
viool
Lucien Renette

*± 1659 , Bressanone †1742 , Venetië

Matteo Goffriller werd rond 1659 geboren in het plaatsje Bressanone, dat dicht bij Bolzano ligt. Over zijn jeugd is weinig meer bekend dan dat hij instrumenten leerde bouwen van Mattias Albani, een vioolbouwer uit Bolzano wiens invloed tot in Rome reikte. De familie Albani beheerste de vioolbouw markt in de streek grotendeels, waardoor Matteo op zoek moest naar een plaats met meer kansen op een succesvolle loopbaan.
Venetië bood daar de beste mogelijkheid voor. De stad was voor musici aantrekkelijk door de bekoring van het kleurrijke, uitbundige leven. Het was een op muziek gezet stadsbestaan. Aristocratische families bezaten operatheaters en soms kostbare collecties instrumenten. Ze speelden en zongen zelf en waardeerden goede musici. De scheiding van kerk en staat was er vervaagd. De Doge, die door het volk gekozen werd, had de leiding over geestelijke én politieke zaken. Publieke festivals, waarvan er in Venetië meer waren dan elders in Europa, waren in muzikaal opzicht kleur- en luisterrijke aangelegenheden. Venetië telde nooit minder dan zes operagezelschappen, die samen in totaal vierendertig weken per jaar optraden.

Venetië 17e eeuw, kaart van Joan Blaeu
Tussen 1700 en 1750 zag en hoorde het Venetiaanse publiek per jaar tien of meer nieuwe opera’s. Venetiaanse rijken, religieuze broederschappen die men Scuole noemde en academies financierden de muzikale programma’s op grote schaal. Goede musici werden royaal beloond. Op feestdagen waren kerkdiensten niet zozeer religieuze ceremonies als wel grote instrumentale en vocale concerten. Duitstalige instrumentmakers, die over het algemeen veel verder waren in het ambacht dan bouwers uit ander streken, waren om die reden al vroeg massaal naar de stad getrokken.
Matteo bleek een scherpzinnig, talentvol man te zijn die over een goed inzicht beschikte in vioolbouw en de zaken daaromheen
In 1685 verhuisde Matteo Goffriller naar Venetië. Om in die stad aan het werk te komen, moest hij zich voegen naar de strenge eisen die de Ordine dei Marzeri (Gilden) aan nieuwkomers stelde. Hij had de luitenbouwer Matthias Kaiser, bij wie zijn zus in dienst was geweest, bereid gevonden om hem aan te stellen als medewerker in zijn werkplaats. Ook introduceerde hij hem in het ingewikkelde Venetiaanse sociale leven. Kaiser, die uit de zelfde streek als Matteo Goffriller afkomstig was, had in Venetië al een goede reputatie opgebouwd. Bij Kaiser heeft Matteo misschien aan het bouwen van enkele luiten meegewerkt, maar al snel bouwde hij in Kaisers werkplaats zijn eerste Venetiaanse viool.
Matteo bleek een scherpzinnig, talentvol man te zijn die over een goed inzicht beschikte in vioolbouw en de zaken daaromheen. Het maakte hem tot een van de meest prominente bouwers van de stad. Een jaar na zijn aankomst, in 1686, trouwde hij met Kaiser’s dochter. Hun huwelijk werd gesloten in de Chiesa di San Giovanni Grisostomo en bijgewoond door veel van hun in Venetië wonende landgenoten. Zijn zoon Francesco was vermoedelijk de eerste van de twaalf kinderen die Matteo en zijn vrouw kregen. Hij kwam als jongen bij zijn vader in de leer en bouwde al rond 1709 zijn eerste viool.
Teatro San Giovanni Grisostomo, Venetië
Matteo’s eerste instrumenten zijn niet meer te traceren. Omdat hij niet aan de strenge eisen van de gilden wilde voldoen die een hoge afdracht eisten, en om aan de belasting van Venetië te ontkomen, verkocht hij ze zonder zijn naam in het instrument of op een etiket te vermelden. Pas nadat hij in 1689 toegetreden was tot de Ordine dei Marzeri kon hij het atelier overnemen van een Duitse bouwer en voorzag hij zijn instrumenten voor het eerst van een eigen, Venetiaans, etiket. Zijn zaak lag tussen dat van zijn schoonvader en het San Giovanni Grisostomo theater in waar concerten werden gegeven voor de meer welgestelde Venetianen. Na de dood van zijn schoonvader in 1694 erfde Matteo diens zaak en voegde hij vermoedelijk beide ateliers samen.
Ondanks het feit dat er in Venetië veel vioolbouwers werkten, had Matteo Goffriller in de daaropvolgende vijfentwintig jaar geen serieuze concurrenten. Matteo Goffriller verwierf de positie van belangrijkste Venetiaanse vioolbouwer en had zo een grote invloed op de bouwers die zich in de loop van de jaren in de stad hadden gevestigd. Matteo Goffriller kon het zich veroorloven om in opdracht te bouwen.
Een ander, niet onbelangrijk deel van zijn opdrachten, kwam van de Ospedales, waarvan het Ospedale della Pietà de beroemdste was
Giovanni Legrenzi
Een van zijn opdrachtgevers was Giovanni Legrenzi (1626-1690), de nieuwe Maestro di Capella van de San Marco basiliek en opvolger van Monteverdi. Legrenzi was in het zelfde jaar als Goffriller in Venetië aangekomen. Kort na diens aanstelling werd het aantal instrumentalisten van de San Marco uitgebreid van 12 tot 34. Giovanni Legrenzi nam ook het besluit om de verschillende formaten zessnarige ‘viols’ die nog uit de barokperiode dateerden, in zijn orkest te vervangen door ‘moderne’ instrumenten. Met name aan cello’s die de nieuwe muziek beter konden ondersteunen had Legrenzi veel behoefte. De hervorming van zijn Capella maakte Giovanni Legrenzi maar kort mee; hij stierf in 1690, maar Matteo had voor lange tijd werk.
Een ander, niet onbelangrijk deel van zijn opdrachten, kwam van de Ospedales, waarvan het Ospedale della Pietà de beroemdste was. Het was een mengeling van meisjesweeshuis, conservatorium en klooster. Onder Vivaldi, die er leiding had, was het muziekonderwijs in het Ospedale della Pietà op zeer hoog niveau gekomen. Er kwam veel publiek naar hun uitvoeringen toe. Voor iedere feestdag werd wel een nieuw oratorium of concert geschreven. De Ospedales beschikten over grote hoeveelheid eigen instrumenten die, naarmate de muziekstijl met bijbehorende stemming aan het begin achttiende eeuw veranderde, aangepast of zelfs vervangen moesten worden.
Guarneri en Tononi begonnen een eigen atelier in de stad en trokken veel klanten. Zij werden Matteo’s meest geduchte rivalen
Rond 1705 had Matteo Goffriller zoveel werk dat hij in de daarop volgende jaren uit moest breiden met nog enkele medewerkers. Francesco verliet het atelier van zijn vader en begon in 1709 voor zichzelf, maar het waren vermoedelijk Santo Serafin (1699 – ca 1758) en Francesco Gobetti (1675 – 1723) die zich bij Matteo voegden. Gelokt door de Venetiaanse kansen, kwamen ook andere goede bouwers naar de stad. Carlo Annibale Tononi (1675 – 1730) kwam uit Bologna en Pietro Guarneri (1695 – 1762) uit Cremona. Beiden in het jaar 1717. De ervaren Pietro Guarneri bracht veel kennis over vioolbouw mee uit zijn Cremonese familie waar hij tien jaar bij had gewerkt, maar ook wist hij veel over de manier waarop zijn voormalige stadsgenoot Stradivari zijn imperium had laten groeien. Tononi bracht kennis over vioolbouw mee uit Bologna. Beide bouwers lieten zich door Matteo Goffriller beïnvloeden, maar waren nog niet direct zijn concurrenten.
Rond 1725 veranderde dat. Guarneri en Tononi begonnen een eigen atelier in de stad en trokken veel klanten. Zij werden Matteo’s meest geduchte rivalen. Niet lang na hun opkomst was Matteo Goffriller geen gezond leven meer beschoren. Zijn gezondheid verslechterde rond 1730 waardoor hij zijn laatste twaalf jaar nauwelijks meer kon werken.
Matteo Goffriller stierf in 1742. Zijn invloed op de Venetiaanse vioolbouw kan nauwelijks overschat worden. Dat is terug te zien in het werk van vrijwel alle Venetiaanse bouwers die na hem kwamen.
Viool Matteo Goffriller, 1699, Collectie het Muziekinstrumentenfonds
In Venetië werden tot 1650 nog overwegend barokinstrumenten gebouwd, waarvoor een grote mate van vrijheid in model gold. De modellen varieerden al naar gelang de toen geldende opvatting. Een echt strenge, eenduidige vioolbouwtraditie zoals in Cremona, ontstond pas enkele jaren na Goffriller’s invloed. Maar ook toen hij al ‘moderne’ instrumenten bouwde, varieerden zijn instrumenten nog al naar gelang de individuele wensen van zijn opdrachtgevers. In Venetië lag de stemming (toonhoogte) van de muziek beduidend hoger dan in andere delen van Europa. In de loop van de tweede helft van de achttiende eeuw werd de stemming verlaagd van de gebruikelijke a’=465 naar 440, een verschil van een halve toon. Dat maakte een aanpassing van bestaande instrumenten noodzakelijk, maar meestal moesten deze echter helemaal vervangen worden.
Zijn handelsmerk werd een uitbundig rood-bruine lak waarvan hij de samenstelling waarschijnlijk van Albani had geleerd. Het was een zachte lak die hij ruim opbracht en daardoor vaak craquelures ging vertonen. Deze kleur werd tot diep in de negentiende eeuw een kenmerk van instrumenten uit de Venetiaanse school.
Rond 1709 moet Matteo Goffriller al instrumenten gezien hebben van zijn tijdgenoot Stradivari. De viool die hij in dat jaar bouwde, vertoont grote overeenkomsten met de ‘Lady Tennant’ van Stradivari uit 1699 en met de ‘Dancla’ uit 1703.
Tussen 1712 en 1721 bouwde hij overwegend violen. Daarna verschenen zijn succesvolle cello’s van relatief klein formaat. Voor de meeste van zijn instrumenten koos hij uitstekend materiaal. Zijn instrumenten en met name zijn cello’s doen alleen onder voor die van Stradivari; musici gebruiken voor de intense klank van zijn cello’s soms de metafoor van ‘kokende olie’.
Goffriller’s werk was tot de twintiger jaren van de vorige eeuw praktisch onbekend. Zijn instrumenten werden toegeschreven aan Bergonzi, Montagnana, of zelfs aan Guarneri en Stradivari.
Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, bouwde hij vermoedelijk kort nadat hij een eigen werkplaats geopend had.
Goldfarb T., 2015, Art and Music in Venice, Londen
W. Henry Hill, Arthur F. Hill & Alfred E. Hill, 1910, The Violin Makers of the Guarneri Family, 1626-1762, Londen
Landon Ch., 2007, The Strad Magazine
Vannes, R., 1981 "Dictionnaire universel des luthiers", Bruxelles.
The Strad; In Focus 2013; John Dilworth
Tarisio; the Cozio archive, bezocht in 2020