Doorgaan naar content
bouwer

Giuseppe Guarneri “Filius Andreae”

*1666 , Cremona      †1740 , Cremona

Het kan voor Giuseppe ‘filius Andreae’ Guarneri geen complete verrassing zijn geweest, toen niet hij maar Antonio Stradivari de opdracht kreeg om een kwartet te bouwen voor de De' Medici’s. De invloedrijke markies Ariberti, die deze opdracht samen met zijn zoon had gegeven, was dan wel zijn peetvader, maar zelfs hij kon niet om de verhoudingen in Cremona heen: Stradivari bouwde voor verzamelaars en vermogende amateurs, Guarneri voor beroepsmusici.

Giuseppe ‘filius Andreae’ was een uitstekend vakman. Zijn instrumenten dienden zeker de muzikale eisen van zijn tijd, maar waren nog grotendeels gebaseerd op de oude Amati. Stradivari had met zijn minder hoog gewelfde instrumenten een nieuwe stroming teweeggebracht waar Giuseppe pas later in mee zou gaan.

Giuseppe leidde twee zonen op, waarvan ‘del Gesù’ onmiskenbaar de grootste zou worden. Een groot deel van zijn leven werd Giuseppe ‘filius Andrea’ Guarneri achtervolgd door schulden, ziekte en het succes van zijn buren Amati en Stradivari. Toch bouwde hij samen met zijn zonen een indrukwekkend oeuvre op. Hij vormde de schakel tussen Amati en zijn illustere zoon Guarneri del Gesù.
Werkplaats(en)
Cremona, ±1684-±1731

Leven en Loopbaan

Giuseppe Giovanni Battista Guarneri werd op 25 november 1666 in Cremona geboren als jongste zoon van Andrea Guarneri en Anna Maria Orcelli. Zijn geboortehuis, het ‘Casa Orcelli-Guarneri’ was van oorsprong van zijn grootouders geweest, maar na het huwelijk van zijn ouders waren zij er beiden gaan wonen. Het was een bescheiden woning met een werkplaats in het centrum van de stad. Vermogend was de familie Guarneri zeker niet, Giuseppe’s vader had, om het huis van zijn schoonouders te kunnen kopen, een lening moeten afsluiten en een deel verhuurd. Het lag gunstig; midden in de stad en in de schaduw van de St. Dominico kerk. In de telling van 1652 wordt het huis nog met nummer 6 aangeduid, later dat jaar gaf Andrea zijn werkplaats de naam “Sub Sanctae Teresiae”, dat vanaf 1653 ook op zijn etiketten verschijnt. Hill ziet deze naam als toewijding van de Guarneri’s aan Santa Teresa d’Avila, historici zien de populariteit van deze Spaanse heilige als een knieval aan de Spaanse overheersers die Noord-Italië in hun macht hadden.

Kort na zijn huwelijk had zijn vader het atelier van Nicolò Amati, van wie hij het vak had geleerd, verlaten en was een eigen werkplaats begonnen. Hij had sinds 1641 bijna vijftien jaar lang vrijwel onafgebroken bij Amati gewerkt en kende zijn werkwijze goed. De eerste instrumenten die hij in zijn eigen werkplaats bouwde, weken dan ook nauwelijks van de Amati’s af.

Andrea Guarneri had connecties met musici rondom de invloedrijke markies Giovanni Battista Ariberti, die beschermheer was van het grote theater van Cremona. Door hem was hij in contact gekomen met Anna Maria Orcelli met wie hij in 1652 trouwde. Toen Giuseppe in 1666 geboren werd, trad Ariberti op als getuige en werd Giuseppe’s peetoom. Zijn oudere broer Pietro was toen 11 jaar oud en werkte al in de werkplaats mee.

Vermoedelijk had Andrea geen vaste medewerkers, hooguit enkele leerlingen. Hill ziet genoeg aanwijzingen om te stellen dat de broers Grancino tussen 1670 en 1680 Andrea Guarneri’s leerlingen moeten zijn geweest. Giuseppe, die al rond zijn 11e zijn eerste lessen van zijn vader Andrea in hun eigen werkplaats kreeg, kende de Grancino’s ook wel, net als zijn broer Pietro. Toen Pietro in 1677 trouwde, bleef hij nog twee jaar bij zijn vader en broer werken, maar vertrok toen naar Mantua om zich daar als vioolbouwer te vestigen.

Voor een nieuwe medewerker had Guarneri vermoedelijk te weinig opdrachten, daarvoor was de concurrentie in Cremona te zeer toegenomen. Girolamo Amati had het atelier van zijn vader Nicolò overgenomen en bleek een ambitieuze bouwer te zijn, maar de echte concurrent was hun stadgenoot Antonio Stradivari. Met zijn instrumenten die uitblonken in schoonheid en kracht bleek hij in korte tijd een groot deel van Europa te kunnen veroveren. Geholpen door zijn succes wilde Stradivari uitbreiden en verhuisde naar een groter pand dat vier huizen van Casa Guarneri af stond. Voor Giuseppe’s broer Pietro gaf de groeiende invloed van Stradivari in Cremona de doorslag om weg te gaan.

Cremona was onder musici in Europa al enige tijd een begrip. Claudio Monteverdi die in Cremona werd geboren, had de stad onder hun aandacht gebracht. Zijn muziek was doorgedrongen tot de belangrijkste hoven en muziekcentra in Europa. Overal hadden muziekgezelschappen zijn werk graag uitgevoerd. Het vergde grote virtuositeit van de musici. Die kon alleen bereikt worden met de beste instrumenten die er beschikbaar waren. Monteverdi moet voor die instrumenten wel naar de bouwers in zijn geboortestad verwezen hebben, want Amati en Guarneri uit Cremona werden voor de meeste musici bekende namen. De Amati-viool was norm en maat geworden, maar de instrumenten van zijn leerling Andrea Guarneri deden daar in klank nauwelijks voor onder.

Al vanaf ongeveer 1684 is de hand van Giuseppe in zijn vaders instrumenten terug te zien, eerst in de krullen en later ook in de rest. Kort daarna beginnen de al langer bestaande gezondheidsproblemen bij zijn vader op te spelen en neemt Giuseppe de leiding over. Andrea maakt in 1685 zijn eerste testament op. Daarin vermaakt hij alvast de helft van zijn bezittingen aan Giuseppe. Zijn andere zoon Pietro krijgt een maar kwart. De bevoordeling van Giuseppe is voor zijn ‘trouwe diensten en gezelschap’, zo motiveert Andrea zijn besluit. Giuseppe gaat vanaf dat moment een steeds belangrijker rol in de zaak innemen.

De vroegst bekende instrumenten die helemaal door Giuseppe zijn gemaakt, dateren uit 1689. Hij is dan 23 en, gezien het model, nog volop in ontwikkeling. Wel lijkt hij al een eigen opvatting te hebben over hoe een instrument moet worden afgewerkt; ze zijn net iets anders dan die van zijn vader: lichter van kleur en hoog gewelfd. De sporen van gereedschap laat hij soms staan. Ze dragen wel nog steeds het etiket van zijn vader.

In 1690 trouwt hij Barbara Franchi met wie hij na hun huwelijk in het Casa-Guarneri op de Piazza San Domenico blijft wonen. Een jaar later wordt hun eerste kind geboren, maar sterft al enkele dagen later. De zelfde vroege dood treft ook hun twee andere dochters. Giuseppe voelt de verantwoordelijkheid voor de familie nog meer nadat zijn vader een tweede testament maakt waarin hij hem de werkplaats nalaat als dank voor ‘zijn steun en gehoorzaamheid, die hem nooit in de steek gelaten heeft en hem nu op zijn oude dag ondersteunt’. Om de kosten van het groeiende huishouden te kunnen betalen, werkt Giuseppe af en toe bij als violist.

Er waren in Cremona maar vier families die zich met vioolbouw bezig hielden: Amati, Ruggeri, Stradivari en Guarneri. In de nogal strikte hiërarchie van Cremona was Stradivari de voornaamste, niet in de laatste plaats om zijn enorme succes, maar de meeste invloed ging nog lang uit van Amati, naar wiens model de meeste anderen zich richtten. Ook Giuseppe Guarneri deed dat nog lang.

Noord-Italië was gevoelig gebleken voor de ideeën van de Verlichting die de Franse overheersers mee hadden gebracht. Muziek was niet langer uitsluitend bedoeld voor het hof, maar ook voor het gewone volk. Een nieuwe muzikale bloei leefde op in Venetië, Milaan en Napels. Een nieuwe generatie professionele musici zocht een krachtiger, rijkere klank; een rechttoe rechtaan instrument zonder de versierselen zoals Stradivari die kon maken. Die stroming vond, passend bij hun vaak magere beloning, bij Guarneri wat zij zochten.

In 1695 stierf Giuseppe’s moeder, waarna zijn vrouw de ‘mater familias’ van het huishouden werd. Een paar maanden later werd het vierde kind van Giuseppe en Barbara geboren. Ter ere van zijn oom die naar Mantua vertrokken was, noemden ze hem Pietro.

Andrea’s gezondheid werd in 1698 zo slecht dat Pietro Guarneri uit Mantua naar Cremona terugkeerde. Andrea maakte in dat jaar zijn laatste testament waar hij zijn huis, werkplaats, voorraden en alle gereedschappen aan Giuseppe naliet; Pietro zou na zijn dood een bedrag van 600 lire uitbetaald krijgen, een bedrag dat overeenkwam met de verkoopwaarde van 300 violen.

Op de dag dat het testament getekend werd, beviel Barbara van hun vierde zoon, Giuseppe Bartolomeo del Gesù. Zijn oom Pietro tekende de geboorteakte en werd zijn peetvader. Eind 1698 overleed Andrea. Pietro ging na de begrafenis terug naar Mantua en Giuseppe bleef alleen achter. Andrea had alleen maar schulden nagelaten waardoor Giuseppe een lening af moest sluiten om Pietro zijn erfdeel te kunnen betalen.

De handel rond Cremona lag al enige tijd bijna stil door schermutselingen tussen Oostenrijkse en Franse legers. In de winter van 1701 werd de stad bestormd door Oostenrijkse troepen. De verovering van het hoofdkwartier van het Franse legioen dat in Cremona lag was het doel van deze veroveringsmacht. Met 4000 soldaten trok het leger de stad in. In de slag die daarop volgde vielen er ruim 3000 doden. In de aftocht werd de stad en de omgeving geplunderd door vluchtende soldaten.

Stradivari had een imperium opgebouwd met invloedrijke kopers uit heel Europa en had bij de export weinig last van steeds weer oplaaiende gewelddadigheden, maar de verkoop van de meeste andere bouwers in Cremona liep hard achteruit. Het gewone leven had nog bijna tien jaar nodig om te herstellen van de gevolgen.

Het werd Giuseppe al snel duidelijk dat het oude Amati-model dat hij nog steeds volgde, in Europa had afgedaan. Rond 1705 introduceerde hij een nieuw ontwerp met een bredere bovenkant en een smaller middendeel dat opvallend hoekig van vorm was. Hoewel dit zijn meest succesvolle model werd, verdiende hij er niet genoeg mee om zijn familie te onderhouden. Cremona begon door de opkomst van nieuwe centra binnen en buiten Italië zijn dominantie voor wat de vioolbouw betreft te verliezen. Om mee te kunnen doen met zijn concurrenten ging hij in 1715 een grote lening van 1000 lire aan bij zijn buurman, de smid Leonardo Rolla. Daarmee kocht hij hout dat van veel betere kwaliteit was dan hij voor die tijd gebruikte. Hij bouwde er een aantal uitstekende violen en cello’s mee, maar de lening zou hij echter nooit afbetalen.

Inmiddels had hij zijn beide zonen zover opgeleid dat zij mee konden werken in de werkplaats. In 1715 stond Pietro nog geregistreerd op het adres van zijn vader, maar twee jaar later wilde hij weg. Volgens Hill waren er te veel verschillen van mening tussen hem en zijn vader, met wie hij onder één dak leefde. Hij bleef nog enkele jaren in Cremona werken, waar hij zijn vader vermoedelijk nog wel bijstond, maar voorzag ook in zijn inkomsten als violist. Rond 1724 besloot hij naar Venetië te gaan dat op muzikaal gebied veruit de meest bruisende stad van Noord-Italië was om daar zijn loopbaan als vioolbouwer weer op te pakken. Giuseppe 'filius Andreae' zette de werkplaats alleen voort met hulp van zijn jongste zoon.

Ook met hem duurde deze samenwerking niet lang. Giuseppe Bartolomeo del Gesù trouwde in 1722 met Caterina Rota, dochter van een Weense soldaat en vertrok uit Cremona. Zes jaar lang komen hun namen niet in de plaatselijke archieven voor. Zijn vader verhuurt gedurende hun afwezigheid een deel van het huis. Pas in 1729 duiken ze weer in Cremona op. Giuseppe ’Filius Andrea’ is dan ziek geworden en moet opgenomen worden in het ziekenhuis.

Eind 1731 was hij weer op de been, maar kon nauwelijks meer werken. Hij bouwde wel mee met Giuseppe del Gesù, maakte enkele instrumenten af waar hij nog zijn originele label 'filius Andreae' in zette, maar moest ruimte geven aan zijn zoon die een eigen weg in sloeg. Vanaf dat jaar waren de rollen omgekeerd; ’Filius Andrea' hielp zijn zoon en voornamelijk alleen nog maar bij het snijden van de krullen. De instrumenten die uit de Guarneri werkplaats kwamen droegen voortaan het etiket van Bartolomeo Giuseppe del Gesù.

In 1737 stierf zijn grootste concurrent Antonio Stradivari en dertien dagen later Barbara Franchi, zijn vrouw. Zij werd begraven in het familiegraf in San Domenico naast dezelfde kerk waar ook Stradivari lag. Om haar begrafenis te kunnen betalen verkocht hij een deel van zijn huis en ging opnieuw een lening aan. Een schriller contrast dan met zijn net overleden buurman, over wie de uitdrukking in Cremona ging: ‘Zo rijk als Stradivari’, was op dat moment niet denkbaar. In een poging om zijn zoon verder helpen om zijn bedrijf zelfstandig op te bouwen, leende hij twee jaar later wéér een grote som geld. In 1740 stierf hij. Opgezadeld met grote schulden konden zijn zonen de kosten van zijn begrafenis in het familiegraf niet meer betalen en werd hij ergens buiten de stad begraven.

Het leven van Giuseppe Guarneri 'filius Andreae’ is anoniem geëindigd, maar zijn naam is verbonden met de meest cruciale periode in de geschiedenis van de vioolbouw. Hij was de verbinding tussen de stijl van Nicolò Amati en die van zijn zoon Bartolomeo Giuseppe Guarneri 'del Gesù’ die later als een van de grootste Cremonese bouwers erkend zou worden.

Werk en invloed

Andrea en Giuseppe ‘filius Andreae’ bouwde hoofdzakelijk instrumenten voor musici, passend bij hun muziekpraktijk en bij hun bescheiden budget. Veel aandacht voor verfijning was een uitzondering. Maar soms ontstonden er instrumenten die tot het beste van de Cremonese bouwers gerekend mogen worden. Bij Andrea ziet Hill daar tussen 1638 en 1694 een twintigtal voorbeelden daarvan. Naarmate hun buurman Stradivari meer verfijnde instrumenten produceerde, werd Giuseppe door hem aangestoken en verbeterde zijn werk enigszins. Hij was volgens Hill een beter vakman dan zijn vader, maar door de grote variatie in de kwaliteit van zijn werk, duurde het tot halverwege de negentiende eeuw voor zijn waarde volledig erkend zou worden.

Tot aan de dood van Andrea volgde Giuseppe het patroon dat hij van hem had geërfd; het was nog geheel gebaseerd op dat van Amati. Na Andrea’s dood veranderde er in de daarop volgende jaren nog niet veel; het kleine model van zijn vader en het ‘grote patroon’ van Amati maakte hij alleen niet meer.

In 1692 had Giuseppe al een drietal cello’s gebouwd die de eerste succesvolle pogingen laten zien om te breken met de ideeën van Nicolò Amati. Daarnaast ontwierp hij ook een kleiner model waarmee hij veel succes had. Met dit instrument zou hij zo’n 10 jaar vóór lopen op Antonio Stradivari. Na 1700 ging hij weer met deze cello’s verder. Ook bouwde hij enkele zeer goede altviolen.

De volgende tien jaar ondergaat hij invloeden van anderen, hij neemt zelfs een ‘lang patroon’ viool van Stradivari over en zoekt samenwerking zijn broer Pietro ‘van Mantua’. De afmetingen, omtrek en de randinleg van hun violen gaan steeds meer op elkaar lijken. Hill en Hargrave zien dat als het resultaat van een betere verstandhouding tussen de beide broers.

Rond 1700 had het oude Amati-model in Europa afgedaan. Korte tijd later introduceerde Giuseppe ‘filius Andrea’ een nieuw ontwerp met een bredere bovenkant en een smaller middendeel dat opvallend hoekig van vorm was. Binnen Cremona kreeg hij daarmee navolging van Carlo Bergonzi, Enrico Ceruti en enkele andere stadgenoten. Rond 1715 had hij, om zich verder van zijn tijdgenoten te onderscheiden, een karakteristiek eigen model ontwikkeld dat hij tot zijn dood zou blijven maken; het was elegant met klankopeningen die aan de bovenzijde een kenmerkende knik vertonen.

In later jaren zijn veel van 'filius Andreae’s instrumenten omgelabeld tot Amati’s of ondergingen kleine veranderingen zodat ze als Bergonzi’s konden worden verkocht.

Het eerste etiket van Giuseppe dateert van 1690. Hij schrijft ‘Joseph Guarnerius filius Andrea fecit Cremonae, sub titulo S, 1690’. Dat zal hij met een tweetal tekstvarianten tot 1701 gebruiken, daarna voegt hij er ‘Teresiae’ of ‘Theresia’ aan toe dat al vanaf 1653 op de etiketten van zijn vader stond en dat hij de rest van zijn leven zou blijven gebruiken. Daarna volgen er nog vier varianten, maar allemaal lijken ze sterk op die van Andrea.

Giuseppe 'filius Andreae’ heeft in zijn tijd geen ‘school’ gemaakt, zoals dat bij Stradivari wel het geval was. Noch zijn geniale maar wat onbehouwen zoon ‘del Gesù, noch Pietro die nauwkeuriger werkte en zich in het verfijnde Venetië moeiteloos kon handhaven, volgden het voorbeeld van hun vader. Op enkel voorbeelden van Ceruti na werd zijn werk niet direct door anderen nagevolgd. Pas veel later werd de kracht van zijn individualiteit erkend en bouwden velen naar zijn voorbeeld.

De cello die Het Muziekinstrumentenfonds van hem in de collectie heeft is er mogelijk één uit een serie instrumenten waarvoor hij in 1715 een lening afsloot om beter hout te kunnen kopen.

Bronnen

Hargrave R. G., 2011, The Working Methods of Guarneri and their Influence upon his Stylistic Development.

Beare C., 1995, Guarneri del Gesu's Place in Cremonese Violin-making, Cremona.

Jalovec, K., 1957, Italienische Geigenbauer, Praag.

Vannes, R., 1981 "Dictionnaire universel des luthiers", Brussel.

The Strad; In Focus 2013; John Dilworth.

Tarisio; the Cozio archive, bezocht in 2021.

Rijksarchief van Cremona, bezocht in 2021.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
1 april 2021