremona had in heel Europa naam gemaakt als de stad waar de beste strijkinstrumenten gebouwd werden. De leerlingen van Amati waren voor zichzelf begonnen en met name Antonio Stradivari, die in korte tijd een ongeëvenaarde beroemdheid was geworden, bleek een serieuze concurrent. Vermogende klanten die eerst hun instrumenten door Amati lieten bouwen, gingen liever naar Antonio Stradivari. Rond 1680 ontstonden de eerste financiële problemen voor Nicolò en Girolamo. Nicolò zou die niet kunnen oplossen; vier jaar later, in 1684, stierf hij op 87 jarige leeftijd.
Nicolò Amati had de musici instrumenten gegeven die tot de beste van zijn tijd behoorden en leerlingen opgeleid die zijn rol in de wereld van de vioolbouw over zouden nemen. Hij wordt nog steeds beschouwd als een van de beste vioolbouwers ooit. Zijn werkplaats was de spil geweest van waaruit in plaats en tijd de vioolbouw zich verder kon ontwikkelen.
Girolamo zette het bedrijf van zijn vader voort, maar tot dezelfde hoogte als zijn vader kwam hij niet.
De instrumenten die Nicolò Amati in zijn vroege jaren bouwde, waren gebaseerd op het model dat Andrea, zijn grootvader had gebruikt. Daarin had ook zijn vader geen wezenlijke verandering aangebracht. Het model kwam overeen met dat wat ook al in Brescia, Venetië en andere belangrijke vioolbouw-steden werd gebouwd.
Rond 1650 veranderde dat; Nicolò kreeg in toenemende mate invloed op wat er in het atelier gemaakt werd. Het werk werd zichtbaar netter afgewerkt, hij introduceerde meer langwerpige hoeken en een ander concept voor de welvingen. Die werden rond 1660 lager dan bij de violen van zijn vader en grootvader, maar om het volume van de klankkast gelijk te kunnen houden, verhoogde hij de opstaande randen. Tegelijkertijd experimenteerde hij met de dikteverhouding van het bovenblad. Ogenschijnlijk geen grote wijzigingen, maar de klank verbeterde daardoor aanzienlijk.
Halverwege de zeventiende eeuw maakte de opvatting over de muziekesthetiek een ingrijpende verandering door. Solisten kregen een prominente rol, moesten emotie kunnen uitdrukken en niet minder belangrijk: ze moesten kunnen schitteren door een hoge mate van virtuositeit. Daarvoor was een viool met een vollere klank en een groter volume nodig die nog steeds even goed of zelfs beter speelbaar was dan de bestaande instrumenten.
Nicolò zette zijn experimenten met verschillende welvingen en diktes van het boven- en onderblad voort, tot hij rond 1665 als eerste zo’n instrument kon bouwen. Het was een model met iets ruimere proporties. Dit zogenaamde ‘Grote Patroon’ bleek de grootste sprong voorwaarts te zijn in klank sinds de viool van zijn grootvader. In Brescia en Venetië vond een zelfde ontwikkeling plaats, maar daar werden de instrumenten langer, Nicolò’s ‘Grote Patroon’ was juist breder.
De welvingen van de meeste instrumenten waren tot halverwege zijn leven nog vrij hoog gebleven en de f-gaten breed. Het ‘Grote Patroon’ was lager, had slanke f-gaten en het model had ondanks de forse breedte een elegant uiterlijk. Maar daarmee was hij er nog niet. Nicolò experimenteerde verder met lak en verdere detaillering tot hij in 1675 klaar was. Een van de weinige overgebleven violen van dit model dat hij in 1682 bouwde, wordt over het algemeen gezien als zijn allergrootste meesterwerk. Het aantal violen dat hij op basis van het ‘Grote Patroon’ gebouwd heeft was klein, meer dan enkele tientallen waren het er vermoedelijk niet. Voor het merendeel bleef hij bij het iets kleinere formaat.
Viool uit de collectie van het Muziekinstrumentenfonds (1643) met fijngetekend achterblad van esdoornhout
Vóór Amati maakten vioolbouwers geen twee violen precies het zelfde; ze werden vermoedelijk op zicht nagebouwd van andere instrumenten. Andrea Amati gebruikte als een van de eersten een mal waaromheen hij zijn modellen steeds opnieuw kon bouwen. Zo kon een model generaties lang gelijk blijven. Chiesa ziet de houten binnenmal ook als een middel voor Nicolò om zijn ideeën voor het ‘Grote Patroon’ op te kunnen tekenen alvorens het te bouwen. Deze manier van werken werd later door alle vioolbouwers in Cremona gehanteerd. In andere Italiaanse steden kwam die manier van werken pas veel later in gebruik.
Veel vioolbouwers uit Nicolò’s tijd gebruikten houtsoorten die in de buurt gevonden werden. Girolamo Amati had al vroeg ontdekt dat de combinatie van esdoorn voor de onder- en de zijklanten in combinatie met fijn dennenhout voor het bovenblad de klank opleverde die zij voor ogen hadden. Nicolò gebruikte als eerste een specifiek soort esdoornhout dat niet alleen goed klonk, maar doordat het een levendige structuur bezat ook een aantrekkelijk uiterlijk opleverde. Dat hout groeide niet in de streek, maar kwam van de Dolomieten en de Apennijnen. Daarbij zaagde hij het op een andere manier uit de stam dan zijn vader gedaan had, waardoor het een meer uitgesproken tekening kreeg.
Nicolò Amati had een niveau van werken bereikt dat in zijn tijd niet geëvenaard kon worden. Alleen Antonio Stradivari zou dit niveau later overtreffen.
De viool van Nicolò Amati die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft - aangekocht van voormalig bespeelster Lucy van Dael - is gebouwd in 1643. Met dit model veroverde hij de wereld dat vooraf ging aan de ontwikkeling van zijn ‘Grote Patroon’.
Hargrave R., 2009, The Amati Method, Three articles about the Amati family.
"From the Archive: a violin by Nicolò Amati, Cremona, 1660-70”, The Strad, 2018.
Powers, W., 2000, “Violin Makers: Nicolò Amati (1596–1684) and Antonio Stradivari (1644–1737).” In Heilbrunn Timeline of Art History. New York: The Metropolitan Museum of Art.
Kass P. J. The Stati D'Anime of S. Faustino in Cremona: Tracing the Amati Family 1641-1686.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Chiesa, C., 2014, The life of Nicolò Amati, Cozio Archive.