
viool
Elana Cooper

*1746 , Poggio di Bretta †na 1786 , Ascoli Piceno
Giuseppes vader, Antonio Odoardi, was landbouwer in het gehucht Poggio di Bretta dat tussen de steden Ascoli en Ancona in lag. Naast zijn werk als boer, bouwde Antonio ook strijkinstrumenten. In de verre omtrek was er geen vioolbouwer van wie hij het kon leren en hij was dan ook vermoedelijk autodidact. Het dorp telde slechts een handvol inwoners, waarvan de meesten hun brood verdienden op het land. Antonio’s Instrumenten zullen bij plaatselijke feesten gebruikt zijn. Er zijn nog maar enkele violen van hem bekend en die zijn erg eenvoudig.
De Marche lag ver verwijderd van de culturele centra als Venetië, Florence of Napels. Wel telde de streek in 1780 al meer dan 100 theaters. In de 250 steden van de Marche, waarvan Ascoli Piceno en Ancona de grootste waren, werd op straat en in kleine gezelschappen veel muziek gemaakt. Ascoli had al sinds 1579 een gemeentelijk muziektheater met 500 zitplaatsen. Het hele gebied telde een groot aantal kloosters, abdijen en muziekverenigingen die actief waren in het leven van de bewoners.
Rond 1760 verhuisde Giuseppe Odoardi van zijn geboortedorp Poggio di Bretta naar Piceno dat tegen Ascoli aanlag. Die stad telde toen al zo’n 20.000 inwoners, waarvan de meesten welvarend waren. Hun rijkdom kwam vaak door de handel in een veel gevraagde marmersoort die in de buurt gevonden werd. De stad zelf maakte een nogal weelderige indruk doordat de gevels vrijwel allemaal uit marmer waren opgetrokken. De stad lag op een kruispunt van wegen dat het Noorden met het Zuiden verbond en waar de afslag naar de havenstad Ancona lag.
Rondtrekkende musici vertoefden graag in Ascoli Piceno. In het muziektheater van de stad werden wekelijks meerdere uitvoeringen geven waarvoor zoveel belangstelling was, dat er later een gebouw met 800 zitplaatsen voor moest worden neergezet.
Los van de rudimentaire principes van de vioolbouw die hij van zijn vader geleerd had, was Giuseppe Odoardi verder autodidact. In de verre omtrek was er geen vioolbouwer van naam van wie hij les had kunnen krijgen. Ancona, dat vanuit Giuseppe Odoardi’s woonplaats op enkele uren reizen lag, was het centrum voor muziekdrukkers en telde wel enkele makers van snaarinstrumenten, maar de enige vioolbouwer waarvan we de naam nog kennen was Antonio d’Ancona. Die was al overleden toen Giuseppe aan zijn loopbaan begon.
Giuseppe Odoardi begon in Piceno met het bouwen en repareren van instrumenten voor de lokale musicerende amateurs. In de loop van de jaren moet hij veel goede violen hebben bestudeerd die rondreizende musici meenamen, want zijn instrumenten werden al snel om hun klank geprezen. Zozeer zelfs, dat de beroepsmusici op weg naar de culturele centra in het Noorden hun instrumenten door hem lieten aanpassen en in ruil daarvoor zijn violen in commissie meenamen, een praktijk die volgens Blot in heel Italië vaak voorkwam.
Florian Leonard benadrukt dat er in die tijd maar een klein aantal vioolbouwers van hun vak kon leven; de meesten werkten bij als timmerman of waren musicus. Giuseppe Odoardi was daar waarschijnlijk een uitzondering op. Florian Leonard vermoedt, op grond van het feit dat zijn oeuvre zo’n 200 violen omvat die hij in een periode van ca. 24 jaar bouwde, hij met de vioolbouw wel in zijn bestaan kon voorzien.
Kort na Odoardi’s dood kreeg hij al veel waardering voor zijn werk. Prof. Francesco Galeazzi, violist, componist en muziektheoreticus schreef in ‘Elemento theorico pratici di Musica’, een in 1790 in Rome uitgegeven boek dat op veel conservatoria gebruikt werd, dat onder Odoardi’s violen er ‘veel zijn die niet onderdoen voor die uit Cremona’. En de verzamelaar en kenner van de Italiaanse vioolbouw, Alessandro Cozio Salabue, onderstreepte dat honderd jaar later nog eens in zijn nagelaten aantekeningen waarin hij met waardering over Giuseppe Odoardi schreef. Mariani, Pallotta, Postacchini en met name Odoardi zag hij als de bouwers uit de Marche die voortreffelijke violen hebben gebouwd.
Zoals zo vaak werden instrumenten van betrekkelijk onbekende, maar goede bouwers, later van een ander etiket voorzien en voor veel geld verkocht. Een onmiskenbaar door Odoardi gebouwde viool werd jaren lang voor een viool van Gagliano uit 1780 aangezien. Het droeg het etiket; Janarius Gagliano filius Alexandri fecit Neap 1780.
Als eerbetoon aan zijn vader van wie hij het vak geleerd had, vermeldde Giuseppe op alle etiketten de ‘filius Antoni’ te zijn, de zoon van Antonio. Opvallend is dat hij de tekst op zijn etiket in het latijn liet drukken, zoals de meeste vioolbouwers in die tijd, maar zijn voornaam in het Frans zette. Een verklaring daarvoor is nog niet gevonden.
Na 1786 zijn er geen instrumenten meer van hem bekend; vermoedelijk stierf hij korte tijd later. Een overlijdensacte is nooit teruggevonden; waarschijnlijk heeft de brand die enkele gebouwen in het centrum van de stad in de as legde het betreffende archief verwoest.
Zijn etiketten luiden: Joseph Odoardi filius Antoni fecit prope Asculum. An. 178.. Le lingo platano.
Joseph Odoardi filius Antoni fecit in Piceno prope Asculum. An. 178.
Het werk van Odoardi varieerde sterk; zowel wat het model betreft als de kwaliteit waarmee hij ze bouwde. Zijn vroege werk dat doorloopt tot ongeveer 1770, is vrij ruw van constructie en ook niet erg zorgvuldig afgewerkt. Geleidelijk verbeterde hij zijn techniek, maar erg verfijnd werd hij nooit. Kenners omschrijven zijn latere werk vaak als ‘markant’.
Doorgaans gebruikte hij een Stradivari model met een lage welving dat hij in technisch opzicht erg goed construeerde. Dat was ook het geval met violen die hij naar een model van Domenico Montagnana bouwde. Minder van kwaliteit waren zijn instrumenten naar Mariani en Sacchini uit zijn vroege periode.
Kenmerkend voor zijn violen is de randinleg. Die trekt vaak de aandacht vanwege de middelste strip die ongebruikelijk breed en van een lichte kleur hout gemaakt is en de beide zwarte banen aan weerszijde vaak extreem dun.
Odoardi had tenminste drie ‘lijnen’ die in kwaliteit verschilden. Opmerkelijk is de serie violen die van platanen gemaakt is. Een boomsoort die vrijwel nergens gebruikt werd in de vioolbouw. Dit is de enige serie waarvan hij de houtsoort op het etiket vermeldde.
Hij gebruikte een dunne lak van een bruine of rood-bruine kleur. De windingen van zijn krul zijn diep uitgesneden en symmetrisch, de f-gaten kort en breed.
Giuseppe Odoardi had geen leerlingen. Voor zover bekend is zijn zaak na zijn dood gesloten.
Lozzi. C. 1887, Il Bibliofilo, Giornale dell’arte antica e ornati, Bologna.
Galeazzi Fr., 1790, Elementi teorico-pratici di musica, con un saggio sopra l'arte di suonare il violino analizzata, ed a dimostrabili principj ridotta, opera utilissima a chiunque vuol applicare con profitto alla musica, e specialmente a' principianti, dilettanti, e professori di violino, Rome.
Rattray D., 2011, Masterpieces of Italian Violin making. Cremona.
Frazier, B, 2007, Cozio, Count Ignazio Alessandro di Salabue, Memoirs of a Violin Collector, Baltimore.
Kass, P. J., ‘Modern Historical Research: The Violin as Art’, Journal of the Violin Society of America.
Thöne J., 2003, Italian & French violinmakers, Grottamare.
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2001,Italian & French Violin Makers, Keulen.
Blot E., 2001, Liuteria Italiana - Piemonte, Eric Blot Edizioni, Italy.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Sacchi, F, 1898, Count Cozio di Salabue: Celebrated Violin Collector, London.
Tarisio; Cozio archive, bezocht in 2022.
Geneanet, geraadpleegd in 2022.