Doorgaan naar content
bouwer

Giuseppe (Joseph) Gagliano

*± 1725 , Napels      †± 1800 , Napels

Giuseppe Gagliano’s geboortestad Napels was in de achttiende eeuw een vat vol tegenstellingen. De stad excelleerde in cultuur, was chaotisch in bestuur en extreem in sociale verhoudingen. Met naar schatting 300.000 inwoners was Napels een van de grootste steden van Europa. Er werd intens en luidruchtig geleefd; processies, markten, straatmuzikanten en straattheater bepaalden het straatbeeld.

De puissante rijkdom van adel en kerk contrasteerde scherp met de armoede van het volk. De 'lazzaroni', de Napolitaanse stadsarmen, leefden vaak op de rand van kleine misdaad. Een vast inkomen ontbrak. Muzikale vorming beperkte zich desondanks niet tot de elite; ook lagere sociale klassen waren opmerkelijk muzikaal geletterd. Dat helpt verklaren waarom er zoveel vraag naar instrumenten was.
Werkplaats(en)
Napels, ±1760 - ±1800

Religieuze en muzikale cultuur in Napels

Het religieuze leven was overal aanwezig. Kerkelijke instellingen bezaten enorme rijkdom en invloed en fungeerden zowel als grootgrondbezitter, liefdadigheidsinstelling en als morele waakhond. Tegelijkertijd bloeide de mirakel-cultus rond San Gennaro, de beschermheilige van de stad. Zijn beroemde bloedwonder gold als teken van bescherming of naderend onheil en vormde zowel een religieus als sociaal en muzikaal evenement. 

Het Bourbonse hof en de muziekpolitiek

Giuseppe was nog jong toen Carlos van Bourbon de macht overnam in Napels. Door de Verlichting gedreven, hervormde hij bestuur en economie en maakte van Napels een zelfstandiger en welvarender koninkrijk. Van een perifere provincie van de Oostenrijkse Habsburgers groeide Napels uit tot een zelfstandige hoofdstad met grote politieke, culturele en economische ambities naar voorbeeld van Parijs en Madrid. Althans, zo begon zijn heerschappij. Hij vond zich de ‘Ware Koning van Napels’ en bleek uitgesproken ideeën te hebben over hoe de grandeur van een groot Europees hof eruit moest zien.

Hij liet het ‘San Carlo’ bouwen, een operagebouw dat het mooiste en grootste van Europa moest worden. Nieuwe wegen, aquaducten en havens werden aangelegd. Met de groei van het hof kwamen ook ongekend veel musici naar de stad. Charles de Brosses, schrijver en lid van de Académie des Sciences schreef dat Napels in korte tijd was uitgegroeid tot de muziekhoofdstad van Europa. Don Carlos de Bourbon droeg in 1759 Napels over aan zijn zoon Ferdinand, die een verlicht despotische vorst bleek te zijn en het beleid van zijn vader voortzette.

‘Napels werd onder de Bourbons
een van de vier grote
muzikale centra van Europa’

De Napolitaanse conservatoria

De vier conservatoria van Napels bepaalden de muziekcultuur. Oorspronkelijk waren dat kerkelijke instellingen die weeskinderen opleidden, maar zij waren uitgegroeid tot elite-opleidingen voor musici. Veel afgestudeerden vonden werk aan Europese hoven, in kerken of operahuizen. Daarmee exporteerde Napels niet alleen muziek, maar ook musici en instrumenten. En in het kielzog daarvan ook instrumenten van de familie Gagliano. De academies werden geleid en betaald door de adel en kerk en waren derhalve conservatief. Kerkmuziek (missen, oratoria) en opera beïnvloedden elkaar voortdurend.

Napels werd onder de Bourbons een van de vier grote muzikale centra van Europa. Alessandro Scarlatti en Giovanni Battista Pergolesi bepaalden de stijl van opera en kerkmuziek ver buiten Italië.

Reproductie originele titelpagina + partituurblad van Salve Regina van Pergolesi. Zie bronnen¹

De Dynastie van de Gagliano’s

Binnen deze muzikale wereld vestigde de familie Gagliano haar naam. Giuseppes grootvader Alessandro Gagliano (ca. 1665-1732) was de pionier van de familie geweest. Door contacten met vioolbouwers in Cremona bracht hij Noord-Italiaanse invloeden naar Napels. Alessandro’s zonen Nicolò en  Gennaro maakten van de familie een gevestigde naam in de Napolitaanse vioolbouw.

Anders dan in Cremona genoten vioolbouwers in Napels doorgaans geen hoge artistieke status. Zij werden eerder gezien als gespecialiseerde ambachtslieden binnen een breder verband van instrumentenmakers. De Napolitaanse bouwers onderscheidden zich van die van Cremona door een wat pragmatischer benadering van vioolbouw. Waar Cremonese instrumenten vaak werden gebouwd voor de aristocratie, verzamelaars en hofmusici, waren Napolitaanse instrumenten meer gericht op praktisch gebruik in kerken, theaters en conservatoria. Dat verklaart mede de grotere variatie in afwerking en materiaalkeuze.

Vermoedelijk groeide Giuseppe op in het atelier van zijn vader, maar door onderzoek en op basis van stilistische overeenkomsten vermoeden kenners nu dat hij vooral door zijn oom Gennaro werd gevormd.

Giuseppe werd vermoedelijk rond 1725 geboren, kort na zijn broer Ferdinando. Antonio volgde in 1728 en veel later Giovanni. Alle vier zouden zij vioolbouwer worden. Hun vader Nicolò Gagliano gold als een van de voornaamste bouwers van Napels. Hij zou leerling zijn geweest van Omobono Stradivari, zoon van Antonio Stradivari, die enige tijd in Napels had gewerkt. Nicolò bezat contracten met drie van de vier conservatoria en onderhield of bouwde instrumenten voor hun leerlingen en ensembles.

Vermoedelijk groeide Giuseppe op in het atelier van zijn vader, maar door onderzoek en op basis van stilistische overeenkomsten vermoeden kenners nu dat hij vooral door zijn oom Gennaro werd gevormd. Volgens Philip J. Kass bleven Giuseppe en Ferdinando nog wel tot in de jaren 1750 betrokken bij Nicolò’s atelier voordat zij overstapten naar Gennaro. Naar de mening van Kass zijn de laatste instrumenten van Nicolò door Giuseppe gebouwd. Nicolò gold als prominent bouwer, maar Gennaro wordt tegenwoordig vaak als een grotere vakman beschouwd.

Hongersnood en economische neergang

Toen Giuseppe volwassen werd en zijn eigen instrumenten begon te bouwen, verslechterde de situatie in Napels. De hervormingen die door Carlos de Bourbon waren ingezet, bleken rampzalig uit te pakken. Door armoede en een massale trek van het platteland naar de stad raakte Napels overbevolkt. Rond 1764 stierven duizenden Napolitanen door ondervoeding en ziekte. Alleen de kerk bood nog enige structurele hulp aan de armen.

Deze economische neergang trof ook de vioolbouw. Giuseppes vader en broers konden blijven leven van hun werk voor de conservatoria. Giuseppe zelf komt niet voor in hun archieven. Wel was hij een productieve bouwer. Binnen de familie lijkt hij een weinig prominente positie te hebben ingenomen. Waar Ferdinando en Gennaro een duidelijke signatuur ontwikkelden, lijkt Giuseppe vaak samen met anderen te hebben gewerkt.

Wolfgang Amadeus Mozart op de leeftijd (14 jaar) dat hij Napels bezocht.

Ondanks het verval van Napels na 1764, wilde Leopold Mozart de stad graag aandoen. Wolfgang Amadeus trad meerdere keren op in het conservatorium Pietà dei Turchini, gaf in juni 1770 een concert in het huis van een Britse diplomaat en werd voorgesteld aan muzikale en diplomatieke kringen. Amadeus Mozart vond sommige gewoonten van de Napolitanen maar “achterlijk” en vond hen “diepgeworteld bijgelovig”. Maar over de muziek in de stad was hij enthousiast. Speciaal over de virtuositeit van de vioolspelers. Wolfgang Amadeus maakte wel indruk op de Napolitanen en op het hof. Het leverde hem echter niet de baan op waar zijn vader op had gehoopt.

‘Voor datering en toeschrijving
zijn etiketten binnen de hele familie Gagliano
notoir onbetrouwbaar’

Giuseppe en Antonio

Vanaf circa 1780 ging Giuseppe een vorm van samenwerking aan met zijn drie jaar jongere broer Antonio; zij deelden een werkplaats en bouwden samen een aanzienlijk aantal violen. Hun gezamenlijk werk duurde vermoedelijk tot rond 1800, waarbij zij etiketten gebruikten waarop zij zich beiden als de zonen van hun vader profileerden. ‘Joseph e Antonius Gagliano filii Nicolai’ en niet als leerlingen van Gennaro. Instrumenten uit die periode worden doorgaans lager gewaardeerd dan Giuseppes vroege werk, waarin hij soms het niveau van zijn vader benaderde. Antonio geldt als een minder verfijnde bouwer. Na 1800 zijn er geen instrumenten van zijn hand meer gevonden. 

Joseph of Giuseppe

Op etiketten gebruikte Giuseppe opvallend vaak de naam “Joseph” in plaats van “Giuseppe”. Dat maakte zijn naam toegankelijker voor de Engelse, Franse en Duitse markten. Instrumenten van de Gagliano’s circuleerden via handelsnetwerken door heel Europa.

Antonio gebruikte juist vaak de Latijnse versie van zijn naam: “Antonius”. Etiketten met de namen Joseph en Antonius komen op hun gezamenlijk etiket voor.

Joseph e Antonius Gagliano filii Nicolai

Etiketten, archieven en onzekere toeschrijvingen

Voor datering en toeschrijving zijn etiketten binnen de hele familie Gagliano notoir onbetrouwbaar. Zij werden hergebruikt, vervalst of door meerdere familieleden gedeeld. Ook de archieven droegen niet bij aan de datering; die werden niet bijgehouden of stukken raakten kwijt. Betrouwbare gegevens over de familie Gagliano zijn dan ook schaars.

Daardoor is Giuseppes oeuvre moeilijk scherp af te bakenen. Veel instrumenten werden pas in de negentiende of twintigste eeuw aan hem toegeschreven. Kenners herattribueren regelmatig werk aan “school van Gagliano” in plaats van specifiek aan Giuseppe. 

Ferdinand IV van het huis Bourbon regeerde als een verlicht despoot over Napels

De laatste jaren van de Napolitaanse school

Giuseppes actieve periode wordt meestal geplaatst tussen circa 1760 en 1800. Rond of kort na 1800 verdwijnt zijn naam. Mogelijk stierf hij vroeg of ging hij op in een atelierverband. De laatste decennia van Giuseppes leven vielen samen met een periode van grote politieke onrust. De Franse Revolutie werkte door in Napels, waardoor revolutionaire en royalistische stromingen hard tegenover elkaar kwamen te staan. Rond 1790 leidde dit tot een gewelddadige repressie door de Bourbons. Voor vioolbouwers en musici betekende deze instabiliteit economische onzekerheid en het wegvallen van beschermheren. Dit markeerde tevens een overgang van aristocratisch mecenaat naar een commerciële productie.

Hoewel Giuseppe Gagliano niet de naam heeft een centrale figuur binnen de Napolitaanse vioolbouw te zijn, is hij belangrijk voor het begrijpen van de laatste fase van de Napolitaanse school: de overgang van individueel meesterschap naar meer collectieve productie en de complexe samenwerkingsverbanden van familieateliers.

"In conceptione tua virgo Maria Immaculata fuisti/ Ora pro nobis Patrem, cujus Filium Jesum de Sp. s.peperisti" Religieuze tekst, in een altviool van de Gennaro familie, Collectie NMAH²

Stijl, bouw en afwerking

Net als zijn vader bouwde Giuseppe instrumenten met een duidelijke invloed van Stradivari, maar met een onmiskenbaar eigen Napolitaanse inslag. Vroege kenners zoals Lütgendorff vonden rond 1900 dat hij soms ‘zonder veel zorg’ naar de modellen van zijn vader werkte, en opmerkelijk onregelmatige krullen sneed. Tegenwoordig hebben kenners daar een meer genuanceerd oordeel over, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de eerste ca. 15 jaren en de latere periode van samenwerking. Een enkel instrument werkte hij af in de stijl van Stradivari. Hij bouwde niet alleen violen, maar ook gitaren en mandolines. Er zijn daarnaast enkele violen van klein formaat, cello’s en altviolen van hem bekend.

Hij werkte zijn instrumenten af met een dunne, transparante laklaag, meestal oranje tot goudbruin, over een gebeitste ondergrond. Deze vernis wordt beschreven als kenmerkend voor de traditie van zijn familie. Vaak bracht hij een extra label met een religieuze tekst aan op de binnenzijde van de bovenste rib. Een gewoonte die bij de hele familie in zwang was. Een dergelijke tekst weerspiegelde niet alleen zijn persoonlijke vroomheid, maar diende mogelijk ook als ‘bescherming’ tegen ongeluk of ziekte.

Foto met dank aan Tarisio

Achterblad van de viool uit de collectie van Het Muziekintrumentenfonds

Voorbeelden van zijn etiketten zijn: “Giuseppe Gaglianus filius Nicolai / fecit Neapoli, 1787”, “Giuseppe Galiano di Nicola / fecit Napoli, 1781”, “Joseph Gagliano filius / Nicolai et nepos Januarius fecit Neapoli / 1793” en “Joseph Gagliano filius / Nicolai fecit Neap. 1761”. 

Onzekerheid over het jaar van overlijden

Een exact jaar van zijn dood is in de archieven van Napels niet gevonden. Een graf evenmin. Sommige vermeldingen wijzen op een overlijden in 1793, maar de identificatie blijft onzeker. Er bestaan etiketten met latere dateringen. Dat heeft geleid tot speculatie dat Giuseppe langer actief bleef. Maar het is ook mogelijk dat etiketten werden hergebruikt, of dat werk van andere familieleden later aan hem werd toegeschreven. Er zijn instrumenten met een etiket van Giuseppe bekend die gedateerd zijn met jaartallen variërend van 1800 tot 1815. Antonio was zeker twintig jaar jonger en heeft nog tot 1825 instrumenten gebouwd. Het is denkbaar dat hij, zeker in de eerste jaren na Giuseppes dood, diens etiket nog heeft gebruikt voor zijn eigen werk.

Bronnen

DelDonna A. R., 2020, Opera, Theatrical Culture and Society in Late Eighteenth-Century Naples.

DelDonna A. R., 2018, Opera, Instrumental Music in Late Eighteenth-Century Naples: Politics, Patronage and Artistic Culture.

Acton H., 1985, The Bourbons of Naples, Londen.

Gjerdingen R.O. – Music in the Naples Galant Style

Di Giacomo, S., 1924., The Four Ancient Music Conservatories of Naples, Milaan.

Florimo, F., 1882. The Music Schools and Conservatories in Naples, with a look at the musical history of Italy. Napels.

Acton, H., 1956, The Bourbons of Naples, 1734–1825. London.

Oliveri G., 1989, Two Centuries of Violin Making in Naples, Napels

Robinson M.F., 2001, Music in Eighteenth-Century Naples, Manchester.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

von Lutgendorff, 1922, Die Geigen- und Lautenmacher vom Mittelalter bis zur Gegenwart, Frankfurt.

¹Paine, J.K., Thomas,T. and Klauser, K.,1906, Famous Composers and their Works, Boston

²Altviool Gennaro Gagliano (1762). Foto met dank aan National Museum of American History

Auteur
Jan Boekhout
Datum
12 mei 2026