
viool
Babette van den Berg

*1851 , Parma †1920 , Milaan
Milaan was niet de meest voor de hand liggende stad om te beginnen; de firma Bisiach had de markt voor de betere strijkinstrumenten volledig in handen en voor vioolbouwers die zelfstandig wilden blijven was er nauwelijks plaats. Toch lukte dat Tarasconi, eerst door voornamelijk reparaties uit te voeren, maar later ook door nieuwe instrumenten te bouwen.
Giuseppe Tarasconi bouwde overwegend violen, een enkele altviool, maar voor zover bekend geen cello’s of contrabassen.
Giuseppe Tarasconi werd in 1851 geboren in de stad Parma, de hoofdstad van het gelijknamige hertogdom. Al jong ging hij studeren aan de befaamde Ospedale Carmine, een instituut dat de voorloper was van het conservatorium. Oorspronkelijk was het opgezet om weeskinderen muziekonderwijs te geven, maar in Tarasconi’s tijd was het een prestigieuze instelling die geacht werd een nieuwe generatie musici voort te brengen voor het Orchestra Ducale van het hof.
De selectie die het Carmine er op nahield was streng en het niveau lag hoog. Niet alleen bij de toelating, maar ook in de jaren daarna. Twee keer per jaar moesten de leerlingen voortgangsexamens afleggen. De ontwikkeling van de studenten werd nauwkeurig in de gaten gehouden: iedere docent van het Carmine had slechts drie studenten onder zich. Podiumervaring deed Giuseppe Tarasconi op door de vele verplichte publieke optredens tijdens zijn studietijd op het Carmine.
Giuseppe Tarasconi woonde niet intern zoals de leerlingen die van buiten de stad kwamen, maar hij moest wel aan het regime deelnemen. Daar hoorde bij dat alle leerlingen verplicht waren om iedere maand op te treden voor een betalend publiek. Dat droeg bij aan de bekostiging van het instituut. Een andere tegenprestatie voor de diensten en de opleiding die het instituut verzorgde, was de verplichting van de ouderejaars om jongere studenten ten minste drie uur per dag les te geven. De school leverde zeer vaardige musici af die veel gevraagd waren. De grote dirigent Arturo Toscanini was een van de alumni van de school. Direct na de opleiding aan het Carmine begon Giuseppe Tarasconi aan zijn loopbaan als contrabassist.
De actieve muziekcarrière van Giuseppe Tarasconi duurde tot ongeveer 1882, daarna wilde hij zelf instrumenten maken. Sommigen vermoeden dat hij rond die tijd in Parma al violen bouwde, maar daarvoor zijn geen overtuigende aanwijzingen. Wel zijn er violen van hem bekend uit Parma, maar die dateren van veel later.
Voor zijn opleiding tot vioolbouwer ging hij naar Gaetano Rossi in Milaan, een bouwer die bekend stond om zijn cello’s en contrabassen. Samen met zijn vader Nicola deelde Gaetano één werkplaats. Volgens Blot bouwden ze geen uitzonderlijk goede, maar wel gewilde instrumenten; Nicola hield zich overwegend met contrabassen bezig en Gaetano met bassen en cello’s. Met name de cello’s van Gaetano waren volgens kenners geliefd bij musici. Tijdens zijn opleiding woonde Giuseppe Tarasconi bij zijn leermeester en diens vader in.
Rond 1883 was hij klaar met zijn opleiding als vioolbouwer. Gebruikelijk was om daarna bij ander vioolbouwers te gaan werken om zo een bredere ervaring op te doen, maar inmiddels was Rossi ernstig ziek geworden en stierf. Giuseppe zag ervan af om zich bij andere bouwers verder te ontwikkelen en bleef in Milaan om de zaak van Rossi voort te kunnen zetten; niet onder zijn eigen naam, maar nog steeds onder die van Rossi. Drie jaar later, in 1886 trouwde Giuseppe Tarasconi met Giuseppa Rossi, de dochter van zijn overleden leermeester. Door zijn huwelijk kon hij de zaak van Gaetano Rossi op zijn naam zetten. Op de Via S. Maria Falcorina 15 begon hij in 1886 voor zichzelf. Kort daarna werd zijn zoon Mirco geboren.
Vooral in het begin was het ondernemerschap in de vioolbouw niet gemakkelijk. Milaan stond niet bepaald bekend als een stad waar grote vioolbouwers vandaan kwamen; aan de Milanese bouwers werd in 1901 door de Londense expert Hill gerefereerd als ‘Cheapjacks’, makers van goedkope en inferieure instrumenten.
Daarbij had Giuseppe Tarasconi ook de tijd niet erg mee. Halverwege de negentiende eeuw was er van de Italiaanse vioolbouw weinig meer over. De Fransen waren voortreffelijke kopiisten van Italiaanse meesters gebleken, hadden een efficiënte organisatie opgebouwd en het daarmee gewonnen van de Italiaanse ateliers. De Franse vioolbouwers domineerden de markt in Europa en bepaalden dus ook de smaak. Zij kwamen naar Noord-Italië en werkten vaak in de plaatselijke ateliers.
In Milaan moest Tarasconi het opnemen tegen de firma van Leandro Bisiach en zijn zonen. Die hadden de markt voor de betere instrumenten helemaal in handen. Het waren kenners en handelaren in strijkinstrumenten met een groot atelier waar, naast enkele familieleden, ook veel andere bouwers voor hen werkten. Zelf bouwde Leandro Bisiach niet meer, maar zijn zonen stuurde hij naar Mirecourt in Frankrijk om de Franse manier van bouwen te leren.
De Bisiachs hadden een enorm zakelijk instinct. Zij leverden aan de conservatoria in Noord-ItaIië, exporteerden naar andere delen van Europa en wonnen prijzen voor instrumenten die meestal niet door henzelf, maar door medewerkers waren gebouwd. Bisiach beschikte over veel geld en contacten, maar nam het met de waarheid niet altijd even nauw. Vast staat dat Bisiachs grote hoeveelheden oud uitziende instrumenten opkocht die hij in zijn ateliers liet verbouwen tot ‘echte meesters’, waarna hij ze onder een vals label weer verkocht. Door deze vervalsingen werd hij enige tijd door vrijwel iedereen gewantrouwd. Zijn medewerkers waren zonder twijfel van deze praktijken op de hoogte, maar zij waren niet in de positie om daar tegen in te gaan. Behalve de Bisiachs waren er in Milaan drie bouwers van betekenis; Riccardo en Romeo Antoniazzi en Celeste Farotti, voor andere bouwers was er in Milaan nauwelijks plaats.
Toch lukte het Giuseppe Tarasconi om in Milaan een bestaan op te bouwen, weliswaar eerst voornamelijk als handelaar in oude instrumenten die hij zelf restaureerde, maar later is er ook een beperkt aantal nieuwe instrumenten uit die vroege periode opgedoken. Opvallend zijn de violen uit 1887 en uit 1890 die hij voorzag van een etiket met Parma als plaats waarin hij ze bouwde, terwijl hij in Milaan woonde. Opgelost is dit nog niet. Er zijn betrekkelijk veel instrumenten van hem bekend die hij tussen 1890 en 1900 bouwde, maar dan in Milaan en Saronno.
Zijn zaak liep goed want in het ‘Bollettino Artistico Internationale’ en in andere Milanese kranten adverteerde hij vanaf 1886 en later. Daarin liet hij weten niet alleen strijkinstrumenten te verkopen, maar ze ook te repareren. In opvallend grote tekst vermeldde hij bovendien over speciaal geprepareerd hout te beschikken waarvoor hij het monopolie in heel Lombardije had. Daarmee bouwde hij zijn eigen instrumenten en repareerde andere. Uit de zelfde advertenties bleek tevens dat hij snaren verkocht evenals pianofortes van Krauss uit Stuttgart.
Giuseppe Tarasconi had eerst alleen een zaak in Milaan maar later ook een werkplaats in Saronno, een plaatsje op 30 kilometer afstand van de stad. De eerste viool die daarop duidt, dateert van 1890, vier jaar nadat hij zich in Milaan gevestigd had. De laatst bekende viool uit Saronno is van 1899. Er zijn zeker acht violen uit die plaats van hem bekend.
Na verloop van tijd ontstond er toch een samenwerking tussen Giuseppe Tarasconi en de firma Bisiach. Niet in de laatste plaats omdat zijn zoon Mirco, die Giuseppe zelf tot vioolbouwer had opgeleid, bij Bisiach ging werken. Na twee jaar vertrok Mirco bij Bisiach en ging naar Brussel. Daarna keerde hij terug naar Milaan waar hij bij Orsani ging in dienst trad. Uit etiketten blijkt dat Mirco daarna nog tot 1920 bij zijn vader in Saronno werkte, voordat hij vermoedelijk kort na de dood van zijn vader, voorgoed naar Parijs ging.
Na 1901 zijn er geen violen meer van Giuseppe Tarasconi bekend. Vermoedelijk verdiende hij zijn brood met de handel. De eerste wereldoorlog had Milaan door de opkomst van de industrie wel een enorme economische duw voorwaarts gegeven, maar voor muziek was er weinig belangstelling, ook na de oorlog niet toen Milaan in een erg instabiele periode terecht kwam. Het aantal instrumenten dat Giuseppe bouwde tussen 1900 en zijn sterfjaar is erg beperkt. Giuseppe Tarasconi stierf in 1920.
Blot ziet het feit dat Giuseppe Tarasconi al vroeg zelfstandig werd en daardoor geen brede ervaring bij andere bouwers had opgedaan als de reden dat zijn werk een zeer persoonlijke stijl had. Kenners zien niet een klassiek ideaalbeeld in zijn werk.
Van Giuseppe Tarasconi zijn geen contrabassen of cello’s bekend, alleen violen en één enkele altviool. Hij bouwde vaag in de stijl van Guarneri del Gesù, instrumenten die volgens kenners tot de betere van zijn oeuvre behoren, maar het merendeel van de violen die van hem bekend zijn lijken geïnspireerd te zijn door Stradivari. Kenners zien in hem een bouwer die geen grote perfectie nastreefde, maar wel een zeer herkenbare stijl had waarin de brede randinleg, de ondiepe randen en de lange, smalle f-gaten kenmerkend zijn.
Het achterblad van het meerendeel van zijn violen bestaat uit twee bij elkaar passende delen en is breed gevlamd. Voor de bovenbladen gebruikte hij hout met een gemiddelde tot wat brede nervatuur. Zijn lak is zeer aantrekkelijk, helder oranje-bruin en vrij dik aangebracht over een gouden grondlaag.
Door de jaren heen zijn de instrumenten van Giuseppe Tarasconi wisselend beoordeeld. In 1928 werd een viool van hem geveild voor 25 pond, bijna twintig jaar later leverde een viool van hem de hoogste opbrengst van dat jaar op van het Parijse veilinghuis Hôtel Drouot, gespecialiseerd in betere kunst en instrumenten. De appreciatie veranderde eind van de vorige eeuw, maar nu worden zijn instrumenten weer zeer gewaardeerd.
Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is een van de laatste violen de hij in Saronno bouwde.
Kass P. J., 2007, The Bisiach Family, Londen
Azzolina U., Italian Violin Making in the 1800s and 1900s, Milaan
Codazzi R., 2002, La Liuteria Lombarda del ‘900, Brescia
Blot E., 1994, Emilia e Romagna. Un secolo di liuteria italiana, 1860-1960, Cremona
Hamma W., 1993, Meister Italienischer Geigenbaukunst, Wilhelmshaven,
Vannes, R., 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers, Brussel
Brinser M., 1978, Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers
Henley W., 1969, Universal Dictionary of Violin & Bow Makers. Brighton
The Cozio archive, Tarisio, bezocht in 2022
Bollettino Artistico Internationale, 1886.