Doorgaan naar content
bouwer

Lodewich Wilhelm Roumen

*1777 , Maastricht      †1854 , Kampen

De vioolbouwer Lodewijk Roumen werd geboren in Maastricht. Daar woonde hij de eerste twintig jaar van zijn leven en verhuisde vervolgens naar Kampen, Utrecht, Amsterdam en tenslotte nog één keer weer terug naar Kampen. Vermoedelijk leerde hij het vak van van Andrea Gambon die vioolbouwer was in Maastricht. Lodewijk was een veelzijdig man; hij bouwde violen, handelde in muziekinstrumenten en gaf talloze muziekboeken uit.

De instrumenten die van hem bekend zijn, verschillen nogal van elkaar. Er zijn zowel vroeg-Hollandse als Franse stijlkenmerken in te zien. Zijn eerste instrumenten dateren uit de tijd dat hij in Utrecht werkte. In Amsterdam bouwde hij een aantal goede instrumenten maar veel tijd besteedde hij ook aan het uitgeven van muziekboeken. Nadat hij in Amsterdam zijn zaak aan zijn zoon had overgedragen, ging hij weer terug naar Kampen en bouwde daar nog een klein aantal violen en strijkstokken. Zijn zaak in Amsterdam werd door zijn zoon voortgezet tot hij stierf.
Werkplaats(en)
Kampen, ±1797-1801 en 1804-1810 /1843-1854
Groningen, 1801-1804
Utrecht, 1810-±1818
Amsterdam, ±1818-1843

Leven en loopbaan

Lodewijk Roumen is een van die Hollandse vioolbouwers over wie weinig met zekerheid bekend is. Dat betreft niet alleen een belangrijk deel van zijn leven als vioolbouwer, maar met name over de strijkinstrumenten die van hem bekend zijn of met hem in verband gebracht worden bestaat ontbreekt die.

Hij werd geboren in 1777 in hartje Maastricht. Daar werd hij als Lodewich Wilhelmus Joannes Roumen gedoopt en bracht er ruim 20 jaar van zijn leven door. Wanneer hij naar Kampen verhuisde is niet geregistreerd, maar vermoedelijk was dat in 1797. Daar trouwde hij met Anna Gezelschap in 1798. Het jaar daarop lieten zij een dochter dopen in de gereformeerde kerk van Kampen. Als beroep gaf hij koopman op. In 1801 verhuisden zij naar Groningen en kregen er in dat jaar een zoon, Joannes Arnoldus.

Dan keert hij in 1804 weer terug naar Kampen. Die stad was een bedrijvende en welvarende Hanzestad geworden, waar schilders, filosofen, bouwmeesters en musici naar toe waren getrokken. Het zorgde voor een bloeiperiode op artistiek gebied. Maar niet minder belangrijker was dat Kampen een onderdeel vormde van een netwerk van handelsroutes dat tot ver in Europa reikten. Dat stelde Lodewijk Roumen in staat om instrumenten te kopen, verkopen en te verhandelen. Het gezin woonde zes jaar in Kampen en kregen er nog een dochter.

Vervolgens vertrokken zij ook daar weer, om rond 1810 in het centrum van Utrecht terecht te komen. Andere gegevens dan dat zij in 1810 hun zoon laten dopen in de St. Martinuskerk in de Jeruzalemsteeg, zijn er niet. Daar zal Lodewijk Roumen blijven werken tot hij naar Amsterdam vertrekt.

Hoewel hij zich pas in 1825 als koopman en instrumentmaker liet inschrijven in Amsterdam, ging hij er vermoedelijk al eerder naar toe. En ook hier weer midden in het oudste deel van de stad. Anna stierf in 1830, een jaar later trouwde hij weer. In 1832 schreef Lodewijk zich in als muziekboekhandelaar en vanaf dat jaar verkocht hij niet alleen muziekboeken, maar gaf hij die ook uit. Al binnen enkele jaren werd hij een belangrijke uitgever van muziekboeken en had een aanzienlijk eigen fonds. Pas in 1836, toen hij weer verhuisd was, staat hij als ’muzijk-instrumentmaeker’ en winkelier te boek. In de advertentie waarmee hij de opening van zijn ‘Magazijn’ aankondigde, stond dat hij gesorteerd was in strijkinstrumenten van ‘gerenommeerde Duitse en Franse makers, alsmede in Engelse en Weense pianofortes’, later ook bügels, hoorns, snaren en toegangskaarten voor zo ongeveer alle belangrijke concerten en theatervoorstellingen in Amsterdam.

Na de dood van zijn derde vrouw, in 1840, bleef hij nog drie jaar in Amsterdam wonen, maar stopte in 1843. Zijn zoon Joannes Arnoldus, die al lang bij hem gewerkt had, nam de zaak over. Lodewijk keerde in dat jaar voor de derde keer terug naar Kampen. Hij had voldoende geld verdiend om er een huis te kunnen kopen. Hier bouwde hij nog enkel violen en maakte er strijkstokken. In 1846 lagen er op de tentoonstelling ‘Voortbrengselen van de Overijsselsche Nijverheid en Kunst’ in Kampen een viool en twee strijkstokken van de ‘zoo gunstig bekend staande ‘muzijk instrumentmaeker den Heer L. W. Roumen te Kampen’. In 1854 overleed hij aldaar.

Noch in Kampen, Groningen of in Utrecht staat Lodewijk als vioolbouwer in de archieven, maar als koopman. Aannemelijk is dat hij pas later in aanraking kwam met vooraanstaande vioolbouwers van buiten de stad; in die tijd werkten er geen andere vioolbouwers in Utrecht, Groningen of in Kampen. Of en bij wie hij in de leer is geweest is niet met zekerheid te zeggen. Geen van de toen bekende vioolbouwers vermeldde hem als leerling.

Wel is het vermoeden gerechtvaardigd dat er een relatie bestaat tussen Lodewijk Roumen en de vioolbouwer Andreas Gambon. Deze werkte van 1767 tot 1805 in het centrum van Maastricht. Daar was hij de enige vioolbouwer. Lodewijk Roumen woonde rond zijn 12e jaar, de leeftijd waarop de schoolperiode eindigde en kinderen een ambacht kozen, op een steenworp afstand bij Andreas Gambon vandaan. Dat zij elkaar gekend hebben is daarmee aannemelijk geworden. Een vermoeden dat versterkt wordt doordat enkele instrumenten van Roumen gelijkenis vertonen met de violen van Andreas Gambon. Zekerheid of hij bij Gambon in de leer is geweest hebben we weliswaar niet; de kans dat hij het vak van hem geleerd heeft is echter wel groot. Balfoort rekent Gambon tot de goede Hollandse Meesters.

Werk en invloed

Van Lodewijk Roumen zijn weinig instrumenten bekend. De eerste violen die met hem in verband werden gebracht dateren van na 1810. Toen woonde en werkte hij in Utrecht. Instrumenten uit de tijd dat hij in Kampen en Groningen gewerkt heeft zijn er niet.

De invloed van de Franse vioolbouw halverwege de 19e eeuw in Nederland waren seriematig gebouwde violen en een lak die weinig aantrekkelijk genoemd mag worden. Enkele violen die met Lodewijk Roumen in verband gebracht worden verschillen daar weer van, die bevatten soms een mooie diep gele lak, andere instrumenten waren voorzien van een dun opgebrachte helder oranje-gele lak.

Op zijn etiketten gebruikte hij alleen zijn eerste twee voorletters L. W. Roumen of alleen zijn achternaam; Roumen, fioolmaeker. Op het etiket dat hij liet drukken voor zijn winkel stond: A Amsterdam, chez L.W. Roumen.

Of alle instrumenten waar de naam van Lodewijk Roumen aan verbonden is ook daadwerkelijk door hem gebouwd zijn, is niet met zekerheid te zeggen, maar waarschijnlijk is dat niet het geval. Daarvoor verschillen afmetingen, modellen en afwerkingen te veel van elkaar. Tot nu toe is er geen vioolbouwer bekend die hem genoemd heeft als leerling. In alle steden waar hij gewoond en gewerkt heeft, vermelden de archieven dat zijn beroep koopman/handelaar in muziekinstrumenten of boekhandelaar en uitgever was. In Amsterdam verkocht hij wel Duitse en Franse violen, maar of hij ook instrumenten van zichzelf verkocht is niet bekend.

Dat betekent dat hij vermoedelijk maar in een korte periode actief als vioolbouwer gewerkt heeft, en veel langer als handelaar. Toch zijn enkele violen die met hem in verband gebracht worden zeer interessant. Dat zijn de drie violen die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft ook. Ze zijn voorzien van originele etiketten met de tekst ‘L. W. Roumen vioolmaker’ waarop de respectievelijke bouwjaren 1818, 1820 en 1822 staan. Op grond daarvan is het aannemelijk dat hij, eerder dan in archieven staat, niet in 1825 in Amsterdam kwam wonen, maar vóór of rond 1818 . Het is waarschijnlijk dat Lodewijk Roumen niet alleen violen kocht van Franse en Duitse bouwers, maar ook van goede Nederlandse vioolbouwers, ze voorzag van zijn eigen etiket, wat heel gebruikelijk was in die tijd, en ze weer verkocht. Naar de instrumenten van Roumen wordt nader onderzoek gedaan.

Aanvankelijk werd aangenomen dan zijn zoon en opvolger, Joannes Arnoldus, door Lodewijk opgeleid werd, maar dat is twijfelachtig. De invloed van meerdere bouwers uit die tijd is terug te zien in de vorm van Joannes’ violen. De lak die hij gebruikte is diep oranje-rood. Er zijn maar drie violen van hem bekend. Joannes Arnoldus heeft de muziekwinkel van zijn vader voortgezet tot aan zijn dood.

Bronnen

Möller M. ,(1955), The Violin-makers of the Low Countries, Amsterdam.

Onder redactie van Giskes J. En Hooijen E., (2000), 400 jaar vioolbouwkunst in Nederland, Zutphen.

Vannes R., (1999), Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Onder redactie van de KNTV; (1987), Vioolbouw in Nederland, zp.

Amati, Makers Archive, geraadpleegd in 2019.

Tarisio, The Cozio Archive, geraadpleegd in 2019.

Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels, Personalia, 1830.

Alfabetische lijst van boeken welke sedert het jaar 1790 tot en met het jaar 1832 in Noord Nederland zijn uitgekomen.

Naamregister van alle de Heeren kooplieden .. der stad Amstelrodanum, 1836.

Overzicht der tentoonstelling van voortbrengselen van Overijsselse Nijverheid en Kunst te Kampen, 1846 gebr. Van Cleef, s Gravenhage en Amsterdam.

Biographisch woordenboek der Nederlanden; levensbeschrijvingen van zoodanige personen ……hebben Vermaard gemaakt’.

Balfoort D. J., 1931, De Hollandse Vioolmakers, Amsterdam.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
25 oktober 2019