Doorgaan naar content
bouwer

Joseph Hel

*1842 , Mazirot      †1902 , Lille

Joseph Hel begon zijn carrière als vioolbouwer in een tijd dat de tweede industriële revolutie was ingezet en het oude vakmanschap aan alle kanten werd bedreigd. Ook Hel, geboren in 1842, zag na zijn opleiding in Mirecourt hoe er in ateliers gewerkt werd met allerlei machinale methoden. Echt geïnspireerd door het vak raakte hij pas in de werkplaats van de vioolbouwer Sebastien Vuillaume waar nog werd gewerkt volgens traditionele methoden. Het zou Nicolas II Darche zijn, een van de leerlingen van François-Nicolas en Jean-Baptiste Vuillaume, die zijn uiteindelijke leermeester werd.

Zijn gedegen vakmanschap leidde er toe dat Joseph Hel op 34-jarige leeftijd gevraagd werd vioolbouwer te worden voor l’Academie Imperiale et Conservatoire de Musique, in Lille. Zes jaar later werd hij beheerder van de privécollectie van David Laurie, die een van de mooiste verzamelingen ter wereld bezat. De collectie bevatte Stradivari’s, een Amati’s, Guarneri del Gesù’s, en Vuillaumes. Bestudering van deze instrumenten zou het vakmanschap van Hel zelf verder opstuwen.

Zijn klanten zocht hij inmiddels ver buiten Frankrijk, hij reisde regelmatig naar Engeland en Amerika, en steeds vaker werd hij internationaal gevraagd als jurylid. Bij de wereldtentoonstelling in 1889 wilde hij niet in de jury omdat hij zelf mee wilde doen. Voor die inzending behaalde hij het Diplome d'Honneur. Elf jaar later behaalde hij de Grand Prix op de Exhibition Universelle in Parijs, een hoogtepunt in zijn carrière. Lang zou hij daarvan niet genieten, want hij overleed op 60-jarige leeftijd. Zijn oeuvre omvatte ongeveer 750 instrumenten.
Werkplaats(en)
Lille, 1865-1902

Leven en loopbaan

Hoe gemotiveerd Joseph Hel als jongen was geweest om vioolbouwer te worden, illustreerde hij graag met het verhaal dat hij af en toe de kudde schapen waar hij als jongen op moest passen alleen had gelaten om te gaan kijken in de werkplaatsen in Mirecourt van waar violen gebouwd werden.

Hij was geboren in Marizot waar zijn vader, Pierre Joseph Hel als kleine wijnboer een stuk grond bezat dat hij samen met zijn vrouw, Anne Françoise Lucas onderhield. Joseph was hun enige kind en werd drie jaar na hun huwelijk geboren. Op zijn veertiende begon hij bij François Salzard in Mirecourt aan een opleiding tot vioolbouwer. Naar in Mirecourt gebruikelijk was, stond daar vier jaar voor. Ook Joseph Hel deed er zo lang over en bleef daarna nog één jaar als medewerker van François Salzard.

Te midden van de oprukkende industrialisatie was het niet eenvoudig om een traditionele vioolbouwer te worden. Massaproductie werd in alle sectoren gezien als de oplossing om de internationale concurrentie de baas te blijven. Veel vioolbouwers gingen daar in mee en probeerden met vioolfabrieken de stroom goedkope violen uit Markneukirchen en Tsjechië het hoofd te bieden.

In de eerste jaren na zijn opleiding had Joseph Hel kennis gemaakt met Didier Poirot en Laberte Humbert. Bij hen had hij gezien waar die nieuwe trend toe leidde. Didier Poirot had net een procedé ontwikkeld om dunne lagen hout machinaal tot vioolonderdelen te persen. En bij Laberte Humbert zag hij hoe matig geschoolde arbeiders in grote productieruimtes instrumenten maakten; werkwijzen waartoe hij zich niet aangetrokken voelde.

Van Mirecourt ging hij naar Parijs om voor Sebastien Vuillaume te gaan werken. Ruim een jaar later vertrok hij ook daar weer, keek enkele maanden mee in de werkplaatsen van de firma Martin waar allerlei verschillende muziekinstrumenten werden gemaakt en ging naar Aix-la-Chapelle om bij Nicolas II Darche instrumenten te bouwen. Bij Darche, opgeleid door Francois-Nicolas en Jean-Baptiste Vuillaume, vond hij het niveau waarnaar hij op zoek was geweest.

Deze oriëntatie op zijn toekomst als vioolbouwer duurde van 1861 tot 1865. Hij trouwde in dat jaar met Anne Varin en begon een eigen onderneming in een kleine chambre d’Hôte in Lille. Vier keer verhuisde hij nog voor zij een mooi ruim pand aan de Rue Nationale konden betrekken. Hun huwelijk duurde maar tot 1879. Anne stierf op 39-jarige leeftijd kinderloos. Korte tijd later trouwde hij met Marie Salmon. Als beroep gaf hij ‘marchand luthier et fabricant d'instruments de musique’ op. Een jaar later werd hun dochter Louise geboren.

In 1874 werd Joseph aangesteld tot vioolbouwer van het ‘l’Academie Imperiale et Conservatoire de Musique’, in Lille. Het was een instituut dat de opleiding tot musicus verzorgde in heel Noord-Frankrijk. Zijn aanstelling was opmerkelijk geweest; Joseph Hel had bij zijn benoeming nog maar vijf instrumenten onder eigen naam gebouwd, maar dat was voldoende om de directie te overtuigen.

Het instituut telde zo’n 1000 studenten. Daardoor kwam hij veel in contact met musici en repareerde en restaureerde hun instrumenten. Ook bracht het hem er toe om verbeteringen in zijn eigen instrumenten aan te brengen. Hij bedacht een nieuwe droogmethode voor klankhout en standaardiseerde de aansluiting tussen stemsleutel en de opening, waarmee een snelle en nauwkeurige stemming mogelijk werd.

In 1884 werd Joseph’s zoon Pierre geboren. Joseph nam vaak en graag deel aan tentoonstellingen waar competitie een rol speelde. Hij deed voor het eerst mee aan een tentoonstelling in Lille, daarna in Antwerpen en won bij beide evenementen een gouden medaille, waarna zich dat succes twee jaar later nog een keer in Liverpool herhaalde.

In 1889 stuurde hij twee kwartetten in naar de ‘Exhibition Universelle de Paris’, een evenement waar de Eiffeltoren voor werd gebouwd, 61.000 exposanten aan deelnamen en dat 32 miljoen bezoekers trok. Ook hier won hij een gouden medaille. In het juryrapport dat hem werd uitgereikt, stond dat de klank van de instrumenten die hij had ingestuurd ‘hun gelijke niet kende en ver boven de andere uitstak’. En verderop; ‘Ze bezitten de mildheid van antieke instrumenten.’ Ook op het punt van bouw en afwerking was men eensgezind lovend.

De volgende vijf jaren werkte hij hard aan zijn oeuvre en bouwde zo’n 40 instrumenten per jaar. Daarnaast begon in 1893 ook een periode waarin hij veel jureerde. In 1893 deed hij dat in München, Chicago en Monaco, 1895 in Bordeaux, 1896 in Rouen en in 1897 jureerde hij in Rennes. Allemaal tentoonstellingen waar hij als lid van de jury slechts hors concours mee mocht doen.

Bij de wereldtentoonstelling in Brussel van 1897 zag hij af van zijn lidmaatschap van de jury zodat hij met zijn laatst gebouwde instrumenten zelf aan de competitie deel kon nemen. Anders dan de wereldtentoonstelling in Parijs, die door veel landen geboycot was vanwege het anti-monarchistische thema, deden in Brussel vrijwel alle Europese landen mee. Joseph Hel toonde er twee violen en een cello. Voor die inzending ontving hij het Diplôme d’Honneur.

Ook in 1900 deed Joseph Hel zelf mee aan de ‘Exhibition Universelle de Paris’. Ook nu weer won hij de Grand Prix. Dit keer namen er 76.000 exposanten aan deel en waren er 50 miljoen mensen komen kijken. Aan beide tentoonstellingen hadden ook de vioolbouwers Gand et Bernardel, opvolgers van Nicolas Lupot deelgenomen, maar zij waren achter Joseph Hel beland. 11 jaar na zijn vorige succes behoorde Joseph Hel nog steeds tot de grootste vioolbouwers van Frankrijk.

Na zijn aanstelling tot vioolbouwer van het conservatorium richtte hij zich nog maar weinig op Frankrijk. Hij bouwde een grote klantenkring op in België, Zwitserland en de Verenigde staten waar hij twee keer naar toe ging. Ook in Engeland, waar Franse vioolbouwers erg in trek waren, lukte het hem zonder al te veel moeite om voet aan de grond te krijgen. Zijn belangrijkste zakenpartner was de vooraanstaande Britse vioolbouwer en dealer W. E. Hill.

Via Hill kwam Joseph Hel in contact met de oliemagnaat en verzamelaar David Laurie. Hij woonde in Schotland, maar bezat ook in Brussel een kasteel. Laurie had een van de kostbaarste privé-verzamelingen strijkinstrumenten ter wereld. Zelf bespeelde hij de ‘Alard’ viool van Stradivari, maar hij bezat nog 10 andere instrumenten van deze bouwer. De rest van zijn collectie bestond uit Lupots, Guarneri del Gesu’s, Bergonzi’s, Vuillaume’s en Amati’s. Niet W.E. Hill, maar Joseph Hel kreeg in 1880 de opdracht om de collectie van Laurie te onderhouden en waar nodig te restaureren.

Zijn zoon Pierre was op 12-jarige leeftijd naar Mirecourt vertrokken waar hij bij Gustave Bazin zijn opleiding tot vioolbouwer deed. Hij had daarna nog twee jaar bij enkele vioolbouwers in Mirecourt gewerkt, maar wilde uiteindelijk toch terug naar Lille.

Het hoogtepunt van Joseph’s loopbaan volgde in 1900, het jaar dat zijn zoon definitief terug kwam. Samen met Pierre richtte hij de ‘Exhibition Universelle de Paris’ in en toen Joseph Hel de ‘Grand Prix’ in ontvangst mocht nemen, was Pierre daar getuige van.

Joseph Hel had echter nog maar kort te leven. Hij stierf op 60-jarige leeftijd op 14 maart 1902 in Lille. Tot kort voor zijn dood bleef hij invloed uitoefenen op het personeel en zijn leerlingen. Pierre die nog maar 18 was, nam na zijn dood de zaak over.

Onder Pierre Hel groeide het atelier verder tot een internationaal hoog gewaardeerd niveau. Als hommage aan zijn vader, met wie hij altijd een zeer goede verstandhouding had gehad, bouwde Pierre in de eerste periode na zijn dood voornamelijk violen naar diens voorbeeld. Pas daarna ging Pierre zijn eigen weg.

Werk en invloed

Joseph Hel was weliswaar geen autodidact, maar het werk van Francois Salzard die hem opleidde, had bij lange na niet het niveau van dat van Joseph Hel. Na Salzard waren er geen anderen meer bij wie Joseph Hel in de leer was geweest. Zijn eigen perfectionisme wordt gezien als drijfveer om op hoog niveau te kunnen bouwen. Daar heeft zijn werk aan de bijzondere instrumenten uit de collectie van Laurie ongetwijfeld aan bijgedragen. Weinig andere vioolbouwers kregen de gelegenheid om zoveel instrumenten van de grote bouwers te bestuderen.

Aanvankelijk maakte Joseph Hel kopieën van de grote Italiaanse meesters, met vanaf 1883 tot 1889 zijn ‘Stradivarius Moderne’, maar later bouwde hij instrumenten van eigen model die waren gebaseerd op de vroege Franse bouwstijl. Ze waren esthetisch en technisch nagenoeg perfect en ook qua klank werden de instrumenten zeer hoog gewaardeerd.

Er wordt aangenomen dat hij zo’n 750 instrumenten heeft gebouwd; 600 genummerde exemplaren onder eigen naam, de rest voor anderen.

Na een periode waarin hij maar zo’n 25 tot 30 instrumenten per jaar voor zich zelf bouwde, liep dat op tot 40. In 1891 begon hij aan een viool die het nummer 259 meekreeg, waarna hij in 1899 nummer 498 klaar had. Twee jaar later waren dat er al honderd meer. Zijn laatste viool bouwde hij in 1902.

Joseph Hel stempelde zijn instrumenten aan de buitenkant onder de knop of aan weerszijde daarvan met J. HEL à Lille.

Voor hem werkten Leon Victor Mougenot, Charles Brugère, Auguste Marissal en Paul Mangenot.

Bronnen

L'académie et le conservatoire national de musique de Lille, Livre du centenaire, Imp. du Progrès du Nord, Lille.

Cordonnier A., 1989, Joseph et Pierre Hel, deux luthiers collectioneurs Lillois.

Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2007, Italian & French Violin Makers, Keulen.

Jacquot A., 1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris.

Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.

Cité de la musique/Musée de la musique, Violons, Vuillaume, un maître luthier français de XIXe siècle, 1998, Paris.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Thöne J, 2008, Italian & French Violin Makers, Dubai.

The Violin-Times van 15-2-1894.

Piodras H., 1924, Dictionnaire des luthiers anciens et modernes, Paris.

Tarisio, Cozio archive, geraadpleegd in 2021.

Geneanet; geraadpleegd in 2021.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2021.

Mesdemarches.culture.france, geraadpleegd in 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
16 november 2021