Doorgaan naar content
bouwer

Jacobus (Jacob) Stainer

*±1619 , Absam      †1683 , Hall

Op de instrumenten van Stradivari na zijn er vermoedelijk niet méér nagemaakt dan die van Jacobus Stainer. Bijna honderd jaar domineerde het type violen dat hij bouwde in de muziekpraktijk in Duitsland, Oostenrijk, Midden-Europa en Engeland.

Jacob Stainer werd geboren in het plaatsje Absam, aan de voet van de Oostenrijkse Alpen. Zijn vader Hans Stainer werkte in de zoutmijnen, waar een groot deel van de inwoners van het dorp hun brood verdiende. Het was ongezond en gevaarlijk werk, waardoor de gemiddelde leeftijd van de mijnwerkers dan ook laag was. Ook Hans Stainer werd niet oud.

Een geboorteakte van Jacob is nooit gevonden; het dooparchief van de kerk in Absam is verloren gegaan. Bronnen variëren in geboortejaren tussen 1617 en 1621. Zijn naam verscheen voor het eerst in een stuk dat zich bevond in het ‘Verfachbuch’, het notarieel archief van Thaur, waar Absam onder viel. Het betrof een stuk over de erfenis van zijn grootmoeder. Daarin had zij bepaald dat Jacob 100 florin van haar zou erven, maar pas nadat zijn moeder Barbara Ponperger overleden was. Barbara stierf al in 1621, niet lang na de geboorte van Jacob. In dat zelfde jaar hertrouwde zijn vader en werd Jacobs halfbroer geboren.
Werkplaats(en)
Absam, ± 1635-1683

Vorming en eerste jaren

Gezien het latijn dat hij in diverse documenten gebruikte, ging Jacob Stainer hoogstwaarschijnlijk naar de Latijnse school (Gymnasium) van de Jezuïetenorde in Hall. Jacob sprak vloeiend Duits en Italiaans.

Na zijn schooltijd deed Jacob voor korte tijd vaardigheden op in houtbewerking bij de timmerman Hanns Grafinger in het dorp. 

Absam, Hall en de handel in Tirol

Voor de inwoners van Absam bood de marktplaats Hall de gelegenheid om producten te verhandelen. Het lag enkele kilometers van Absam vandaan en was het knooppunt waar belangrijke handelsroutes van München via Salzburg naar Noord-Italië bij elkaar kwamen.

Iedere vier weken trokken mensen uit een groot deel van Tirol en Noord-Italië naar Hall. De voertaal was Duits, in de handelskantoren werd Italiaans gesproken.

Hall im Inntal. Bron: Bibliothek und Archiv des Erzstiftes St Peter, Salzburg

In de dorpen langs de weg tussen Innsbruck en Salzburg waren al sinds de zestiende eeuw veel kleine luitenmakers en vioolbouwers werkzaam. Zij waren in de zomer boer en in de lange winters bouwden zij instrumenten. Het was een traditie die van generatie op generatie werd doorgegeven en waarin zij een hoge mate van vakbekwaamheid hadden ontwikkeld. Zonder enige twijfel kende Jacob deze instrumenten. Daarnaast passeerden instrumenten uit Noord-Italië Hall op weg naar het noorden.

Aangenomen wordt dat Stainer zijn instrumenten daar in de eerste jaren van zijn loopbaan aan de man bracht, zij het nog niet voorzien van een etiket.

Zoutwinning in Absam; de vader van Stainer werkte in de zoutmijnen

Salzburger Dom, bron: https://austria-forum.org/af/Wissenssammlungen/Historische_Bilder/Salzburger_Dom

Salzburg en de ambities van de prins aartsbisschop

De Roomse prins aartsbisschop van Salzburg was er erg op gebrand om de Reformatie de kop in te drukken. Geschat wordt dat het protestantse geloof in die tijd bij meer dan de helft van de burgers in Tirol aansloeg. De aartshertog breidde zowel zijn kerkelijke als zijn wereldlijke invloed uit om de ketterij te bestrijden en deed dat vaak met harde hand en uiterst wreed.

Onder zijn leiding werd de grote Domkerk van Salzburg afgebouwd. Het aantal musici voor het orkest, dat zowel in de nieuwe Domkerk als bij feestelijkheden optrad, liet hij uitbreiden.

Jacob Stainer kende kennelijk de ambities van de prins en legde de 190km af naar Salzburg waar hij enkele van zijn eigen instrumenten toonde aan hofkapelmeester Johann Stadlmayr.             

‘The Stainer model was for a century
the idol of Europe’

— W. Sandys & S. A. Forster

Stainer was een virtuoze violist en bleek met zijn instrumenten overtuigend genoeg te zijn om een paar maanden later de opdracht te krijgen om de Italiaanse violen van het hoforkest te repareren, aan te passen aan de nieuwe muziek of waar nodig te vervangen. Kort daarop leverde Stainer een nieuwe altviool die op de rekening als een ‘viola bastarda’ werd omschreven.

Claudia de' Medici, Justus Sustermans, 1626

Hofvioolbouwer in Innsbruck

Johann Stadlmayr werkte niet alleen in Salzburg, maar ook in Innsbruck onder Claudia de‘ Medici. Zij had in 1632 als regentes de leiding gekregen over Tirol met Innsbruck als hofstad. Ze was muzikaal, had les gehad in harp en fluit en liet festiviteiten met veel muziek omlijsten. Zij haalde de stad uit een financiële en materiële crisis, liet straten plaveien en hervormde de vaak wrede rechtspraak van haar voorganger. Heksenverbrandingen namen in aantal af, maar als “goede katholiek” vervolgde zij juist weer joden en lutheranen met harde hand. Net als andere De’ Medici’s was Claudia een kunstminnende regent. Werken met een religieuze inslag hadden haar voorkeur.

Eind 1644 mocht Jacob Stainer zijn eerste werkzaamheden voor het hoforkest van Innsbruck verrichten dat bij veel gelegenheden uitvoeringen gaf in het paleis van Claudia de’ Medici.

In 1646 droeg Claudia de’ Medici het regenschap over aan aartshertog Ferdinand Karl. Hij benoemde Stainer in 1658 officieel tot hof-vioolbouwer. Daarbij kreeg Jacob Stainer de titel “Dienaar van de aartshertog.” In Innsbruck werkten vioolbouwers van de familie Seelos uit Füssen, invloedrijke, buitengewoon vaardige bouwers, die het pas tot vioolbouwers aan het hof brachten nadat Jacob Stainer zijn opdracht had voltooid.

Liefde, gezin en ondernemerschap

Jacob verloofde zich in 1644 met Margaretha Holzhammer die hij al kende uit het dorp, maar ging eerst nog enkele maanden op ‘Wanderschaft’, een zwerf- en leertocht langs plaatsen waar hij de kennis en gebruiken over muziek en vioolbouw kon verstevigen. Zijn reisdocumenten kreeg hij in 1644 voor Salzburg en in 1645 voor München, waar hij aan het hof een groot formaat altviool verkocht. Er is een rekening uit 1644 teruggevonden van Stainer voor het repareren en de bouw van enkele instrumenten in Salzburg.

Margaretha bracht enkele maanden vóór hun huwelijk een dochter ter wereld. Eind 1645 trouwde Jacob met haar. Getuige bij het huwelijk was Hanns Grafinger. Kort daarop overleed het meisje, net als vijf van de acht kinderen die zij daarna nog zouden krijgen.

Margaretha’s vader had de leiding over een van de mijnen in Hall en was een niet onbemiddeld man. Buiten zijn schuld kreeg Jacobs schoonvader een financiële strop en bleef geld schuldig aan het hof in Innsbruck. Hij moest een grote som terugbetalen, maar kon dat niet. Die schuld nam Jacob van hem over. In plaats van het in geld te voldoen, loste hij de schuld af door een aantal nieuwe instrumenten voor het hoforkest van Innsbruck te bouwen. Contractueel had Jacob laten vastleggen dat zijn schoonvader de schuld in de loop van enkele jaren aan hem zou terugbetalen. Voor de instrumenten rekende hij hem 50 florin terwijl hij die pro forma voor 30 florin (snaren niet inbegrepen) had geleverd.

San Marcoplein gezien vanaf het water, Caspar van Wittel, ca. 1700

Venetië en het begin van een slepende rechtszaak

Met het geld dat hij had verdiend, ging hij naar Venetië, een afstand van ruim 300km en bleef daar een jaar. Net als in andere plaatsen waar muziek een belangrijke rol speelde, waren ook in Venetië luiten- en vioolbouwers uit Füssen werkzaam. Onder hen was Matteo Sellas (Seelos). Füssense bouwers bepaalden met hun vakbekwaamheid in hoge mate de lokale vioolbouw. 

De reden van Stainers weigering [om zijn verblijfskosten te betalen] is niet bekend. Aan geld ontbrak het hem niet

Op de terugweg van Venetië naar Absam verbleef Jacob Stainer enkele nachten in Kirchdorf bij de burgemeester van het dorp, Salomon Hübner. Stainer kreeg onenigheid over de kosten van zijn verblijf en weigerde te betalen wat Hübner vroeg. Dat leidde tot een rechtszaak die twee jaar sleepte. De reden van Stainers weigering is niet bekend. Aan geld ontbrak het hem niet: Jacob had al in 1656 voldoende verdiend om in Absam een groot stuk grond met een mooi huis erop van zijn zwager te kunnen kopen.

Pendeltochten tussen Innsbruck en Salzburg

Tot oktober 1658 bleef Stainer voor het hoforkest van de aartsbisschop Ferdinand Carl in Innsbruck werken en werd in dat jaar officieel tot vioolbouwer van het hof benoemd. Naast zijn werk voor de aartshertog, reisde Stainer ook nog eens vele malen van Absam naar Salzburg om ook daar de violen af te leveren voor het orkest van de aartsbisschop.

‘Mozart himself preferred
a Stainer violin above all others’

— div. 18e-eeuwse bronnen

Succes, erkenning en weer een rechtszaak.

In januari 1669 werd Jacob Stainers aanstelling tot vioolbouwer bekrachtigd door Leopold I, die keizer van het Rooms-Duitse rijk was geworden en werd daarmee 'Dienaar van de Keizer’.

“Wij, Leopold, door de genade Gods tot keizer van het Romeinse Rijk gekozen, erkennen en verklaren officieel dat wij verheugd zijn Jacob Stainer, onze eerbare dienaar, te benoemen, dezelfde titel die hem door onze voorganger, aartshertog Ferdinand Karl, graaf van Tirol, was verleend.”

“Wij bevestigen ook het recht van Stainer om geëerd te worden en dezelfde bescherming van de wet, privileges en vrijstellingen te genieten als onze andere dienaren van vergelijkbare rang.”

In maart van dat jaar werd Jacob Stainer opnieuw door Hübner voor het gerecht gedaagd. De schuld bedroeg oorspronkelijk 9 florin, maar was nu opgelopen tot 24 florin. De rechtbank wees Hübner als woekeraar terecht en seponeerde de zaak. Wel moest Jacob Stainer de schuld van 9 florin voldoen. Ook dit keer betaalde Jacob niet.

Conflict met de kerk

Twee maanden later werd Jacob Stainer gearresteerd. Niet vanwege het geschil met Hübner, maar door een conflict met de kerk. De Reformatie, die zich verzette tegen misstanden in de Katholieke kerk, werd hard de kop in gedrukt. Ketters werden vervolgd, vaak wreed gemarteld en ter dood gebracht. In de omgeving van Hall werden geheime Lutherse bijeenkomsten gehouden die ook door Stainer werden bezocht. De Jezuïeten volgden de Lutherse kerkgangers heimelijk op hun weg naar de bijeenkomsten en klaagden de gelovigen aan als ketters, ook Jacob Stainer.

Hij [Stainer] werd beschuldigd van ketterij en een “religieuze afwijking”

Tijdens zijn afwezigheid doorzochten jezuïeten het huis van Stainer en vonden een bijbel en Lutherse geschriften. Op grond daarvan en van enkele getuigenverklaringen werd hij beschuldigd van ketterij en van een “religieuze afwijking”. Eerst werd hem huisarrest opgelegd, later werd hij gevangen gezet. Zes maanden duurde zijn internering.

Aanvankelijk bleef hij bij zijn Lutherse overtuiging, maar hij zwoer de “ketterij” af tijdens een openbare rechtszitting. Dankzij een publieke spijtbetuiging werd hij ‘slechts’ geëxcommuniceerd en bleef zijn lijfstraf beperkt tot drie zweepslagen. Voor het restant van de straf werd hem gratie verleend. In het gratiebesluit werd bepaald dat hij nog wel als dienaar van de keizer moest worden beschermd “tegen praktijken die zijn reputatie zouden schaden”.

Zonder aanstelling geen bescherming

Na zijn vrijlating merkte Jacob Stainer echter dat de Keizer hem uit zijn functie van ’dienaar’ had gezet. Daarmee was hij niet alleen zijn inkomsten, maar ook zijn bescherming kwijt. Salomon Hübner maakte daar direct gebruik van en zette zijn aanklacht door bij een andere rechtbank. Dit keer voor een veelvoud van de 24 florin en dit keer won hij. Stainer moest een deel van zijn eigendommen verkopen om aan een arrestatie te ontkomen.

‘In de vier jaar voor zijn dood
werd hij ernstig depressief, tot hij in 1681 zelfs
helemaal zijn grip op de werkelijkheid kwijt
raakte’

Laatste werk en verval

Jacob Stainer ging in deze periode door met het bouwen van zijn instrumenten waarvoor nog opdrachten uit Italië, Nürnberg, Rottenbuch en Lumbach lagen. De slechte omstandigheden droegen er toe bij dat hij lichamelijk en mentaal gebroken werd. In de vier jaar voor zijn dood werd hij ernstig depressief, tot hij in 1681 zelfs helemaal zijn grip op de werkelijkheid kwijt raakte. Toch bouwde hij nog kort voor zijn dood in 1683 een viool. Hij werd gek en stierf in 1683. Zijn weduwe handelde de nalatenschap af die zwaar was belast met schulden. Het restant van de bezittingen moest worden verkocht.

Leeuwenkopkrul Jacob Stainer, Absam, 1654. Foto met dank aan musikland-tirol.at

Stromingen

Jacob Stainer bevond zich tussen twee verschillende stromingen in de vioolbouw: die uit Füssen en uit Bolzano. Zelf wordt hij nu beschouwd als de grondlegger van de Tiroler school.

Hij ontwikkelde in zijn loopbaan een herkenbare stijl; zijn instrumenten kenmerken zich door een relatief breed model en een sterk gewelfd bovenblad dat hoger is dan bij de Italiaanse instrumenten. Zijn altviolen hebben een opvallend hoge opstaande rand.

Vergeleken met Italiaanse modellen maakte hij korte en smalle f-gaten, de randinleg ligt dicht bij de rand; de halsblokken, inlegwerk en houtsoorten zijn verfijnd.

Naast de uitzonderlijke verfijning van het instrument zelf, sneed hij soms prachtige koppen op de plaats van de krul: leeuwen-, engelen- of vrouwenhoofden.

Hij gebruikte een lak die varieerde van amber tot oranje-rood, vergelijkbaar in glans met de Cremonese lakken.

Hij paste fijn gevlamd esdoorn toe en selecteerde hout zorgvuldig. Voor het bovenblad gebruikte hij zogenaamde ‘haselfichte’, een houtsoort die boven de 1000 meter werd gevonden, ook in de omgeving van Absam).

Zijn productie kan ruwweg in drie perioden worden opgedeeld:

De vroege fase (tot ca. 1650), waarin vermoedelijk zijn reizen en Italië-invloeden een rol speelden.

De middenfase (tot ca. 1667), waarin zijn stijl vast vorm kreeg, lager gewelfd en smaller van vorm.

De latere fase (na ca. 1667 tot 1680).

Contacten, invloed en nalatenschap 

Van Stainer zijn geen directe leermeesters bekend. Hij moet in hoge mate autodidact zijn geweest. In Hall zag hij ongetwijfeld Italiaanse instrumenten voorbijkomen op weg naar Noord-Duitsland en de Nederlanden. In het nabije Innsbruck en later in Salzburg werkten vioolbouwers uit de stad Füssen. Zij gaan door als de vroegste bouwers van de familie van strijkinstrumenten. Hun werk was uiterst verfijnd en knap gedecoreerd. Georg Seelos, eveneens afkomstig uit Füssen, werkte al sinds 1620 in Innsbruck. Ook Füssense bouwers die in Venetië werkten, kunnen bijgedragen hebben aan de ontwikkeling van Jacob Stainer toen hij daar verbleef. De instrumenten van de familie Seelos hadden een vergelijkbare welving als de vroege violen van Jacob Stainer.

‘His violins are remarkable for
their sweet, silvery tone, particularly suited for
chamber music’

— William Henley

Voorbeeld van een Engelse Viola da Gamba (Londen, 1640-1665, maker onbekend), Collectie Metropolitan Museum of Art

Jacob Stainer werkte het grootste deel van zijn leven waarschijnlijk zonder vaste medewerkers. Alleen de zoon van herbergier en vioolbouwer Klingler uit Rattenberg leidde hij op. Klinglers herberg en werkplaats lag aan de weg die Stainer van Absam naar Salzburg voerde. Klinglers zoon, Christof II, ging rond 1670 naar Stainer en bleef bij hem werken tot zijn vader in 1677 overleed en Christof II weer naar Rattenberg terugkeerde.

Verder onderhield Jacob na zijn leerjaren weinig contact met andere bouwers. Dit verklaart ook waarom de stijl van Stainer in de loop der jaren zo consistent bleef. Wel onderhield hij zeer nauwe banden met de musici van zijn tijd.

Jacob Stainer was een groot bewonderaar van de gamba-speler en componist William Young, die meer dan tien jaar aan het hof van Innsbruck een aanstelling had. Hij kopieerde een viola da gamba die Young in Engeland had laten maken en bouwde daar een aantal van na. In een brief uit 1678: “ik heb nu de vorm en stijl te pakken van de Engelsmans’ gamba.”

Zelf was Jacob Stainer een uitstekend violist en trad ook op in concerten. In brieven vermeldde hij herhaaldelijk hoe belangrijk het voor een vioolbouwer is om muziek goed te begrijpen en zijn instrument te beheersen.

In zijn documenten komen ook de namen van vele beroemde musici voor. Uit zijn brieven weten we dat de violist en componist Heinrich Ignaz Franz Biber contact met hem had en ook op zijn instrumenten speelde. Toen Biber later naar Salzburg verhuisde, regelde hij verschillende opdrachten voor Jacob Stainer, die hij zijn ‘collega’ noemde.

De violist Francesco Maria Veracini, ‘Il Fiorentino’, bezat 26 instrumenten van verschillende bouwers. Op de inventarislijst die werd gemaakt in 1714, stonden 10 Stainer violen. Zijn ‘Stainers’ werden hoger getaxeerd dan instrumenten van Cremonese meesters. Twee Stainer violen had hij gedoopt tot de ‘St. Petrus’ en de ‘St. Paulus. Deze gingen verloren bij een schipbreuk. Het werd omschreven als een ramp.

Francesco Geminiani en Giuseppe Tartini bespeelden beiden Stainer violen. Ook Wolfgang Amadeus Mozart bezat een Stainer uit 1656. “Mazzanti is in het bezit van de mooiste en meest perfecte Stainer viool die ik ooit zag”, aldus de componist en historicus Charles Burney.

In 1776 schreef Hawkins in de Londense uitgave ‘History of Music’: "De violen van Cremona worden alleen overtroffen door die van Stainer, een Duitser, wiens instrumenten opvallen door hun volle en doordringende klank.” En uit de Franse Encyclopédie Méthodique uit 1805: "De violen met de beste klank zijn die van Jacob Stainer. Deze beroemde kunstenaar voltooide elke viool met zijn eigen handen en maakte een enorm aantal exemplaren.”

‘Stainer was the greatest of all makers before Stradivari
and, in the estimation of many, even after him’

— George Hart

Stainer in Engeland

W.E. Hill schreef dat in Engeland de invloed van Stainer al snel na 1700 merkbaar was en dat op enkele uitzonderingen na alle toenmalige bouwers al snel “Stainerized” waren.  Daarna had het jaren geduurd om de invloed van Stainer “uit te wissen” voordat men naar de "leer keerde die werd hooggehouden en benadrukt door Stradivari."

Einde van het Stainer tijdperk.

Tot ver in de 18e eeuw brachten Engelse vioolbouwers als Richard Duke, Lockey Hill en John Betts nog etiketten aan in hun instrumenten om aan te geven dat het om kopieën van Stainer ging. Na 1785 gebruikten ze die etiketten niet meer. Het Stainer-model had toen in Engeland niet langer de overhand.

In andere delen van Europa duurde de invloed van Stainer langer dan in Engeland. Tot ca. eind 18e eeuw bleven zijn instrumenten in Europa zelfs meer geliefd dan die van de grote Cremonese bouwers, totdat de klankidealen veranderden (grotere zalen, orkesten) en men meer kracht en projectie ging verlangen.

Instrumenten

Zijn eerste instrumenten, voorzien van een etiket, dateren van eind 30-er jaren. De laatste uit 1683. Enkele violen die later geantedateerd werden en doorgingen als vroeg werk van Jacob Stainer waren niet van hem, maar van Marcus Stainer die ook in Absam woonde (c. 1633-1693). Deze werkte en bouwde net als Jacob violen in Absam, maar verhuisde. Zijn werk is beperkt, maar wel zo goed dat ze door konden gaan voor die van Jacob.

De meest productieve jaren van Jacob Stainer liggen tussen 1650 en 1660.

Stainers instrumenten werden niet alleen gekocht door uitvoerende musici, maar ook aangeschaft door vermogende verzamelaars. Rond 1700 komen ze voor in collecties van Hill, Baron Knoop en Nathan Posner, en later nog in die van Wurlitzer, Partello en Waddel.

Zijn etiket luidde: Jacobus Stainer in Absam prope Oenipontum fecit, 1663
waar “prope Oenipontum” betekent: nabij Innsbruck

Etiket Stainer

Er bestaan nog een kleine honderd authentieke instrumenten van Jacobus Stainer: enkele altviolen, waaronder een ‘viola di bordone’ en een ‘viola bastarda’, een klein aantal violen en twee cello’s. Ook bouwde hij enkele contrabassen, maar die zijn uitermate zeldzaam. Meer komen viola’s da gamba en een paar gamba’s van ongewoon formaat voor, sommige omgebouwd tot cello’s.

Bronnen

Merzannoff C.E. 1943, The Life of Jakob Stainer 

Moeser K. 1924: Vier Briefe des Geigenmachers Jakob Stainer aus dem Jahre 1678. Innsbruck.

Egg, E., 1983, Jakob Stainer und seine Zeit. Musik in Tirol 1550-1730

Beare, Ch., 1984, The influence of Stainer’s Instruments on the Italian and English schools. Salmen.

Bireley R., 2014. Ferdinand II, Counter-Reformation Emperor, 1578-1637. Cambridge.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
20 november 2025

Geen instrumenten in bruikleen gegeven