Doorgaan naar content
bouwer

Louis Guersan

*1702 , Parijs      †1770 , Parijs

Weinig grote Parijse vioolbouwers zullen de overgang van de elitaire hofcultuur naar de Verlichting zo van dichtbij hebben meegemaakt als Louis Guersan. Hij bekleedde hoge functies in het gilde van instrumentenmakers, was vioolbouwer aan het hof, zag de opkomst van concerten voor de gewone Parijzenaar, én handelde tegelijkertijd in instrumenten voor amateur- en professionele musici. De kleine groep Parijse instrumentenmakers waartoe hij behoorde, vormde een hechte gemeenschap, maar hij was de enige die halverwege de achttiende eeuw al op grote schaal violen bouwde.
Werkplaats(en)
Parijs, ±1730 - 1770

De Parijse vioolbouw vóór Guersan

De eersten waren ze niet, deze Parijse bouwers, want het decreet waarin koning Henri IV toestemming gaf om binnen de muren van Parijs violen te bouwen dateerde al van 1599, maar van werk van de ca. 15 vioolbouwers die er tot 1690 werkzaam waren is vrijwel niets teruggevonden. Beter gedocumenteerd zijn de bouwers die na 1700 lid waren van het gilde. En dat waren ze allemaal, ook Louis Guersan. Ze kochten gezamenlijk hout in, deelden dezelfde regels en volgden de voorgeschreven manier van opleiden en verkopen, waardoor hun werk veel onderlinge overeenkomsten vertoonde. Deze bouwers werden ‘Ecole Vieux Paris’ genoemd. Sylvette Milliot, die hier onderzoek naar deed, onderscheidt daar drie periodes in, ieder met een eigen ontwikkeling. Bij de groep van bouwers die doorgaat als de tweede lichting van de Ecole Vieux Paris behoorde Louis Guersan. Hem waren twee grote vioolbouwers voorgegaan: Claude Pierray en Jaques Boquay. 

Façade van de Comédie Française in de tijd van Guersan

Boquay en Pierray; de vioolbouwwereld van Louis Guersan

Beide bouwers waren prominent aanwezig in muziekkringen rond het hof van de koning. Pierray’s werkplaats lag aan de Rue des Fossés-Saint-Germain-des-Prés (nu: Rue de l’Ancienne Comédie), dicht bij de ‘Comédie Française’ waar vermogende families waren neergestreken en die schilders, musici en dichters had aangetrokken. Aan de andere kant van de brug over de Seine werkte Jacques Boquay. De instrumenten van beide bouwers vertonen een grote gelijkenis met elkaar. Boquay’s instrumenten waren duurder, maar die van Pierray waren zorgvuldiger gebouwd en wat beter afgewerkt. Bijna Italiaans, vonden kenners. Jacques Boquay was echter de hofleverancier die rond 1710 aan de Chapelle Royale van de koning enkele instrumenten mocht leveren. 

Familie en leermeesters

Vroege biografen noemen Claude Pierray als de vermoedelijke leermeester van Louis Guersan, maar waarschijnlijk heeft ook Jacques Boquay een rol gespeeld bij zijn opleiding. Recent genealogisch onderzoek toont aan dat Louis Guersan en Jacques Boquay halfbroers waren. Hun moeder was eerst getrouwd geweest met Gabriel Boquay en later met de wever Michel Guersan. Jacques Boquay was haar eerste kind, uit het tweede huwelijk kwam Louis in 1702 voort. Tussen de halfbroers Jacques en Louis zat zo’n 15 jaar leeftijdsverschil. Jacques Boquay was meestervioolbouwer en mocht leerlingen opleiden.

Meester in Parijs

In februari 1723 volgde zijn toelating tot het gilde en enkele jaren later werd Louis Guersan meestervioolbouwer, zij het waarschijnlijk nog niet als zelfstandige met een eigen zaak.

Louis Guersan trouwde in 1725, maar bleef kinderloos. Toen Jacques Boquay in 1730 overleed, werd Louis benoemd tot voogd van Boquay’s jongste dochter. De akte waarin het voogdijschap werd vastgelegd, vermeldde dat hij in de Rue des Fossés-Saint-Germain-des-Prés woonde. Op zijn etiket stond dat niet, alleen “Près la Comédie Française”. Pas na 1744 zette hij voor het eerst de straatnaam op zijn etiket. De Rue des Fossés-Saint-Germain-des-Prés was een levendige straat met zo’n 50 cafés waarin muziek gemaakt werd, literaire salons werden gehouden en waarin veel kunstenaars woonden; ook het atelier van Claude Pierray zat daar. Hoewel een akte ontbreekt, zette Louis Guersan de zaak van Claude Pierray na diens dood hoogstwaarschijnlijk voort. Pierray was nooit getrouwd geweest en liet de inventaris van zijn zaak na aan Louis Guersan. 

"Louis Guersan mr - Luthier à Paris y demeurant ruë des Fossez St Germaindes prez", Document uit 'Archives nationales, minutier central des notaires de Paris', waaruit de vestiging blijkt van Louis Guersan als vioolbouwer in Parijs

Lodewijk XV, atelier Louis-Michel van Loo, 1763

Het Parijse gilde van instrumentenmakers

Naast het stadsbestuur waren het de 124 streng hiërarchisch georganiseerde gilden die de Parijse economie beheersten. Het gilde van instrumentenmakers was daar één van. Het had een strikt monopolie op de productie van instrumenten, maar droeg ook de zorg voor weduwen en wezen. Een opleiding tot vioolbouwer bestond uit twee delen: zes jaar in de leer bij een Maître Luthier, afgesloten met een meesterproef, gevolgd door twee jaar als gezel bij een andere meestervioolbouwer. Uit akten van het gilde blijkt dat Louis Guersan vanaf 1736 ‘maître-juré comptable’ (toezichthouder/penningmeester) van dit gilde was en dat hij tot 1748 in deze rol voorkwam. Het bekleden van deze functie gold als een grote eer. Alleen gerespecteerde, financieel draagkrachtige meesters kwamen in aanmerking.

Voor koning Lodewijk XV, waren de gilden een melkkoe. Hij gebruikte ze om belastingen te innen, en in ruil voor het behoud van hun monopolies moesten de gilden zelf ook enorme sommen geld aan de koning afdragen. Mede daardoor  werd het voor gewone leerlingen en gezellen vioolbouwers zo rond 1750 extreem duur om een opleiding te volgen en een eigen werkplaats te beginnen. Directe familieleden van bestaande meesters kregen privileges. Hun opleiding was vrijwel kosteloos. Dienstverlening van de gilde-leden aan het hof werd door aanhangers van de Verlichting dan ook zeer bekritiseerd. In 1750 werd Louis Guersan tot ‘Syndic’ (toezichthouder en woordvoerder) van het gilde benoemd en in 1769 tot ‘Doyen’ (deken, lid van in het bestuur) en vier jaar later werd hij de vioolbouwer van Lodewijk XV’s zoon.

Opdracht van l’Opéra

De Académie Royale de Musique, die de Parijzenaars beter kenden als ‘l’Opéra’, was een van de meest vooraanstaande muziekinstellingen in Parijs. In 1749 kreeg Louis Guersan van de Académie de opdracht om, ter gelegenheid van de uitvoering van Rameau’s opera Zoroastre, een contrabas te verkleinen. Hij verwijderde daarvoor het achter- en bovenblad, paste de zangbalk aan, verlaagde de ribben, zette de hals opnieuw en sneed een nieuwe kam, aldus zijn factuur. De kosten waren 40 livres, wat meer was dan de prijs van een gemiddelde cello uit zijn voorraad. 

Aankondiging van een Concert Spirituel in 1754, in de Tuilerieën

Concerts Spirituels en de nieuwe muziekcultuur

De carrière van Louis Guersan viel vrijwel samen met een enorme verandering in de muziek. Rond 1700 was de viola da gamba nog een instrument met groot prestige. Maar in de loop van de achttiende eeuw won de viool aan status. Vooral werd de sonate-cultuur belangrijker. Ook groeide het orkest en kreeg de cello een steeds duidelijker plaats, vaak als gevolg van de veranderende smaak van het hof. De Franse vioolbouw bleef referentiepunt, maar de Italiaanse vioolbouw kwam in opmars.

Die veranderingen in de Parijse muziekcultuur ontstonden mede door de ‘Concerts Spirituels’. Dat waren uitvoeringen van de belangrijkste concertorganisatie van Parijs van vóór de Franse Revolutie. De concerten vonden plaats in de grote Salle des Cent Suisses van de Tuilerieën en werden georganiseerd op dagen waarop in de Opéra vanwege religieuze feestdagen geen uitvoeringen mochten plaatsvinden. Voor het eerst kon het gewone Parijse publiek naar een concert gaan zonder dat het een onderdeel was van een opera of toneelstuk.

De Concerts Spirituels waren ook voor componisten, uitvoerenden en bouwers belangrijk. Van 1725 tot 1780 vonden er ongeveer 1.250 à 1.300 concerten plaats. Het programma en het repertoire verschoof in de loop van de tijd van Franse religieuze muziek naar een internationaal aanbod, met onder meer Italiaanse muziek, klein instrumentaal werk en uiteindelijk ook symfonieën, een ontwikkeling die ook verder in Parijs navolging vond.

De Tuilerieën, gezien vanaf Quai d'Orsay, Nicolas-Jean-Baptiste Raguenet, 1757. Collectie Musée Carnavalet, Parijs

Door de violist Jean-Ferry Rebel, die tot 1748 de organisatie deed, kreeg het vioolspel er een belangrijke plaats; virtuoze violisten konden er voor een groot publiek optreden. Mozart speelde er samen met zijn zus Nannerl zijn eigen sonate voor viool en piano. Louis Guersan en andere Parijse vioolbouwers kwamen in deze periode in een veel bredere muziekcultuur terecht. De violist en componist Jean-Marie Leclair, die regelmatig optrad tijdens de Concerts Spirituels, was klant van Louis Guersan.

Deze populaire Concerts zetten aan tot het oprichten van meer muziekverenigingen, vaak van welgestelde burgers en getalenteerde amateurs. Het waren informele, wekelijkse bijeenkomsten die rond 1740 volop actief waren in de stad en de voorlopers waren van de beroemde openbare ‘Concerts des Amateurs’ die iedere week uitvoeringen gaven. Hun leden voerden graag nieuwe muziek uit en hadden naar mate hun reputatie steeg, behoefte aan betere  instrumenten.

Vioolbouwer van Monseigneur le Dauphin

Louis Guersan leek zich moeiteloos aan die veranderende wereld aan te passen. Daardoor steeg hij ook buiten het gilde op de maatschappelijke ladder. In 1754 werd hij bij koninklijk besluit benoemd tot: “Luthier de Monseigneur le Dauphin”, de zoon van koning Louis XV. Tegen het midden van de eeuw was hij tot de hoogste kringen van de Parijse muziekwereld doorgedrongen. Zijn klantenkring bestond volgens het onderzoek van Milliot uit zowel adellijke amateurs als vooraanstaande beroepsmusici. Muziek was door de Verlichting niet langer alleen een zaak van professionele musici en het hof. Er ontstond een steeds grotere groep amateurs die instrumenten kochten, en Parijs werd het centrum in Europa voor de handel daarin. Gezien de grote voorraad instrumenten in zijn werkplaats speelde ook Guersan daar een aanzienlijke rol in. 

‘Zijn klantenkring bestond uit
zowel adellijke amateurs als vooraanstaande
beroepsmusici’

Van ambachtsman en opleider tot handelaar

Eén van Louis Guersans eerste leerlingen was François LeJeune, een neef die op jonge leeftijd wees was geworden. Louis Guersan en zijn echtgenote namen hem in huis en Louis leidde hem op tot vioolbouwer. In 1744 was Guersan getuige bij zijn huwelijk en François LeJeune werd  een van de laatste grote bouwers van de ‘Ecole Vieux Paris’.

In 1738 overleed Louis Guersans eerste vrouw en maakte een notaris ter gelegenheid van zijn tweede huwelijk een inventaris van zijn werkplaats op. Daaruit bleek dat hij een groot bedrijf had met een indrukwekkende handelsvoorraad: meer dan 300 violen, 30 cello’s, 12 pardessus de viole, 8 quintons en 64 basses de viole. Minder dan de helft van de violen was echter “de la façon du Sieur Guersan”. Hij bouwde niet alleen zelf, maar kocht en verkocht dus ook instrumenten van andere bouwers. Op de huwelijksakte stond hij dan ook vermeld als ‘marchand luthier’.

In 1738 taxeerde de notaris de inventaris van Guersans werkplaats. Het grootste deel van de violen waardeerde hij op ongeveer 30 livre, net als de pardessus en quintons. Cello's kende hij drie prijsklassen toe: 20, 30 en 60 livre. Goedkoper waren de basses de viole: 20 livre (ter vergelijking: in 1739 kostte een paard 40 livre).

Zijn tweede vrouw was Marie-Jeanne Zeltener, weduwe van de Parijse vioolbouwer Pierre-François de Saint-Paul. Zij had bij haar huwelijk met Louis Guersan al een zoon, Antoine de Saint-Paul. Louis Guersan leidde Antoine op; later trouwde Antoine met Guersans aangenomen dochter. Na het overlijden van zijn schoon- (en tevens stief)vader volgde Antoine de Saint Paul hem op, zowel in het bedrijf als ‘maître-juré comptable’ in het gilde.

Er zijn zeker zes andere leerlingen van Louis Guersan bekend, waarvan er vier vooraanstaande bouwers in Parijs werden: zijn schoonzoon, Benoit Fleury, François Lejeune en Gabriel Koliker. Drie van hen hadden een zaak in de Rue des Fossés-Saint-Germain-des-Prés.

Laatste jaren en nalatenschap

De exacte datum van Guersans overlijden is niet bekend, wél die van de notariële actie die na zijn overlijden werd opgemaakt. Die is van 25 oktober 1770. Antoine de Saint-Paul, zijn leerling en stiefzoon, volgde hem op. Uit het feit dat Antoine op zijn etiket vermeldde de “beau-fils et successeur du Sieur Guersan” te zijn, blijkt dat hij trots was zijn schoonvader te hebben opgevolgd. Antoine de Saint-Paul was niet alleen vioolbouwer, maar hij handelde ook in de instrumenten die Louis Guersan had nagelaten. Direct na de overname liet hij weten ‘Cremonese violen, eigen violen, altviolen, cello’s, contrabassen, harpen, gitaren, luiten, theorbes, mandolines, quintons, pardessus, basses de viole en viola’s d’amore’ te verkopen.

‘Antoine was er trots op Guersan te
hebben opgevolgd; hij vermeldde op zijn etiket de
“beau-fils et successeur du Sieur Guersan” te
zijn’

Pardessus de viole, Louis Guersan 1770. Collectie The Met, New York

Guersans werk binnen de ‘Ecole Vieux Paris’

Louis Guersan had op het breukvlak gestaan van de eerste en de tweede periode binnen de ‘Ecole Vieux Paris’. Milliot onderscheidt daar drie periodes in; ca. 1700–1735 waren dat Boquay, Pierray en Bertrand die sterk werkten vanuit de Amati-traditie. Van ca.1735 tot 1770 kwamen Guersan en Jean-Baptiste Salomon tot een mengvorm van Amati, Stainer en een eigen Franse ontwikkeling. Na de dood van Guersan werd het Stradivari-model steeds belangrijker.

Net als de andere Parijse vioolbouwers liet ook Louis Guersan de boomstammen waaruit hij zijn instrumenten maakte lang in de Seine liggen alvorens hij het hout droogde.

Guersans violen zijn klein van formaat, hebben een smal, elegant corpus, vrij hoge welvingen met een duidelijke invloed van Amati en Stainer, fijn gesneden f-gaten, een sierlijke -vaak krachtig gesneden - krul, zorgvuldig uitgevoerde randinleg en een geringe ribhoogte. Al zijn instrumenten varieerden wel enigszins in afmeting en welving; van een standaardisatie was bij hem nog geen sprake. Ook zijn cello's zijn relatief klein en soms versierd met decoratieve, ingesneden motieven op de krul. Een cello uit 1747 heeft een bladlengte van 70,4 cm. Dendrochronologisch onderzoek wees uit dat het bovenblad van de cello uit 1738 kwam. Net als de andere Parijse vioolbouwers liet ook Louis Guersan de boomstammen waaruit hij zijn instrumenten maakte lang in de Seine liggen alvorens hij het hout droogde.

Krul met ingesneden motief, violoncello piccolo, collectie Het Muziekinstrumentenfonds

Bloemmotief oog van de krul, violoncello piccolo, collectie Het Muziekinstrumentenfonds

Er zijn meer dan zestig vijfsnarige pardessus de viole en quintons uit zijn werkplaats bekend die allemaal tussen 1740 en 1770 zijn gebouwd. De meeste zijn bijzonder gedecoreerd met afwisselend lichte en donkere houtstroken in achterblad en ribben, een dubbele randinleg, soms vrouwenhoofden en versieringen op de sleutelkasten.

Bestaande instrumenten van Louis Guersan hebben mooie fijn gevlamde achterbladen met een randinleg die dicht tegen de buitenkant ligt. In de oude literatuur wordt hij genoemd als degene die de spirituslak in Parijs introduceerde. Niet als waardering voor deze vrij nieuwe vondst, maar er werd op neergekeken. Waar voorheen een sterke voorkeur bestond voor de Italiaanse op olie gebaseerde lak die een lange droogtijd vergde, maakte spirituslak met een veel snellere droging, een grotere productie mogelijk.

Gezien het feit dat er nog veel van zijn instrumenten bestaan, moet niet alleen het aantal instrumenten waarin hij handelde, maar ook zijn eigen productie aanzienlijk zijn geweest.

Foto met dank aan Tarisio

Bronnen

Milliot S., Documents Inédits sur les Luthiers Parisiens du XVIIIe siècle, Paris 

Milliot S., La Lutherie Parisienne. Tome II.

Instrumentistes et Luthiers Parisiens: XVIIe - XIXe siècle/ rédigé par F. Gétreau 

Pierre C., 1893,  Les facteurs d'instruments de musique, les luthiers et la facture instrumentale, Paris 

Tarisio cozio archive: Gaudfroy B., Life & Work for 18th Century Parisian Bow and Violin Makers 

Herlin A., The Music Libraries of the Concert Spirituel, Londen 

The value of French currency in the 17th & 18th centuries, 1998,  “L’Entraide”; the journal of the Societe Genealogie des Cantons de l’Est 

Archives Nationales/Minutier central/ET/I/393 , VII/1095 , XXVII/347 , CVI/335 , XLIII/427 , XXVII/349/Valorisation des archives de la lutherie 

Geneanet, bezocht 2026

Auteur
Jan Boekhout
Datum
15 oktober 2026