Doorgaan naar content
bouwer

Louis Henry Gillet

*1891 , Nancy      †1970 , Saint Remy

De strijkstokken van Louis Henri Gillet werden vaak aangezien voor die van Eugène Sartory. Dat is niet zo verwonderlijk, daar Eugène Sartory en Louis Henri Gillet 12 jaar lang een goede professionele en persoonlijke band hadden. Eugène Sartory was een gelauwerde en ondernemende vakman voor wie Louis Henri Gillet veel werk maakte. Na de dood van Sartory ontwikkelde hij zich verder. Tussen 1950-1960 maakte hij indrukwekkende strijkstokken, voorzien van goud, ivoor of schildpad.

Louis Henri Gillet had het vak in Mirecourt geleerd en was jarenlang werkzaam geweest bij twee van de grootste producenten van muziekinstrumenten: Jerôme Thibouville-Lamy en Marc Laberte. Uiteindelijk koos hij voor een teruggetrokken bestaan in Zuid-Frankrijk.
Werkplaats(en)
Mirecourt, 1911-1924
Nancy, 1924-1926
Châlon-sur-Saône, 1926-1970

Leven en loopbaan

Louis Henri Gillet werd geboren in Nancy, waar zijn vader, Edouard Gillet, vioolbouwer was. Naar alle waarschijnlijkheid ging hij als kind van een jaar of 14 naar Mirecourt waar hij een opleiding volgde bij een van de vele plaatselijke strijkstokkenmakers.

Mirecourt was een kleine stad in Noord Frankrijk waar de beste vioolbouwers vandaan waren gekomen of er hun opleiding hadden gevolgd. Ook had het bijzondere strijkstokkenmakers voortgebracht. Het was wat in verval geraakt door de hevige concurrentie als gevolg van de massaproductie die over heel Europa was gekomen. Er waren maar weinig kleine zelfstandige strijkstokkenmakers en vioolbouwers in Mirecourt overgebleven die het konden opnemen tegen de dominantie positie van de grote producenten als Jerôme Thibouville-Lamy. In zijn ateliers werden, naast een kleine hoeveelheid goede violen en strijkstokken, ook nog eens 130.000 goedkope instrumenten per jaar geproduceerd door zo’n 1000 werknemers.

Voor deze grote firma werkte Louis Henri Gillet van 1906 tot 1911, eerst op de afdeling waar de eenvoudige stokken werden vervaardigd, later maakte hij ze voor hun hoogste segment. Daarvoor was vakmanschap en talent nodig. Louis Henri Gillet bleek over beide in ruime mate te beschikken.

Kort na zijn vertrek bij Thibouville-Lamy begon hij voor zichzelf. Hij maakte strijkstokken voor Paul Serdet in Parijs, die daar net zulke hoge eisen aan stelde als aan de instrumenten die hij zelf bouwde. Kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij opgeroepen voor mobilisatie en bij het uitbreken van de oorlog moest hij in actieve dienst. Hij raakte gewond en had lang nodig om te revalideren. Vermoedelijk maakte hij daarna stokken voor enkele afnemers, maar temidden van de grote firma’s die zich na de oorlog wél konden herstellen, maakte hij weinig kans op een succesvol eigen bedrijf.

In 1921 begon hij als strijkstokkenmaker bij de firma Laberte, een firma die al sinds 1790 muziekinstrumenten maakte. In 1920 had Marc Laberte de nog oudere firma Fournier Magié over weten te nemen en omringde zich na de fusie met een aantal zeer vakbekwame viool- en strijkstokkenmakers. Voor Laberte maakte Louis Henri Gillet erg goede strijkstokken die gebrand werden met de naam van zijn werkgever of met ‘V.J. Ferelli’. De kleinschaligheid van een bescheiden familiebedrijf had Louis Henri aangetrokken, maar Laberte groeide explosief. Tien jaar later had Marc Laberte 500 werknemers in dienst.

Voor Louis Henri Gillet werd Laberte al snel te massaal; in 1924 keerde hij terug naar Nancy, trouwde en vertrok twee jaar later met zijn vrouw naar Châlon-sur-Saône. Daar betrok hij een klein huis omringd door moestuinen en veel groen. In een van de kleine kamers waarvan hij de luiken altijd dicht hield, maakte hij strijkstokken voor anderen. Slechts een klein aantal wist hij zelf aan musici te verkopen. In die periode maakte hij de meeste strijkstokken voor Jules Lavest, geen vioolbouwer, maar een handelaar in strijkinstrumenten en strijkstokken.

Zijn stokken trokken de aandacht van Eugène Sartory, die na de oorlog als een van de weinige zelfstandige strijkstokkenmakers in Parijs was overgebleven. Sartory was beroemd en gevierd, niet alleen door zijn goede strijkstokken, maar ook door zijn assertieve handelsgeest. In 1921 was hij zelf met een kist vol strijkstokken naar Amerika gegaan. Daar bleek zijn naam ook op een zending vervalste strijkstokken te staan die zijn atelier nooit had gezien. De daders bracht hij voor de rechter, waarna hij zijn brandstempel niet alleen op de gebruikelijke plaats zette, maar ook nog eens voor het oog onzichtbaar zijn initialen ónder de wikkeling aanbracht. Hij nodigde Louis Henri Gillet uit om naar Parijs te komen en samen gingen ze een werkrelatie aan die 12 jaar zou duren. Gillet verliet vanaf dat moment zijn oude model en baseerde zich volledig op dat van Eugène Sartory.

Ook de strijkstokken die hij onder eigen naam op de markt bracht leken daar op. Hij brandde ze net zoals Eugène Sartory met zijn eigen naam aan de zijkant en onder de wikkeling met zijn initialen.

In 1946 overleed Eugène Sartory. Zijn schoonzoon George Dupuy nam zijn zaak over, maar met hem kon Louis Henri Gillet het niet vinden. Kort daarop verbrak hij de relatie. Voor Dupuy had Louis Henri Gillet strijkstokken gemaakt die eerst nog veel van Sartory weg hadden, later veranderde hij naar een stijl die meer in trek was onder musici: die van Peccatte.

Dat bleek een goede greep te zijn. Zijn reputatie als goede strijkstokkenmaker steeg, waardoor hij zich ook kostbare materialen als goud, ivoor en schildpad kon veroorloven. Vanaf de jaren ’50 begon zijn beste periode; tien jaar lang produceerde hij een groot aantal strijkstokken van voortreffelijke kwaliteit.

Tot 1967 had Louis Henri Gillet nooit iemand toegelaten tot zijn werkplaats. De dood van zijn zoon André in 1967 bracht daar verandering in. Louis Henri stelde direct nadat André overleden was, zelf een testament op en bepaalde dat na zijn dood alles naar Marie-Pierre Henry toe moest gaan. Zij was een goede vriendin van André geweest en had voor Louis Henri en zijn vrouw ‘als een dochter’ gezorgd. Marie-Pierre Henry werd de eerste die hij in zijn werkplaats toeliet.

Louis Henri Gillet stierf in 1970 op 79 jarige leeftijd. Samen met Louis Henri’s weduwe schonk zij na zijn dood alles wat er aan gereedschappen en strijkstokken over was aan de ‘Ecole de Lutherie’ van Bernard Ouchard in Mirecourt.

Louis Henri Gillet heeft een groot aantal strijkstokken geproduceerd die vrijwel allemaal van uitstekende kwaliteit waren. Hij leverde niet alleen aan Eugène Sartory maar ook aan Joseph Aubry, George Dupuy, Victor Fétique, Jules Laveste en Paul Serdet.

Werk en invloed van Louis Henri Gillet

Zijn vroege strijkstokken zijn gewoonlijk rond hebben nog geen duidelijk onderscheidend model. Vanaf 1926 maakt hij werk voor Eugène Sartory, eerst alleen de sloffen, maar al snel de hele strijkstok. Sartory had ieder onderdeel nauwkeurig omschreven en Louis Henri maakte ze volgens deze standaard, ook die hij zelf verkocht. Zij tonen nog de invloed van Lamy en Voirin; licht, elegant en verfijnd. Na verloop van tijd ontwikkelde Sartory een eigen, iets krachtiger model, dat ook door Gillet werd overgenomen.

Net als Eugène Sartory veranderde hij de ronde doorsnede van zijn stok in een achthoekige. De samenwerking met Sartory kwam ook de kwaliteit van het gebruikte hout ten goede. Beide strijkstokkenmakers gebruikten uitsluitend pernambuco van de beste soort. Sartory, die een generatie ouder was, een hele loopbaan achter de rug had en goede leveranciers had, maakte dat ook Gillet over goed materiaal kon beschikken.

Tussen 1950 en 60 maakte Henry Louis Gillet zijn beste stokken, meestal achthoekig en vaak voorzien van een schuifmechaniek dat door Hill was ontworpen: een lastig te maken constructie die de verbinding tussen stang en slof meer stabiliteit moest bieden. Samen met de ingenieus bewerkte sloffen en knoppen van goud, ivoor of schildpad waren het technische hoogstandjes. Zijn stokken brandde hij met: L. Gillet en H.L.G.

De strijkstok die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is een prachtig voorbeeld van wat hij in zijn allerbeste periode bouwde.

Bronnen

Millant B., Raffin J.F., (2000) l`Archet: les archetiers Français 1750-1950. Paris.

Vatelot E. (1976), Les Archets Français. Nancy.

Jacquot A., 1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris.

Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2021.

Geneanet, geraadpleegd in 2021.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
29 april 2021