Doorgaan naar content
bouwer

Hannibal Fagnola

*1865 , Montiglio Monferrato      †1939 , Turijn

Hannibal Fagnola was een laatbloeier. Hij begon zijn loopbaan als bakker; eerst in zijn woonplaats Montiglio Monferrato, later in Turijn. Hij was muzikaal; speelde gitaar en bouwde dit instrument al jong na onder toeziend oog van de plaatselijke gitaarbouwer. Aanvankelijk lag zijn ambitie niet op dit vlak, maar hij wilde een groter bakkersbedrijf in Turijn beginnen dat 30km verderop lag. Daar ontmoette hij Romano Marengo, een vioolbouwer die zijn kwaliteiten voornamelijk inzette om meer getalenteerde vioolbouwers voor zich te laten werken.

Fagnola bouwde eerst gitaren en een enkele viool in zijn vrij tijd, maar rond 1897 veranderde hij van beroep en verschenen zijn eerste serieuze strijkinstrumenten. Een vakopleiding volgde hij niet, maar hij leerde het bij vermoedelijk van goede vioolbouwers die bij Marengo werkten. Zelf noemde hij zich met enige trots een autodidact.

Rond 1915 was Annibale Fagnola al zover dat hij een eigen werkplaats had, een grote klantenkring om zich heen had en zich een luxe leven kon permitteren.
Werkplaats(en)
Turijn, 1897-1939

Vanaf de jaren twintig was hij internationaal bekend; zijn opdrachten kwamen niet alleen uit heel Italië, maar ook uit de Verenigde Staten en uit Engeland. In de vioolbouwer Guerra vond hij een bijna gelijkgestemde collega die bereid was hem te helpen om aan de vraag naar zijn instrumenten te voldoen.

Naast zijn eigen prachtige instrumenten liet hij ook anderen werk voor hem maken, soms ook wat eenvoudige, commerciële violen en cello’s. Rond 1930 waren er veel instrument die wel zijn naam, maar niet zijn oorspronkelijke kwaliteit meer hadden.

Fagnola stierf eind 1939 en daarmee eindigde het laatste grote tijdperk in de moderne vioolbouw van Turijn.

Leven en loopbaan

Montiglio Monferrato was een onaanzienlijk dorp, gelegen op de hellingen van de gelijknamige heuvel, iets ten oosten van Turijn. Daar verbouwde de vader van Hannibal Fagnola graan op het land rondom de heuvel en bakte brood voor het dorp. Hannibal werd in 1865 geboren als eerste van acht kinderen en hielp zijn vader al op jonge leeftijd. Van het bakken van brood maakte hij in het dorp zijn beroep. Dat deed hij tot zijn 29ste. Als jongen leerde hij van zijn oom gitaar spelen en bouwde hij zijn eerste instrument. Bijna dertig was hij toen zijn ambitie groter werd dan hij in zijn geboortedorp kon realiseren.

In 1894 ging hij naar Turijn om daar voor zichzelf te kunnen beginnen. De welvaart in de stad stond in schril contrast met het armoedige bestaan in de plattelandsdorpen. Turijn was, door het succes van de economie die gebaseerd was op een exploderende industrie, in de voorgaande tien jaren gegroeid van 300.000 tot 400.000 inwoners en bood hem meer dan voldoende mogelijkheden om verder te komen in zijn vak.

Pas in 1899 verscheen zijn naam in de archieven van de stad; niet als bakker, maar als vioolbouwer. Om onduidelijke reden verdween hij na twee jaar uit de boeken om pas in 1903 weer op te duiken. Hij had zich gevestigd aan de Vicolo Scuderie Reali, dicht in de buurt bij het vioolbouwatelier “Marengo-Rinaldi”, een bedrijf dat na de dood van Rinaldi geleid werd door de vioolbouwer Romano Marengo. Het was een florerende zaak waar een aantal voortreffelijke vioolbouwers voor werkten. Enrico en Eduardo Marchetti, Carlo Giuseppe Oddone, en Evasio Emilio Guerra waren daar enkelen van. Zij bouwden violen naar hun grote Turijnse voorgangers. Voornamelijk naar Giovanni Francesco Pressenda en Giuseppe Antonio Rocca, bouwers die hun sporen in heel Italië hadden nagelaten.

De overlevering wil dat Hannibal Fagnola daar niet alleen de vioolbouwers van Marengo ontmoette maar ook Dr. Orazio Roggiero. Deze verzamelaar van strijkinstrumenten en groot expert op het gebied van de vioolbouw hielp Fagnola om zijn kennis te ontwikkelen over de vioolbouw in Noord-Italië, de Piedmont en in het bijzonder die van Turijn. Fagnola bezocht Orazio Roggiero geregeld en kreeg zo de gelegenheid om de instrumenten van belangrijke vioolbouwers uit het verleden te kunnen bestuderen.

De Turijnse vioolbouwschool ging terug tot de zeventiende eeuw. Rond die tijd kwamen vioolbouwers uit Tirool als vluchteling voor de dertigjarige oorlog naar Noord-Italië. Tegelijkertijd kwam er in Turijn nog een tweede, Franse stroming in de vioolbouw op gang, meegebracht door vioolbouwers uit Parijs die aangetrokken door de Franse overheersers in Noord Italië gemakkelijk werk konden vinden in Turijn. Deze Franse invloed werd, ook nadat beide stromingen samen waren gevoegd en de hoofdlijn vormden voor de latere Turijnse vioolbouwschool, nog duidelijk zichtbaar in het werk van de Turijnse bouwers waar Hannibal Fagnola bij zijn aankomst kennis mee maakte.

Er bestaat geen document dat aantoont dat Hannibal Fagnola bij een van deze bouwers een opleiding volgde in de traditionele zin van het woord. Zelf noemde hij zich een autodidact, maar de invloed van het Marengo atelier is volgens Blot onmiskenbaar aanwezig in zijn instrumenten. Vijf jaar duurde het voordat Hannibal Fagnola zich voldoende bekwaam voelde om in 1899 voor zichzelf te beginnen. Eerst verkocht hij zijn violen nog aan ‘Marengo-Rinaldi’, maar al snel bouwde hij een eigen klantenkring op.

Geleidelijk kreeg hij de naam een goede kopiist van de belangrijke vioolbouwers te zijn: Guadagnini, Pressenda en Rocca. Deze instrumenten bouwde hij zo goed dat hij daarvoor tot ver buiten Turijn bekendheid kreeg. Kranten in Rome schreven lovend over de ‘Rijzende Ster van Turijn’.

Gesterkt door deze erkenning stuurde hij in 1902 enkele instrumenten in naar tentoonstellingen in Turijn en in 1911 zelfs een kwartet naar de grote wereldtentoonstelling in die stad waarvoor hij een gouden medaille ontving. In 1915 deed hij mee in Genua en vier jaar later in Milaan. Door deelname aan deze exposities, waaraan door vioolbouwers, verzamelaars en musici veel waarde werd gehecht, versterkte hij zijn reputatie in de stad. Dat was wel nodig want er hadden zich in korte tijd een aantal zeer goede vioolbouwers in Turijn gevestigd.

Halverwege zijn loopbaan was de reputatie van Hannibal Fagnola voldoende solide waardoor hij een eigen model kon ontwikkelen en zijn activiteiten uit kon breiden met de handel in oude instrumenten. In beide was Hannibal Fagnola zo succesvol dat hij een vermogend man werd. Hij verhuisde in 1909 naar Via San Tommaso, dicht in de buurt van het voormalige Koninklijke Paleis.

Onder de Franse overheersing was Turijn een stad met een bloeiend muziekleven geweest. Maar na de verzelfstandiging van Italië was dat volledig verdwenen. Het had nog maar enkele concertzalen, één operatheater en alleen welgestelde burgers organiseerden concerten in hun grote, vaak moderne huizen. Turijn was in de ban gekomen van de industrialisatie en had zich ontwikkeld tot een handelsstad.

Pas nadat de welvaart in het begin van de twintigste eeuw toe was genomen, leefde de muziek in heel Noord-Italië op. Turijn liep niet voorop, maar de vraag naar oude en nieuwe instrumenten bracht ook daar een ongekend aantal vakmensen ertoe om vioolbouwer te worden. Dat had tot gevolg dat er een concentratie van uitmuntende jonge vioolbouwers in Turijn ontstond. De stad werd opnieuw een belangrijk centrum voor vioolbouw.

Fagnola had al rond 1912 relaties in Amerika en Engeland waardoor zijn instrumenten een weg vonden naar deze landen. De eerste Wereldoorlog legde de handel in Turijn vrijwel plat, maar Fagnola kon zijn instrumenten blijven uitvoeren.

Na de oorlog nam de vraag naar zijn instrumenten verder toe, zelfs uit Japan kwamen opdrachten. Hij nam leerlingen aan die later zijn medewerkers werden: Riccardo Genovese, Stefano Vittorio Fasciolo, zijn eigen broer Marcello en neef Annibalotto Fagnola, en wellicht de belangrijkste, Evasio Guerra.

Pas op zijn 52de, in 1918, trouwde Hannibal Fagnola. Zijn huwelijk met Catharina Risso duurde niet lang, een jaar later eindigde het met de tragische dood van zijn vrouw. Direct na haar begrafenis keerde hij terug naar Montiglio Monferrato. Daar ontmoette hij later Elvira Carolina Marietta Danzena met wie hij in 1921 trouwde. Eenmaal terug in Turijn kreeg hij zijn eerste en enige kind. De periode die volgde bleek zijn beste tijd te worden; hij verhuisde zijn zaak twee keer en bleek een gelukkige hand te hebben in alles dat hij deed. In de jaren twintig bouwde hij zijn beste instrumenten.

Rond 1931 verhuisde hij voor het laatst. Zijn huis lag aan de Via Exilles in een mooie wijk aan de rand van de stad. Daar stierf hij in 1939, kort na het uitbreken van de tweede wereldoorlog.

Hannibal Fagnola bouwde een groot aantal bijzonder goede instrumenten, waarvan sommige worden gezien als ware meesterwerken. Na zijn dood verdween de traditie van de vioolbouw in Turijn voorgoed.

Werk en invloed

Zijn eerste instrumenten zijn vaak sterk beïnvloed door Emilio Guerra en Carlo Oddone, goede bouwers uit de streek. Ze waren over het algemeen nog voorzien van het etiket van de zaak waarvoor hij werkte: Marengo Rinaldi. Een cello uit 1904 is door een aantal kenners bestudeerd en als een bijna perfect gebouwd instrument in de Piedmond stijl beoordeeld. In die jaren maakte hij al grote indruk op de musici, handelaren en vioolbouwers die Turijn bezochten.

In hetzelfde jaar bouwde hij een aantal altviolen naar Emilio Guerra. Hij gaf het werk een lak mee die in kleur en craquelures leek op die van Pressenda.

Tussen 1905 en 1909 nam hij afstand van zijn vorige werk. Hij richtte zich op de Cremonese stijl, zonder een vioolbouwer in het bijzonder te imiteren, met uitzondering van Guarneri del Gesù naar wie hij in die tijd enkele violen bouwde. Zijn werk was niet perfect, maar had een sterk persoonlijk karakter.

Over de instrumenten die hij in 1911 naar de wereldtentoonstelling in Turijn stuurde, schreef hij in de begeleidende catalogus dat ‘de modellen van de grote Cremonese vioolbouwers zijn inspiratiebron waren’.

Na de oorlog keerde hij weer terug naar zijn oorspronkelijke inspiratiebronnen: Pressenda, Guadagnini en Rocca. Door de grote vraag ging hij lak gebruiken die sneller droogde en harder werd. Dat kwam de klank niet altijd ten goede.

Ingegeven door de oude instrumenten waarin hij handelde, begon hij rond 1915 zijn instrumenten een wat verouderd uiterlijk te geven.

In de twintiger jaren leek hij zich het meest thuis te voelen bij Pressenda, naar wie hij talloze instrumenten bouwde. Veel daarvan zijn later door anderen van een vals Pressenda etiket voorzien en als echt verkocht. Tot aan zijn dood veranderde hij weinig meer aan zijn stijl.

De kopieën die hij van andere instrumenten maakte voorzag hij gewoonlijk van twee labels: een facsimile van het origineel en een eigen etiket. Alleen zijn Rocca kopie voorzag hij van een stempel die een nauwgezette imitatie waren van het origineel. Vanaf 1922 schreef hij zijn naam ook met inkt aan de bovenkant van de ribben.

Niet lang daarna keerde hij terug naar zijn vertrouwde modellen van Guadagnini, Pressenda en Rocca.

Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is een prachtig voorbeeld van wat hij in zijn allerbeste periode bouwde.

De belangrijkste medewerkers van Fagnola waren Riccardo Genovese, Stefano Vittorio Fasciolo, zijn broer Marcello en neef Annibalotto Fagnola en Evasio Guerra.

Hij gebruikte twee verschillende gedrukte etiketten en soms een met de hand geschreven: ’Hannibal Fagnola fecit Taurini Anno Domini 19..’ en ’Annibale Fagnola fece Torino 190..’

Bronnen

Blot E., 2003, Un secolo di Luteria Italiana 1860-1960, Cremona.

Miyasaka T., 2017, J. F. Pressenda-Italian passion hidden behind consistency of form, zp.

Kass P., 2009, Guadagnini-re-evaluated, Turijn

Landon Ch., 2007, The Strad Magazine

Tarisio, Cozio archive, bezocht 2021

Thöne, J, 2003, Italian & French Violin Makers, Grottamarre.

Cozio Archive; Violin making in Turin, geraadpleegd in 2021

Auteur
Jan Boekhout
Datum
20 mei 2021

Geen instrumenten in bruikleen gegeven