Doorgaan naar content
bouwer

Jean-Baptiste Vuillaume

*1798 , Mirecourt      †1875 , Parijs

In september 1867, tien jaar voor zijn dood, schreef Jean-Baptiste Vuillaume over de violen, alten en celli die hij dat jaar had ingestuurd naar de Grote Tentoonstelling van Parijs; ‘Ik heb er twee kwartetten laten zien waarin alles zit wat ik weet, om daarmee de perfectie zo dicht mogelijk te kunnen benaderen’. De jury waardeerde de uitzonderlijke kwaliteit van deze vier instrumenten met een gouden medaille.

Samen met Nicolas Lupot behoort Jean-Baptiste Vuillaume tot de grootste Franse vioolbouwers van de negentiende eeuw. Bleef de eerste ietwat mysterieus, over Vuillaume is een veelheid van feiten, verhalen en anekdotes bewaard gebleven. Daaruit hebben onderzoekers uiteindelijk goed kunnen opmaken hoe hij zich, afkomstig uit het eenvoudige milieu van Mirecourt, ontwikkeld heeft tot een legendarisch fenomeen. De mythen en verdichtsels, al dan niet door hem zelf in het leven geroepen of nooit weersproken, zorgden jarenlang voor wat verwarring bij de reconstructie van zijn leven en werk, maar voegden er wel veel kleur aan toe.
Werkplaats(en)
Mirecourt, 1810-1818
Parijs, 1818-1875

De Vuillaume-dynastie

Het oudste met zekerheid teruggevonden familielid van Jean-Baptiste is de molenaar Jean Vuillaume. Die leefde van 1647-1707 in Bassompierre, zo’n vijfentwintig kilometer van Mirecourt af. Een van zijn zonen, Charles François trouwde met Barbe Arnould. Zij was afkomstig uit Mirecourt. Daar zouden zij na hun huwelijk gaan wonen. Dat was een keuze met onbedoelde, maar grote gevolgen voor de volgende generaties Vuillaume. Mirecourt, dat toen op het kruispunt van belangrijke handelsroutes lag, zou in de loop van de tijd het centrum worden van de Franse vioolbouw waar vrijwel alle grote Franse bouwers vandaan zouden komen of er het vak leerden. Evenals zijn ouders kreeg Charles François elf kinderen. Van de vier jongens stierven er drie, alleen Claude François Vuillaume overleefde. Hij was de eerste in de Vuillaume-dynastie die zich vioolbouwer noemde. Zijn zoon Charles François en diens zoon Claude François volgden hem op in dat vak. De laatste was de vader van Jean-Baptiste Vuillaume.

In 1795 trouwde de vader van Jean-Baptiste met Anne Leclerc. Anne was kantwerkster en haar vader beheerde de tuinen van het ‘Domâine de Ravenel’ dat ten oosten van Mirecourt lag.

Tijdens de turbulente en soms ook bloederige jaren van de eerste Franse revolutie werden hun zeven kinderen geboren. Daar bleven er maar vijf van in leven, waarvan de vier jongens vioolbouwers zouden worden. Jean-Baptiste was de oudste. Hij kwam in 1798 ter wereld, zijn broer Nicolas in 1800, Nicolas François in 1802 en ten slotte werd Claude François in 1807 geboren. Niet gespaard voor het noodlot verloren de kinderen hun moeder toen de jongste acht was. Jean-Baptiste zou later schrijven dat er nauwelijks enige afwisseling in de dagen van zijn jeugd was; hij herinnerde zich alleen dat hij als kind zijn vader hielp bij de wijnoogst van de familie en pas toen hij van hem de eerste beginselen van het vioolbouwersvak leerde, leefde hij op. Na zijn leerschool bleef hij nog tot 1818 bij zijn vader werken.

Parijs: Chanot, Lété en Nicolas François Vuillaume

In dat jaar kwam François Chanot, ook uit Mirecourt, terug uit de oorlog; zwaar gewond maar vol plannen. Chanot was briljant, had al jong de polytechnische school doorlopen en een viool bedacht waarvan hij met zekerheid wist dat het model een betere klank zou voortbrengen dan de toen bekende violen. Hij vroeg aan zijn broer George, met wie Jean-Baptiste bevriend was en aan Jean-Baptiste zelf om hem te helpen bij de productie van deze vinding. George ging direct mee naar Parijs en Jean-Baptiste volgde hem later dat jaar. Het project mislukte, maar Jean-Baptiste bleef in de Franse hoofdstad.

Ondertussen werkte Jean-Baptiste ook bij Nicolas Antoine Lété voor wie hij violen bouwde. Lété had in Mirecourt een fabriek waarin hij zijn passie voor orgels uitleefde en in Parijs een zaak met voordelige instrumenten en accessoires. In violen was hij nauwelijks geïnteresseerd. Wel werkten er enkele goede vioolbouwers voor hem. Toen Lété in 1819 en in 1823 instrumenten naar het concours in Parijs stuurde werden er twee violen met een zilveren medaille bekroond. Een ervan was van François Chanot, de andere was gebouwd door Jean-Baptiste Vuillaume. Door dit succes werd Jean-Baptiste Vuillaume vennoot van Lété. Vanaf dat moment heette de firma ‘Lété et Vuillaume’.

Al rond 1822 was Jean-Baptiste toen hij nog bij Chanot werkte, begonnen om zijn instrumenten van zijn eigen etiket te voorzien. Daar ging hij bij Lété gewoon mee door. Aanvankelijk werd Jean-Baptiste geholpen door zijn broer Nicolas François, maar de samenwerking tussen Lété en Vuillaume was niet van blijvende aard; de vennootschap werd in 1827 ontbonden, maar met Nicolas François ging hij wel verder.

Rue Croix-des-Petits-Champs, atelier aan huis

Intussen had Jean-Baptiste zijn vrouw Adèle Guesnet in Parijs ontmoet. Adèle was de oudste dochter van de ondernemer en burgemeester van Clermont, Jean Guesnet; zij was toegewijd, slim en zeer vermogend. Hij trouwde met haar in 1826. Samen kochten zij een woning met atelier aan de rue Croix-des-Petits-Champs in Parijs. Een groot pand in een levendige buurt met bekende vioolbouwers en strijkstokkenmakers als buurtgenoten. Hun atelier groeide te midden van de tientallen Parijse vioolbouwateliers en handelaren in strijkinstrumenten. Zijn broer Nicolas François trok bij hen in.

De nieuwe machthebbers hadden tijdens en direct na de Franse revolutie aan muziek een belangrijke sociale functie toegekend; er werden veel nieuwe composities geschreven en concerten werden massaal bezocht. Daardoor leefde het muziekleven in Parijs enorm op. Niet verwonderlijk dat ook de vraag naar nieuwe instrumenten zó toenam dat al deze ateliers aan het werk konden blijven of zelfs groeiden. Jean-Baptiste Vuillaume en zijn broer bouwden samen in die jaren zo’n dertig instrumenten per jaar. Zij kopieerden de Cremonese meesters en Jean-Baptiste ging persoonlijk in het buitenland hout uitzoeken om daar de beste instrumenten van te maken.

 "De vioolbouwer wiens werk in de eerste rijen van de beste Franse vioolbouwers thuishoort."

Ook in het eerste jaar na zijn huwelijk zette zijn voorspoed zich voort: hij won een zilveren medaille voor enkele violen die hij ingestuurd had naar het Concours National in Parijs en op een andere belangrijke tentoonstelling van instrumenten noemde de cellist en componist Jean-Marie Raoul Jean-Baptiste Vuillaume ‘de vioolbouwer wiens werk in de eerste rijen van de beste Franse vioolbouwers thuishoort’. Jean-Marie Raoul was een bekende musicus en zijn waardering bereikte vele musici. Vuillaume had voor hem een prachtig zestiende-eeuws, door Tieffenbrücker gemaakt instrument nagebouwd en – niet onbelangrijk – verbeterd.

Het succes van Jean-Baptiste was voor zijn broer Nicolas François aanleiding om zelf ook een atelier te beginnen. In 1828 vertrok hij naar Brussel. Voor Jean-Baptiste was dat een waar verlies; hun samenwerking was voor beiden productief geweest. Als vervanging zocht hij in Mirecourt enkele jonge, veelbelovende vioolbouwers. Die vond hij in Charles Buthot, Honoré Derazey en Hippolyte Silvestre. Nicolas François verging het minder goed. Snel achter elkaar verloor hij zijn vrouw en twee van zijn drie kinderen. Na hun dood ging hij terug naar Parijs waar Jean-Baptiste zich over hem ontfermde.

Strijkstokken

In diezelfde periode breidde hij zijn atelier uit met een afdeling voor het maken van strijkstokken. Dominique Peccatte en Jean Pierre Marie Persoit waren zijn eerste medewerkers. Met hen kwam de productie van strijkstokken op het allerhoogste niveau. Vuillaume had van Lété geleerd dat hij veel aandacht voor zijn werk kreeg door deel te nemen aan tentoonstellingen. Dat deed hij in 1834 ook weer.

François-Joseph Fétis

Dit keer leverde het hem een volgende zilveren medaille op en misschien nog wel belangrijker: een langdurige vriendschap met de musicoloog François-Joseph Fétis, hoofdredacteur van een zeer invloedrijk muziek tijdschrift. Deze vriendschap zou een uitgebreide briefwisseling opleveren waar onderzoekers en biografen later dankbaar gebruik van gemaakt hebben om het leven en werk van Jean-Baptiste Vuillaume in beeld te brengen.

Lovende recensies en spraakmakende instrumenten

De recensies over zijn werk waren zo lovend dat een viool van Vuillaume in de pers zelfs werd vergeleken met een van Stradivari. In 1839 ontving hij daarvoor zijn eerste gouden medaille. Mede hierdoor steeg zijn aanzien onder musici verder. Drie jaar later vertrok zijn broer Nicolas François weer. Hij had genoeg van Parijs en wilde terug naar zijn geboortestad Mirecourt; na enkele jaren bleek Parijs voor hem te groot, maar vooral te druk te zijn. Jean-Baptiste bood hem aan om daar, in Mirecourt zijn twee eenvoudiger instrumentlijnen voor hem te gaan maken; de ‘Stentor’ en de ‘St. Cecilia’. Vanaf dat jaar werkte er één Vuillaume in Parijs, één in Brussel en één in Mirecourt. De relatie met Nicolas bleef close; met hem besprak Jean-Baptiste nog jaren de ontwikkelingen van zijn bedrijf.

Octobas (lengte 3,48 m!) Musée de la Musique, Parijs

Tussen 1840 en 1850 groeide de firma uit tot een bedrijf waar zo’n 150 instrumenten en 600 strijkstokken per jaar werden gemaakt, een tot dan toe in Europa nauwelijks geëvenaard succes. In de tussenliggende jaren zag Vuillaume ook nog kans om twee gouden medailles te winnen, een spraakmakende driesnarige octobas met een hoogte van 3,48 m te bouwen, als ook een contrabas en een contralto. Alle drie bijzondere instrumenten.

Kort achter elkaar trouwden zijn twee dochters; Émilie trouwde in 1849 met een van de belangrijkste Franse violisten, Delphin Alard, en Marie-Claire trouwde een jaar later met een Parijse advocaat, François Mestayer. Alard deed onderzoek naar speltechnieken van violisten en ontwikkelde een type strijkstok dat het Alard-model genoemd werd. Die strijkstokken werden door Voirin in een van de ateliers van Vuillaume gemaakt.

Van Voirin is bekend dat hij na vijftien jaar voor Vuillaume gewerkt te hebben een enorme ruzie met hem kreeg over gebrek aan waardering en de bijpassende beloning.

Vermoedelijk was het de oprukkende choleraepidemie die in Parijs aan tienduizenden mensen het leven zou kosten die Jean-Baptiste ertoe aanzette om ook buiten de stad, in Ternes, een huis te kopen; zijn vierde. Zijn derde huis in Parijs had hij kort daarvoor aangeschaft. Het voorname huis in Ternes liet hij verbouwen en maakte er een atelier in. Daar werkten en woonden strijkstokkenmakers zoals Voirin met hun gezin. Er heerste evenals in Parijs een streng regime; niemand sprak tijdens het werk. Overal stimuleerde Jean-Baptiste de creativiteit van zijn medewerkers. Soms vroeg hij hen om nieuwe oplossingen te bedenken voor wat hij tegenkwam. Niet altijd kende hij de eer van vondsten toe aan wie dat toekwam, maar noemde zichzelf als de bedenker ervan. Van Voirin is bekend dat hij na vijftien jaar voor Vuillaume gewerkt te hebben en vele vondsten voor hem gedaan had, een enorme ruzie met hem kreeg over gebrek aan waardering en de bijpassende beloning. Hierdoor moest hij met zijn gezin het huis van Vuillaume in Ternes uit. Dit betekende een abrupt eind van een vijftienjarige vriendschap.

Bekroning op tentoonstellingen in Engeland en Frankrijk

In Frankrijk had Jean-Baptiste al een indrukwekkend netwerk opgebouwd, maar hij ging naar Engeland om ook daar naartoe uit te breiden. Na de tentoonstelling in Londen van 1851, waar hij met succes aan deelnam en zelfs de begeerde Council Medal won, legde hij contact met handelaren die zijn instrumenten in Engeland gingen verkopen. Op de terugreis naar Frankrijk kreeg hij te horen dat hem het kruis van het Legion d’Honneur was toegekend.

Wereldtentoonstelling Parijs 1855, Palais de l'Industrie

De kroon op het werk van de broers Vuillaume zou het jaar daarop komen. Alle drie ontvingen zij een medaille voor hun instrumenten op de grote Parijse tentoonstelling van 1855 die in opdracht van Napoleon was georganiseerd. Daar waren alle groten op het gebied van de nijverheid, kunst en wetenschappen aanwezig. Jean-Baptiste had rond die tijd al een groot vermogen verdiend. Dat stelde hem in staat om in dat jaar de collectie van 144 Italiaanse meesterinstrumenten te kopen van de verzamelaar Luigi Tarisio. Daarmee bezat hij in een kéér meer instrumenten van Stradivari dan enige eigenaar ooit zou bezitten.

Een turbulente tijd

Nog één keer zou Vuillaume te maken krijgen met geweld dat hem bemoeilijkte om zijn werk te doen. De revolte van de Parijse Commune sloeg in 1871 hard om zich heen. In de ‘bloedige week’ verlieten de beter gesitueerden halsoverkop Parijs. Zo ook de families Alard en Vuillaume. In de voorafgaande turbulente periode was het moeilijk geweest om instrumenten te bouwen, laat staan te verkopen. In een brief aan Fau schrijft hij: 'Het is een wonder dat ik niet gewond geraakt ben en wat instrumenten betreft; ik heb niets te verkopen of te kopen’.

Hij zou tot aan zijn dood instrumenten blijven maken.

Toen Jean-Baptiste zestig werd stopte hij met het leiding even aan zijn zaak. Hij sloot zijn winkels in de rue Croix-des-Petits-Champs en trok zich terug in Ternes. Daar leefde hij in weelde, maar ging onvermoeibaar door met bouwen. Hij liet echter niemand meer toe tot zijn atelier. Wel ging hij nog naar de tentoonstellingen in Londen en Parijs. Niet meer als deelnemer, maar als expert. Aan iedereen liet hij weten dat hij tot aan zijn dood instrumenten zou blijven maken. Tien jaar na de dood van zijn vrouw Adèle, bouwde hij in februari 1875 zijn laatste viool. Het was nummer 3001. Enkele dagen later stierf hij. Beiden liggen begraven op de Cimetière de Montmartre.

Grote en complexe nalatenschap

Zijn dochter Marie-Claire beheerde zijn nalatenschap met grote toewijding. Die was zo groot dat de afwikkeling daarvan haar jaren kostte. Om te voorkomen dat kennis en materiaal van Jean-Baptiste in onbevoegde handen kwam, sloot zij direct na zijn dood de overgebleven vioolbouwateliers. De afdeling waar strijkstokken gemaakt werden ging naar zijn neef Sébastien Vuillaume, maar die stierf enkele maanden later. Marie-Claire had geen kans gezien om alle opusnummers van Vuillaume overzichtelijk te publiceren, daar hebben experts nog jaren onderzoek naar moeten doen. En nog steeds is niet alles opgehelderd. Honderden nummers ontbreken nog. Sommige omdat hij ongeveer 110 instrumenten niet van een nummering heeft voorzien, andere omdat een aantal van de instrumenten nog niet is teruggevonden, maar ook vervalsingen hebben een verwarrende rol gespeeld.

Werk en invloed

Jean-Baptiste Vuillaume bouwde zijn eerste instrumenten voor zijn vader en nog enkele bij Chanot. Dat waren waarschijnlijk zijn eerste en tweede die hij een etiket meegaf, maar die zijn ongenummerd. Zijn eerste genummerde viool is nr. 3. Die bouwde hij bij Lété, evenals de volgende vijf.

Tussen 1823 en 1840 bouwde hij voornamelijk instrumenten naar Italiaanse meesters

Deze instrumenten waren gebaseerd op of gekopieerd naar vroege Parijse meesters, zoals Lupot, een bouwer wiens werk dicht bij hem stond. Toen de vraag naar oude Italiaanse meesters toenam, zag hij meer toekomst in het vervaardigen van instrumenten die daarop gebaseerd waren. Tussen 1823 en 1840 bouwde hij voornamelijk instrumenten naar deze meesters. In het bijzonder die van Giuseppe Guarneri del Gesù, Maggini, Antonio Stradivari en Nicolò Amati. Bij de meeste instrumenten uit deze periode zien onderzoekers naast de herkenbare ‘bron’ er ook wel een heel persoonlijke hand van Vuillaume in terug. Dit wordt wel zijn neo-renaissance periode genoemd.

In de ban van Antonio Stradivari

Naar mate hij het werk van Antonio Stradivari nauwkeuriger bestudeerde, kwam hij meer in de ban van deze meester en zette hij alles op alles om de kwaliteit van zijn werk te evenaren. De ‘Messie’ van Stradivari uit 1716 behoorde tot een van zijn meest favoriete violen. Dat instrument maakte deel uit van de Tarisio-collectie en kwam na aankoop óók in zijn bezit. Daarnaast zaten er enkele mallen van Stradivari in de collectie. Die waren anders dan de vioolbouwers uit de Franse traditie gebruikten. Vanaf 1855 maakte hij regelmatig instrumenten op basis van dit type mal. Dat deed hij ook met de ‘Messie’. Deze viool kopieerde hij ten minste vijftien keer; dertien genummerde en twee ongenummerde exemplaren zijn daarvan bekend.

In de laatste tien jaren van zijn loopbaan verfijnde hij zijn eigen vaardigheden verder en werkte alleen nog maar aan instrumenten van ‘artistieke waarde’, zoals hij het zelf formuleerde. En dat deed hij niet meer in rue Croix-des-Petits-Champs. Iedereen die een goed instrument van zijn hand wilde bestellen kon, volgens een brief die hij aan zijn Engelse handelaar schreef, alleen nog maar terecht in Ternes.

Onnavolgbaar goed in het nabouwen van grote meesters

Kenners van zijn werk zijn van mening dat Jean-Baptiste onnavolgbaar goed was in het nabouwen van grote meesters. Wat hij ook deed, het klopte tot in detail. Zo zou hij de randinleg van een gekopieerd instrument nooit voorzien van zijn eigen detaillering. Hij ging daarbij zo ver dat hij ook de asymmetrie in een Stradivari-viool nauwkeurig overnam; voor de randinleg gebruikte hij één dunne en twee dikkere strookjes hout. Was hij er in geslaagd om een goed gelijkende kopie te maken, dan nodigde hij graag deskundigen uit om zijn gekopieerde instrument van het origineel te onderscheiden. Niet zelden verloren zij. Zelfs Paganini overkwam dat.

Vogelnamen en familiewapens

De samenstelling van de oude Cremonese vioollak was een goed bewaard geheim waar veel onderzoek naar was gedaan. Ook door Jean-Baptiste Vuillaume. Het is zijn verdienste geweest dat hij een lak maakte die daar zéér dicht bij in de buurt kwam.

Familiewapen De Riquet Caraman de Chimay Foto: NMF

Niet zelden werden zijn instrumenten vernoemd naar degenen die hem de opdracht hadden gegeven, zoals de op Amati gebaseerde viool die hij de 'Laurie’ noemde, naar zijn vriend David Laurie. Andere liet hij op verzoek voorzien van een familiewapen; een viool en de ‘octobas’ waren getooid met het wapen van tsaar Nicolaas I, een viool met het wapen van de Saint-Hilaire, een kwartet met die van de graaf Doria, eveneens een kwartet dat hij maakte voor de prins Caraman de Chimay en een viool met het wapen van de familie Cheremetoff. Sommige instrumenten zijn naar vogels genoemd, twaalf verschillende zijn er bekend waaronder de ‘Gouden Fazant’ en ‘De Lijster’. Weer twaalf andere werden vernoemd naar de apostelen of bijbelse figuren, zoals ‘St. Joseph’, ‘Saint Paul’ en een kwartet dat ‘De vier Evangelisten' genoemd werd. Die namen stonden gedrukt op het bovenblad tussen de kam en het staartstuk.

Studieviolen, bijna fabrieksmatig gebouwd

De 'Stentor'- en de 'St. Cecilia'-instrumenten werden in Mirecourt gebouwd naar een model dat hij afgeleid had van Stradivari en soms van Guarneri. De Stentors waren studieviolen die, afhankelijk van de kwaliteit een nummer 1 of 2 droegen. Dat nummer stond op een schildje aan de achterkant van de krul. De beste werden voorzien van een mooi diepe lak, de mindere kregen een weinig aantrekkelijke, matbruine afwerking. De St. Cecilia was een betere lijn dan de Stentor. De violen en een enkele cello uit die serie hadden onder de laatste laklaag een transfer van een vioolspelende St. Cecilia, de patrones van musici. Deze waren beter van klank en iets verfijnder gemaakt dan de Stentors. De vioolbouwers van beide series kregen van Nicolas en Jean-Baptiste maar buitengewoon weinig tijd om ze te maken. De Stentors werden bijna fabrieksmatig gemaakt.

Sommige instrumenten die uit zijn ateliers kwamen, dragen op alle onderdelen identieke nummers. Daaruit valt op te maken hoe deze onderdelen door verschillende medewerkers werden gemaakt om later samengevoegd te worden tot één geheel.

Oeuvre Vuillaume nog altijd onderwerp van onderzoek

Vuillaume had een enorm oeuvre. Naar de juiste omvang en de details daarvan was jarenlang studie nodig van de vier belangrijkste bronnen: de instrumenten zelf, Vuillaumes persoonlijke logboek, de geschreven overzichten uit de ateliers en externe documenten. Onderzoekers kwamen op ca. 3000 instrumenten, inclusief de Stentors en de St Cecilia’s. Eenderde deel daarvan is nog onderwerp van studie. Vuillaume streefde wel naar een consistente administratieve manier van werken, maar slaagde daar niet in. Dat kwam soms door de hectiek van de revolutie of door de dreiging van de cholera, soms door administratieve vergissingen van zijn steeds verder groeiend bedrijf, of gewoonweg omdat het geen prioriteit had; er werden veel vergissingen gemaakt. Uit de veelheid van elkaar soms tegensprekende gegevens was wel globale en op onderdelen zelfs zeer nauwkeurige reconstructie van zijn werk mogelijk, maar het samenstellen van een integraal overzicht is nog gaande.

Van alle ca. 3000 instrumenten die zijn naam dragen zijn er ca. 425 door hem persoonlijk gebouwd. Het aantal strijkstokken dat zijn medewerkers vervaardigden, valt niet meer te reconstrueren evenmin als het aantal strijkstokken dat hij zelf maakte.

Bron: Tarisio

Tot 1825 schreef hij zijn etiketten met de hand. Daarna gebruikte hij drie etiketten in verschillende drukvarianten: No. 30, rue Croix-des-Petits-Champs, Rue Croix-des-Petits-Champs (vanaf 1825), 3 Rue Demours-Ternes (vanaf 1828). Instrumenten die door zijn leerlingen gemaakt werden kregen wel een etiket, maar die tekende hij niet.

Vuillaume had zijn leven lang onvermoeibaar gezocht naar de ideale klank en naar de best denkbare instrumenten om die voort te brengen. De talloze medailles die hij ontving voor zijn werk geven wel aan hoe dicht hij in de buurt is gekomen van de perfectie die hij heeft nagestreefd.

Medewerkers

In de loop van zijn leven heeft Jean-Baptiste ongeveer vijftig leerlingen en medewerkers gehad. De belangrijksten waren: Paul Bailly, Telesphore Barbé, Paul Blanchard, Charles en Nicolas Buthot, Auguste Darte, Alexandre Delanoye, Honoré Dezarey, Georg Gemunder, Joseph Germain, George Lotte, Charles Maucotel, Maurice Mermillot, Ludwig Neuner, Pierre Pacherel, Hippolyte Silvestre, Charles Simonin, Nicolas Vuillaume, Nicolas François en Sébastien Vuillaume.

Bronnen

Jacquot A., 1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris.

Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.

Millant R., 1979, J-B Vuillaume; Sa vie et son oeuvre. Hill&sons, London.

König A.H., 1982, Alte Meistergeigen, beschreibung, expertisen, Verband Schweizerische Geigenbouwmeister, Frankfurt.

Cité de la musique/Musée de la musique, Violons, Vuillaume, un maître luthier français de XIXe siècle, 1998, Paris.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2007, Italian & French Violin Makers, Keulen.

Thöne J, 2008, Italian & French Violin Makers, Dubai.

Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2019.

Geneanet, geraadpleegd in 2019.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2019.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
4 september 2019