
altviool
Roeland Jagers

*1864 , Napels †1955 , Napels

Over de meeste Napolitaanse vioolbouwers uit de tweede helft van de negentiende eeuw zijn maar weinig gegevens teruggevonden. De politieke en maatschappelijke onrust had veel archieven verloren doen gaan. Ook over Giovanni Pistucci zijn maar enkele harde feiten bekend. Vast staat dat hij in 1864 werd geboren en gedoopt, al bestaan de kerk en de bijbehorende registers inmiddels niet meer.
Zijn eerste beroep was dat van bankbediende. Naar zijn eigen zeggen kwam hij zo in contact met Vincenzo Gagliano, de laatste telg van de beroemde vioolbouwersdynastie. Vincenzo Gagliano was verarmd en zat voortdurend in geldnood.
Zoals zoveel Napolitanen moest ook Pistucci meerdere inkomstenbronnen combineren. Vermoedelijk begon hij Vincenzo Gagliano al snel na de kennismaking in diens atelier te helpen. Van een formele leertijd was echter geen sprake. Aanvankelijk was de vioolbouw voor hem niet meer dan een noodzakelijke bijverdienste, maar de toenemende belangstelling voor oude Napolitaanse instrumenten, deed hem besluiten zich volledig aan het vak te wijden.
Oude instrumenten van grote bouwers uit Cremona, Venetië of Brescia, waren in de tweede helft van de negentiende eeuw in Italië schaars geworden. Napels vormde een uitzondering. Daar konden handelaren nog relatief goedkoop oude violen of cello’s van de familie Gagliano aanschaffen.
Dat trok internationale handelaren als Fridolin Hamma uit Stuttgart, Lyon & Healy, William Lewis & Son en zelfs Rudolph Wurlitzer uit New York. Zij reisden regelmatig naar Napels om instrumenten in te kopen.
De vraag naar oude Napolitaanse instrumenten stimuleerde de plaatselijke bouwers om nauwkeurige kopieën van beroemde voorbeelden te vervaardigen. Vooral de vroege Gagliano's waren geliefd en sommige imitaties waren zo overtuigend dat zij nauwelijks van het origineel te onderscheiden waren; zeker niet door de kopers uit het buitenland.
Giovanni Pistucci zag de mogelijkheden van deze markt al vroeg in. Vincenzo Gagliano was de laatste uit de dynastie die uit 15 bouwers had bestaan en 100 jaar had geduurd. Hij was een zeer getalenteerde bouwer en bezat vier generaties aan kennis en ervaring. Maar goedkopere, industrieel vervaardigde instrumenten uit Frankrijk en Duitsland maakten het voor hem steeds moeilijker om te concurreren. Desondanks probeerde Vincenzo Gagliano met zijn vakmanschap de reputatie van de familienaam in ere te houden. Naast vioolbouwer had hij een een goede reputatie als kenner en handelaar in oude instrumenten.
Bij Gagliano in de werkplaats, bleek Pistucci opvallend veel aanleg te hebben voor vioolbouw. Vincenzo Gagliano erkende zijn talent, maar voelde zich niet gezond genoeg om nog een leerling op te leiden. Hij overleed in 1886 toen Giovanni Pistucci nog maar net begonnen was. Fridolin Hamma, die enkele keren per jaar bij Gagliano kwam om instrumenten te kopen, bracht hem in contact met Vincenzo Postiglione, destijds de belangrijkste vioolbouwer van Napels. Direct na de dood van Gagliano, ging Pistucci in de leer bij Postiglione.
Daar ontwikkelde hij zich snel. Postiglione had een zeer persoonlijke bouwstijl ontwikkeld, die in sommige opzichten aan Guadagnini deed denken. Hij stelde hoge eisen aan materiaal en afwerking en bouwde vooral voor musici, niet voor handelaren. Florian Leonhard beschouwt hem als de bouwer die de kwaliteitsnorm zette voor de tweede Napolitaanse school. Pistucci zou zich zijn verdere leven met trots erop beroepen een leerling van Postiglione te zijn geweest.
Ook nadat hij het vak volledig beheerste, bleef Pistucci zichzelf ontwikkelen door instrumenten van vioolbouwers als Alfonso Della Corte, Vincenzo Jorio en oude Napolitaanse meesters nauwkeurig te bestuderen en te kopiëren. Volgens sommige kenners overtrof hij uiteindelijk Postiglione zelfs in nauwgezetheid.
In 1904 begon Giovanni Pistucci een eigen werkplaats. Daar bouwde hij zowel instrumenten onder eigen naam als voor andere bouwers.
De opkomst van Puccini en Verdi zorgde voor een opleving in de muziek, waardoor strijkinstrumenten de plaats in gingen nemen van de tot dan toe razend populaire mandolines en gitaren. Die verandering werkte in het voordeel van Giovanni Pistucci. Zijn productie nam bijna legendarische vormen aan en dat dwong hem om in 1908 te verhuizen naar een groter atelier.
Veel Napolitaanse bouwers leefden volgens het principe van l'arte di arrangiarsi: de kunst om zich onder alle omstandigheden te redden. Instrumenten werden gebouwd van alles dat bruikbaar was, van oude kerkbanken tot afgedankte tafelbladen.
Giovanni Pistucci’s ‘kunst van het overleven’ bestond er in dat hij door zijn vakmanschap en een kritische materiaalkeuze boven anderen uitstak. Daarbij hadden zijn instrumenten de karakteristieke warme en krachtige klank waar de violen van vroegere Napolitaanse bouwers uit de stad beroemd om waren. Naarmate zijn loopbaan vorderde, werden zijn instrumenten steeds verfijnder.
Rond 1900 werd een bijzondere instrumentenlak op de markt gebracht door Donna Teresa Pone. Deze lak stond bekend om haar snelle droging, helderheid en soepele structuur. Hoewel verkrijgbaar in ‘tutti colori’, was vooral de donkere variant, waarin zij teer had verwerkt, erg geliefd. Zij verkocht het kant en klaar op de wekelijkse markt, waardoor de plaatselijke vioolbouwers het ingewikkelde mengprocedé niet meer zelf hoefden te volgen.
Gezien de kleuren en samenstelling van de lak die Giovanni Pistucci gebruikte, paste ook hij deze lak toe. Zijn instrumenten verschenen in uiteenlopende tinten, donkerrood, goudgeel en het karakteristieke Napolitaanse groenbruin, wat ze de bijnaam ‘I peperoni di Pistucci’ opleverde.
Met zijn eigen model, waarin kenmerken van verschillende vroege Napolitaanse bouwers samenkwamen, behaalde hij op de Exposition Universele et Internationele in Brussel van 1910 een zilveren medaille en een eervolle vermelding voor zijn vakmanschap. Toch bleef hij daarnaast ook kopieën van oude Napolitaanse instrumenten bouwen. Daarbij gebruikte hij identieke houtsoorten waar de originelen van waren gemaakt en bouwde ze vaak zorgvuldiger dan het origineel. Soms zette hij er zijn eigen etiket in, maar hij gebruikte vaak ook de originele etiketten. Die waren nog in ruime mate voorhanden; achtergebleven in de oude ateliers van de betreffende bouwer.
‘Pistucci staat bekend om zijn kopieën van Gagliano dievaak een pastiche lijken van de meest eminente Napolitaanse vioolbouwers,compleet met nagemaakte labels’
Leerlingen had Giovanni Pistucci nauwelijks. Alleen was Vittorio Bellarosa van 1930 tot de dood van Pistucci zijn medewerker. Hij was eveneens geboren in Napels, had gestudeerd bij zijn vader Riccardo en deed de rest van zijn opleiding bij Rodolfo Fredi in Rome. Daarnaast had hij ook in Mittenwald gezeten. Na enkele jaren bij Rodolfo Fredi gewerkt te hebben, keerde hij eind twintiger jaren naar Napels terug. Bellarosa was een kenner van de laksoorten waarmee instrumenten werden afgewerkt, inclusief technieken om een instrument een verouderd uiterlijk te geven. Giovanni Pistucci liet het lakwerk van veel van zijn instrumenten door hem doen.
In WOII werd Napels een strategisch doelwit van de Duitsers. Bombardementen vernielden tussen 1940-1943 grote delen van de stad. Daarna werd Napels door de Duitsers ingenomen. Toen zij de stad weer verlieten, pasten zij de techniek van de verschroeide aarde toe. Er heerste extreme armoede, belangrijke gebouwen werden opgeblazen. De ontberingen in de stad hielden tot het eind van de oorlog aan. Hongersnood, cholera en maffia-activiteit volgden daarop. De ‘kunst van het overleven’ werd door Pistucci de harde werkelijkheid; om financieel te overleven begon hij meer en meer zijn nagebouwde oude Napolitaanse meesters als echte te verkopen.
Bellarosa had op zijn 20e al 50 violen gebouwd en kon meer dan alleen lakken. Tegen 1940 had hij zich onder Pistucci's leiding ontwikkeld tot een meesterlijk vakman. Een aanzienlijk deel van zijn werk uit de jaren 1940-1955 is later zelfs aan Pistucci toegeschreven. Waarschijnlijk bouwde hij in die jaren een belangrijk deel van de instrumenten die het atelier van Pistucci verlieten. Na Pistucci's overlijden in 1955 nam Bellarosa de volledige werkplaatsinventaris over en zette hij de Napolitaanse traditie voort. Hij wordt vaak beschouwd als de laatste vertegenwoordiger van de Napolitaanse vioolbouwschool.
Giovanni Pistucci geldt als een van de belangrijkste bouwers van de tweede Napolitaanse school. Schattingen van zijn productie lopen uiteen van vijfhonderd tot duizend instrumenten, waarvan vermoedelijk ongeveer achthonderd violen, tweehonderd altviolen en dertig cello's.
Zijn oeuvre bestaat grotendeels uit instrumenten die voortbouwen op de Napolitaanse traditie. Soms zijn het nauwgezette kopieën, maar vaker combineerde hij elementen van verschillende voorgangers tot een eigen stijl. Vooral de rechtopstaande f-gaten herinneren aan het beste werk van de familie Gagliano uit het midden van de achttiende eeuw.
Uit historisch onderzoek blijkt dat Pistucci zijn betere instrumenten voornamelijk op de Italiaanse markt verkocht en zijn vervalsingen aan handelaren uit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Experts zien Pistucci overigens niet als een kwaadwillende vervalser, maar eerder als een uitzonderlijk getalenteerde meester vioolbouwer die in staat was tot het bouwen in de beste Napolitaanse traditie en meeging in de destijds wijdverspreide praktijk van het ‘antiek-kopiëren’.
‘Misschien wel het meest wispelturige onderdeelvan zijn instrumenten is de krul.Hier heeft Pistucci een typisch Napolitaans model gemaaktmet een verrassende, vrijbuiterige spontaniteit’
Voor zijn eigen instrumenten gebruikte hij bij voorkeur donker getint hout uit de Abruzzen. Ook met zijn randinleg bleef hij trouw aan de Napolitaanse traditie: smalle donkere stroken geperst en geverfd papier met een bredere lichte kern, vaak vervaardigd uit hout afkomstig van de dunne houten viskistjes die in Napels algemeen werden gebruikt. Uit hetzelfde materiaal werden vaak ook de binnenranden van de klankkast gemaakt.
Zijn relatief kleine, Gagliano-achtige krullen zijn diep uitgestoken en krachtig van karakter. Op altviolen en cello's voorzag hij de achterzijde van de krul vaak van een uitgesneden kruis, een persoonlijk motief dat bij geen van zijn Napolitaanse voorgangers voorkomt. Giovanni Pistucci geldt als een van de belangrijkste bouwers van de tweede Napolitaanse school. Schattingen van zijn productie lopen uiteen van vijfhonderd tot duizend instrumenten, waarvan vermoedelijk ongeveer achthonderd violen, tweehonderd altviolen en dertig cello’s.
Zijn labels luiden: Giovanni Pistucci / Napoli 1823
Raffaele ed Antonio Gagliano, Quodam Giovanni, Napoli 1825
Giovanni Pistucci / alunno di Vincenzo Postiglione / fece in Napoli anno 1909
Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is een goed voorbeeld van het werk dat hij maakte kort voordat hij aan het hoogtepunt van zijn loopbaan begon.
Bonaventura A. , Italiaanse vioolbouw in de achttiende en negentiende eeuw, Napels.
Azzolina U., 1991, Italian Violin Making in the 1800s and 1900s, Milaan
Hamma W., 1993, Meister Italienischer Geigenbaukunst, Wilhelmshaven,
Vannes, R., 1985, Dictionnaire Universel del Luthiers, Brussel
Brinser M., 1978, Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers
Henley W., 1969, Universal Dictionary of Violin & Bow Makers. Brighton
Tarisio, Cozio archive, bezocht in 2020
Ingleshayday.com, bezocht in 2020
Norskov, J, Luitai Napolitano di spicco del novecento, bezocht in 2020
Philip J. Kass; oxfordmusic, bezocht in 2020
*Afbeelding bij inleiding: Garibaldi’s intocht in Napels (1860), F.W Schwarz, collectie Castel Nuovo museum Napels, CC-BY-SA 3.0 via Wiki Commons