Lorenzo & Tomaso Carcassi
*± 1710/1725 , Florence †± 1767/1787 , Florence
Wat de muziek betreft zocht Florence aansluiting bij muzikale ontwikkelingen elders in Europa, weg van de vroege barok. Er ontstond een trend die voortborduurde op de laat 17e-eeuwse opera, maar vooral de overwinning van de populaire smaak boven verfijning liet zien. Naast opera groeide de openbare muziekcultuur, met stadsmuzikanten die instrumentale ensembles vormden. Italiaanse instrumentale muziek bloeide ook in de theaters en privéwoningen.
Het werk van de broers Lorenzo en Tomaso Carcassi is verbonden met de bescheiden Florentijnse vioolbouwtraditie en, zoals dat overal elders in Europa het geval was, die van Jacob Stainer. Van groot belang voor hun ontwikkeling als vioolbouwer, waren de instrumenten van de grote Cremonese vioolbouwers Amati en Stradivari die zich in de collectie van De’ Medici bevonden. Als vioolbouwers van het hof waren zij in de gelegenheid om die u uitgebreid te bestuderen.

Langzame doorbraak van opera en de opmars van het openbaar muziekleven
Op het gebied van de vernieuwingen in de muziek liep de stad niet voorop. Kerkmuziek, met strenge regels voor de uitvoeringspraktijk, was er zeer behoudend. Voor vernieuwingen in de profane muziek was men aangewezen op Venetië, Milaan en Rome. Pas rond 1737, na de dood van de laatste De’ Medici en de komst van het huis van Lorraine, drongen de opera, de solozang en madrigalen door. Voorstellingen in het Teatro della Pergola en de opera werden daarna druk bezocht door zowel mannen als vrouwen, net als de vele ‘conversazioni’, bijeenkomsten waar kunst, literatuur, politiek en nieuwe composities vrij konden worden besproken en ideeën werden uitgewisseld.

Interieur Teatro della Pergola, Florence. Gravure Silvio degli Atti ca. 1660-1700
Lorenzo en Tomaso Carcassi: werkplaats, samenwerking en chronologie
Lorenzo Carcassi was de oudste van de beide broers. In welke relatie hij stond met oudere leden van de familie die in Florence gitaarbouwers en klavecimbelbouwers waren, is nog niet opgehelderd. De eerste teruggevonden instrumenten van Lorenzo’s hand dateren van 1735 en de laatste van 1776, wat vermoedelijk het jaar van zijn overlijden was. Tomaso was jonger. Van vóór 1776 bestaan er geen instrumenten van hem, vanaf dat jaar ging hij als bouwer alleen verder.
‘Waar in andere delen van Europa devoorkeur werd gegeven aan de vlakkere Amati enStradivari violen, bleef Stainer in Florence noglang favoriet’
Naast een eigen werkplaats hadden de broers vanaf 1745 tot 1776 een gezamenlijke werkplaats. Die lag aan de piazza S. Michele waar zij samen bouwden en deze instrumenten voorzagen van een gezamenlijk etiket: ‘LOR’ E TOM’ CARCASSI In Firenze, nell’ Anno 17.. , All insegna del Giglio’. Tomaso’s laatst teruggevonden instrument is van 1786. In de latere jaren werkte ook Tomaso’s zoon Vincenzo mee in de werkplaats van zijn vader en oom. Zijn eigen werk is geïnspireerd door Ruggeri en Stradivari.
Lorenzo en Tomaso waren bekwaam in het bouwen van allerlei verschillende stijlen en deden dat op een hoog niveau van vakmanschap. Niet alleen produceerden zij strijkinstrumenten, maar ook gitaren en een enkele harp. Hun modellen veranderen in de loop van de jaren sterk, vermoedelijk door de kennis die zij opdeden bij het restaureren van instrumenten uit de collectie van het hof, maar hun productie is tot laat vooral beïnvloed gebleven door Jacob Stainer. Waar in andere delen van Europa de voorkeur werd gegeven aan de vlakkere Amati en Stradivari violen, bleef Stainer in Florence onder de musici nog lang favoriet.
Bartolomeo Cristofori en het muzikale klimaat van het hof
Het muzikale klimaat waarin de broers werden geboren was tot stand gekomen door Prins Ferdinando de’ Medici, een uitstekend musicus die de instrumentenbouwer Bartolomeo Cristofori had uitgenodigd om tegen een vorstelijk salaris naar Florence te komen. Hij kreeg een enorm groot atelier waar meerdere soorten instrumenten werden vervaardigd. Ook strijkinstrumenten; niet van de hand van Cristofori, maar van vioolbouwers die voor hem werkten.
De pianoforte die Cristofori uitvond, had veel invloed op de muziekcultuur in Florence. Prins Ferdinando, zijn mecenas en opdrachtgever, was een uitstekende pianofortespeler en een toegewijd beschermer van de beeldende kunsten, maar vooral van de muziek. Hij voorzag zich van een entourage van musici die hij uit heel Europa liet komen en maakte Florence tot een centrum van muzikale excellentie. Ferdinando liet wekelijks opera's opvoeren in Florence of in zijn buitenhuis, gecomponeerd onder anderen Alessandro Scarlatti en de jonge Händel. Van deze opbloei profiteerden vioolbouwers, niet zozeer vanwege de verkoop van hun nieuwbouw instrumenten, maar door de handel in oude instrumenten van andere bouwers.

Portret van drie musici aan het hof van De' Medici, Anton Domenico Gabbiani, ca. 1687
Aan het hof van de groothertog: de Carcassi’s als restaurateurs
Uit teruggevonden documenten blijkt dat Lorenzo Carcassi als eerste van de broers werd aangesteld als vioolbouwer aan het hof van Ferdinando’s latere opvolger, Groothertog Peter Leopold I. De vroegste rekeningen voor het reparatiewerk dateren van 1765. Dat Lorenzo al eerder een bekwaam restaurateur was blijkt uit een etiket uit 1740 in een viool waarop hij zijn restauratiewerk vermeldde. Zijn werkplaats heette ‘della Madonna de Ricci’. Daar werkte hij tot zeker 1755 nog. Toen Lorenzo zijn aanstelling ontving, werkten Lorenzo en Tomaso al jaren samen. Volgens de opdrachten ging het om 35 instrumenten, waaronder violen, altviolen, cello’s en contrabassen van Andrea, Nicolò en Girolamo Amati, alsmede die van Jacob Stainer.
De De’ Medici-collectie en de Cremonese meesters
In de collectie zat ook het De’ Medici kwintet van Antonio Stradivari. Dat was een vijftal instrumenten waarvan de eerste drie, twee violen en een cello, in 1684 in opdracht van de Cremonese markies Bartolomeo Ariberti door Antonio Stradivari werd vervaardigd en als gift voor Ferdinando was bedoeld. De instrumenten werden in 1690 in Florence afgeleverd. Ferdinando was er zo tevreden over dat hij er in dat jaar zelf nog twee altviolen bij bestelde om het kwintet compleet te maken. Die volgden enkele jaren later. In 1716 werd er nog een viool van Stradivari aan de collectie toegevoegd. Ferdinando liep met deze bestelling, die als nieuw en controversieel werd beschouwd vanwege de meer expressieve klank van Stradivari’s instrumenten, vóór op de ‘gewone’ concertmusici die aan de meer ‘zoetgevooisde’ klank van Stainer de voorkeur gaven.
Restauratiepraktijk en de overdracht van kennis
De collectie verkeerde klaarblijkelijk in een niet al te beste conditie, na door Gian Gascone de’ Medici, de opvolger van Ferdinando, verwaarloosd te zijn, want Tomaso en Lorenzo kregen de opdracht om de instrumenten in ‘speelbare staat’ te brengen. De opdrachten en rekeningen die zijn teruggevonden vermelden gedetailleerde criteria voor deze opdrachten. Zo vermelden ze bijvoorbeeld het corrigeren van halshoeken, vervangen van basbalken en versterken van klankkasten.
Als restaurateurs kregen de broers de zeldzame kans om instrumenten te bestuderen van de belangrijkste Cremonese vioolbouwers en konden zij kennis vergaren van de zeer uiteenlopende bouwtechnieken en stijlen van de best denkbare strijkinstrumenten in de collectie.
Continuïteit aan het hof: van Lorenzo naar Tomaso en Giuseppe Carcassi
De aanstelling als vioolbouwer aan het hof liep tientallen jaren door; Lorenzo kreeg deze in 1765, Tomaso volgde hem in 1780 op en zijn zoon Giuseppe nam in 1791 de taak weer van zijn vader over.
Bartolomeo Bimbi: vioolbouwer, adviseur en sleutelfiguur
Een belangrijk figuur voor de collectie van het hof was Bartolomeo Bimbi. Hij kwam uit Siena maar vestigde zich als vioolbouwer in Florence. Bartolomeo Bimbi was in de tijd een uitzonderlijk bekende en vaardige bouwer, zozeer zelfs dat hij de enige adviseur werd van de vorst. Hij kreeg de taak om de volledige collectie te moderniseren, instrumenten te verwerven en andere te verkopen.
Pietro Leopoldo I als regisseur van het Florentijnse muziekleven
Rond de tijd dat Lorenzo werd geboren, overleed Ferdinando de’ Medici in 1713 en werd opgevolgd door Gian Gascone de’ Medici, een teruggetrokken hypochondrisch man en kunstkenner die zich nauwelijks buiten zijn paleis vertoonde. Gian Gascone overleed in 1737 en werd opgevolgd door Pietro Leopoldo, uit het Habsburgse hof. Hij was een wat mislukte vorst, maar wel één van de meest genereuze en invloedrijke figuren van Toscane. Zijn villa in Florence was hét centrum van muziek in Toscane en bleef dat ook in latere jaren. Naast het muziekleven aan het hof, riepen ook groepen vermogende Florentijnen gezamenlijk enkele ‘Academia’ in het leven; zij huurden ‘maestri di cappella’ in om te componeren en muziek uit te laten voeren in de theaters. Wel allemaal "sotto la protezione del Granduca di Toscana” (onder de bescherming van de Groothertog van Toscane). Het hof had een groep vaste musici in dienst, de “Virtuosi di Camera”, die voornamelijk uit zangers en strijkers bestond. Bij de elite waren sonates en strijkkwartetten erg geliefd. Concerten waar niet alleen de adel, maar ook het volk toegang toe kreeg, namen in aantal toe en werden populair. Onder de 80.000 inwoners van Florence waren er 106 beroepsmusici.
Cristofori was beheerder geweest van Ferdinando de’ Medici’s instrumentencollectie, maar kwam na de machtswisseling niet meer in de boeken voor.
Florence als bescheiden centrum van de vioolbouw
Florence was geen indrukwekkend of vooruitstrevend centrum voor de vioolbouw. Ondanks de 106 musici, waren er slechts enkele vioolbouwers: de beide Carcassi’s, Bartolomeo Castellani, Gaspero Piattellini, Giovanni Battista Gabrielli en Bartolomeo Bimbi. Zij hadden geen eigen ‘school’, maar lieten zich beïnvloeden door bouwers uit belangrijke andere centra.
Mecenaat, academies en de opkomst van de kamermuziek
De groothertogen, met name Pietro Leopoldo, steunden vanaf 1767 de muziek met een genereus, maar streng mecenaat voor componisten en musici. De vorst decreteerde niet alleen wie instrumenten voor zijn musici mocht maken, maar bepaalde ook de financiering, het schema van opvoeringen en regels van de Florentijnse theaters. Zo verbood hij ‘applaus dat ongepast kon worden gevonden voor de waardigheid van ieder theater dat onder de bescherming van de vorst stond’. En dat waren ze vrijwel allemaal.
Het hof had grip op alle muziekinstellingen van Florence, inclusief het patronage van musici en componisten. De eerste Florentijnen die instrumenten voor het hof in Florence mochten bouwen, verdienden een belangrijk deel van hun inkomsten met hun werk aan het hof.
Muziek werd niet alleen beoefend aan het hof maar ook in academies en privéwoningen. Tradities uit de Renaissance werden voortgezet, maar vernieuwingen werden maar mondjesmaat toegepast. Interesse in kamermuziek nam sterk toe. Hoewel Florence de geboorteplaats van de opera was, nam de stad pas in de 18e eeuw andere dan Italiaanse trends over. Er ontstond een eigen, lokale traditie van komische ‘entr’actes’ bij serieuze opera’s.
Afschaffing van de gilden en de moeizame weg naar vernieuwing
Pietro Leopoldo I wilde de gewoonte doorbreken om de meeste instrumenten uit Cremona te laten komen. Hij ambieerde het om Florence tot voorbeeld maken van de Verlichting waardoor er nieuwe muzikale invloeden van buiten Italië sneller Florence binnen konden komen dan voorheen. Dat werd in een ‘census’, een bindende richtlijn of wet, vastgelegd waarin werd bepaald dat een deel van de collectie uit Toscaans geïnspireerde instrumenten diende te bestaan en niet meer uit Cremona. En dat betekende tevens dat vioolbouwers hun instrumenten moesten gaan aanpassen aan de nieuwe richtlijnen. Dat werd pas mogelijk doordat Pietro Leopoldo het conservatieve systeem van gildes had afgeschaft dat de Toscaanse vioolbouw gedurende eeuwen van vernieuwingen had tegenhouden.
Dat veranderingen niet eenvoudig konden worden doorgevoerd, bleek uit het feit dat er tot het eind van de eeuw nog maar enkele Florentijnse instrumenten konden worden toegevoegd aan de hofcollectie: een contrabas van Bartolomeo Castellani, een viool van Antonio Gragnani en een cello van Gaspero Piattellini van rond 1780.
Bartolomeo Bimbi was in Florence een belangrijk man, ook voor Tomaso. Hij ging over de aanschaf, vernieuwingen en aanpassingen van de instrumenten. In de jaren 1770 werd dat volledig gereorganiseerd als gevolg van de transitie die Pietro Leopoldo had ingezet. Zelf paste Bimbi een cello aan. Gaspero en Luigi Piattellini kregen de opdracht om ingrijpende veranderingen in de rest van de cellosectie aan te brengen. Voor violen koos Bimbi andere goede restaurateurs. Tomaso Carcassi was een van hen.
Conservatisme en de volharding van het Stainer-ideaal
Hoe hardnekkig de conservatieve vioolbouw in Florence was, blijkt uit de instrumenten van verschillenden bouwers, waaronder ook die van Bimbi. Die neigden tot 1790 nog tot de hooggewelfde violen van Stainer. W.E. Hill had over Stainers invloed in Engeland geschreven dat het slechts een jaar duurde voordat de violen van Stainer Engeland veroverd hadden, maar het een eeuwigheid duurde voordat ze ervan af waren. Dat gold klaarblijkelijk ook voor Florence.
Van de broers, wordt Tomaso Carcassi gezien als de meest nauwgezette vakman. De autonome werken van beiden vertonen dezelfde invloed van Stainer als hun gezamenlijke werken, maar de modellen van Tomaso zijn doorgaans iets vlakker, kleiner en verfijnder dan die van Lorenzo.
Van geen van beide broers zijn er overlijdensgegevens teruggevonden.
Bronnen
Tarisio, Cozio archive, bezocht in 2026
Price, J. 2024, Bartolomeo Cristofori: a cello by the maker known as Bartolomeo Cristofori, instrument maker to the Medici court.
O’Brien M., Bartolomeo Cristofori at court in late Medici Florence, The Catholic University of America, 1994.
Dilworth J, “Two-Part Invention” in The Strad, January 1988
Giordano J, “Performer, Inventor, Luthier” in The Strad, May 2013
Leonhard F, The Makers of Tuscany, Cremona: Edizioni Novecento, 2022.
Everett-Heath, J. "Florence". 2025, Concise Oxford Dictionary of World Place Names. Oxford.
Leonhart. F., The Grand Ducal Court restorers of stringed instruments in late 18th century Florence.
Florence and Europe. Arts of the Eighteenth Century at the Uffizi, achive of the Uffici. 2025
D’Accone F., Music in Golden-Age Florence, 1250–1750, Florence
Cochrane E., Florence in the Forgotten Centuries, 1527–1800, Oxford
- Datum
- 12 januari 2026