Doorgaan naar content
bouwer

Giovanni Grancino

*1637 , Milaan      †1709 , Milaan

De opkomst van de Milanese vioolbouwkunst begon met de familie Grancino. Daarvóór had de stad op het gebied van de vioolbouw nog geen gevestigde traditie. Tot ver voorbij de helft van de zeventiende eeuw bleef hun atelier het enige van betekenis in Milaan. Andrea Grancino, de vader van Giovanni was er halverwege zijn leven mee begonnen, opgevolgd door zijn beide zonen Giovanni en Francesco. Van Francesco is geen enkel officieel document teruggevonden, het leven van Giovanni is daarentegen goed vastgelegd. Hij werd in 1637 geboren als tweede zoon van Andrea. Hun woning met atelier lag in de schaduw van de Dom, waar Andrea’s broer Maestro di Cappella was. Giovanni bouwde aanvankelijk veel violen en altviolen, later een groot aantal zeer goede cello’s. Hun werkplaats werd het centrum waar veel latere vioolbouwers het vak leerden.
Werkplaats(en)
Milaan, 1646-1709

Leven en loopbaan

Tot kort voor de geboorte van Giovanni Grancino had de pest verwoestend huisgehouden onder Milanese bevolking. Bijna de helft van de 120.000 inwoners was er aan bezweken. Zijn vader Andrea Grancino (ca 1617-ca 1680) behoorde bij de andere helft.

Een andere overlevende was Francesco Borromeo, kardinaal van Milaan. Hij stelde Michel Angelo Grancino, de broer van Andrea Grancino, aan als ‘Maestro di Cappella’ van zijn kathedraal en vroeg hem om de muziek, die elders in ItaIië al veel verder ontwikkeld was dan in Milaan, nieuw leven in te blazen. Daarmee werd een Grancino de meest invloedrijke kracht in Milaan. Andrea Grancino heeft daar duidelijk van geprofiteerd toen hij besloot vioolbouwer te worden.

Waar Andrea Grancino zijn brood mee verdiende vóór hij als vioolbouwer begon is niet bekend. Wel is gedocumenteerd dat hij in 1646 een werkplaats opende in zijn huis aan de Contrada Larga (tegenwoordig de Via Larga), op korte afstand van de Dom en het paleis van de aartsbisschop en kardinaal. Vermoedelijk overgehaald door zijn broer Michel Angelo begon Andrea zijn loopbaan als vioolbouwer. Zijn zoon Giovanni was negen jaar eerder, in 1637 geboren als zijn tweede of wellicht als zijn derde zoon. Gezien het feit dat Giovanni al in 1647, hij was toen elf jaar, zijn eerste instrument bouwde, doet vermoeden dat Andrea hem al heel vroeg zijn eerste lessen heeft gegeven. Kenners zijn van mening dat Giovanni daarna nog een vervolg opleiding genoten heeft bij een goede bouwer.

Ondanks dat er geen documenten in de archieven van Milaan of elders gevonden zijn die zijn bestaan onderbouwen, is het onbetwist dat Giovanni een broer, Francisco, had met wie hij vanaf 1655 heeft samengewerkt. In violen tussen 1655 en 1680 zit vaak een authentiek etiket waarop de namen van beiden staan. Giovanni en Francesco bouwden ruim tien jaar lang samen violen en altviolen. Cello’s waren voornamelijk van Giovanni’s hand.

De schaarse violen uit de eerste jaren droegen het label van Andrea. Ook later toen zijn zonen hem hielpen veranderde dat niet. In de vroege periode zijn er maar enkele instrumenten van Giovanni bekend, meestal bouwde hij deze samen met Francesco.

Van een mogelijk derde zoon, Paolo, zijn geen instrumenten gevonden. Lang bleef hij een mysterieuze bouwer, maar in een onderzoek uitgevoerd door Claude Lebet werd Paolo Grancino’s naam aangetroffen op een lijst uit 1665 van Andrea Guarneri’s medewerkers, van wie het merendeel later evenmin een eigen atelier heeft gehad.

De instrumenten van Andrea zijn nog betrekkelijk eenvoudig en verraden geen herkenbare invloed van andere bouwers. Nadat zijn zoon Giovanni vanaf 1660 zelf meer instrumenten ging bouwen veranderde dat. De grote kenner en verzamelaar van oude instrumenten Cozio di Salabue schreef later dat Andrea en zijn zoon ‘enkele prachtig instrumenten hebben gebouwd’, ondanks dat het materiaal waarvan ze gemaakt waren zeer eenvoudig was.

Giovanni Grancino en zijn broer, bijgestaan door een toenemend aantal medewerkers, produceerden rond 1700 een groot aantal instrumenten. Hun meest getalenteerde medewerker was Carlo Giuseppe Testore (1665-1738) die als leerling bij hen begonnen was. Wellicht was het aan zijn invloed te danken dat de instrumenten van de Grancino’s na zijn komst nauwkeuriger werden afgewerkt.

In de jaren na Grancino’s beginperiode vestigden er zich meer vioolbouwers aan de Contrada Larga. Dat was onder andere Bartolomeo Pasta (1640-1706). Deze bouwer kwam in 1673 uit Cremona en was enkele jaren eerder werkzaam geweest in de werkplaats van Nicolò Amati. Hij werd aan de Contrada Larga gezien als ongewenste concurrent, maar naar de kennis die hij meebracht uit de stad die gold als de bakermat van de Italiaanse vioolbouw, was Giovanni ongetwijfeld nieuwsgierig. Pasta ging bij Testore inwonen die inmiddels bij Andrea en Giovanni zijn talent bewezen had. Het vermoeden dat Bartolomeo Pasta na zijn aankomst in Milaan korte tijd voor Grancino heeft gewerkt, is niet bevestigd, maar is wel gerechtvaardigd. Hoewel Giovanni nog wel grotendeels vast bleef houden aan zijn eigen opvattingen is er na die tijd wel enige invloed van Amati in zijn werk te zien.

In 1673 werd Giovanni’s zoon Giovanni Battista (1673-ca1720) geboren. Hij kreeg zijn opleiding in de werkplaats van zijn vader waar hij al snel een belangrijke rol ging spelen. Instrumenten van vader en zoon zijn niet uit elkaar te houden. De instrumenten uit die tijd dragen uitsluitend het label met de naam van Giovanni. Daarop staat dat het instrument gebouwd is in het atelier aan de ‘Contrada Largha in Milano al Segno della Corona’ zoals ook al op het etiket van zijn vader vermeld stond.

Na 1680 verdwijnt Francesco uit beeld. Waar hij naar toe ging is net zo min bekend als zijn bijdrage aan het atelier.

Kort voor Giovanni’s dood in 1709, raakte zijn zoon Giovanni Battista betrokken bij een conflict dat verregaande gevolgen zou hebben voor alle familieleden en voor het voortbestaan van het atelier. Na zelf gewond te zijn geraakt tijdens een ruzie, stierf zijn rivaal enkele dagen later aan de verwondingen die Giovanni Battista hem had toegebracht. Giovanni Battista werd gevangen gezet en beschuldigd van doodslag. Nog voor de rechter uitspraak kon doen, stierf zijn vader. De daad van Giovanni Battista kon geen genade vinden in de ogen van de rechter die hem ter dood veroordeelde. Al zijn bezittingen, waaronder ook het huis, het atelier en de instrumenten van zijn vader die hij na zijn dood geërfd had, werden in 1709 verkocht. De opbrengst ging naar de nabestaanden van zijn gedode rivaal.

Iedereen, niet alleen zijn vrouw en twee kinderen, maar ook de weduwe van Giovanni, moest het familiehuis uit. Giovanni Battista ontsnapte en dook onder. Hij heeft vermoedelijk nog wel instrumenten gebouwd, maar niet meer van een label voorzien. Van instrumenten die wel een etiket met zijn naam dragen wordt de authenticiteit betwist. In 1716 kreeg hij gratie. De goede naam van Grancino was dermate aangetast dat zijn beide zonen er geen heil in zagen om vioolbouwer te worden.

Carlo Giuseppe Testore was al in 1697 naar de andere kant van de stad verhuisd en voor zichzelf begonnen. Het atelier van Grancino werd de gilde-licentie ontnomen. Pas rond 1760 heropende Ferdinando Alberti het atelier. Testore bleef tot de komst van de familie Guadagnini de belangrijkste bouwer in de stad.

Werk en invloed van Giovanni Grancino

Op Andrea Grancino en zijn zonen hebben grote bouwers van naam uit Cremona, Brescia of Venetië in de eerste periode geen enkele zichtbare invloed gehad. Niet zo verwonderlijk, want Milaan was een stad zonder een serieuze muzikale traditie en in verval. De eens zo trotse stad, al jarenlang bezet door de Spaanse troon, lag in geïsoleerd gebied en was door hoge belastingen leeggezogen. Vioolbouwers van buiten de stad mochten er zonder toestemming van het gilde, die onder Spaans gezag stond, niet werken. Het autoritaire Spaanse regime was bovendien iedere nieuwe ontwikkeling tegengegaan. De kerk was zo ongeveer de enige plaats waar nog muziek gemaakt werd en waar strijkers alleen ter ondersteuning van de koren een rol hadden. Een vioolbouwer had er de grootste moeite om zijn brood te verdienen.

Dat verergerde nog eens door de pest. Vrijwel nergens in Italië sloeg die harder toe dan in Milaan. Ook de ‘Plaag van Milaan’, zoals de ziekte genoemd werd, weerhield vioolbouwers om zich bij de gilden aan te melden voor een licentie. Milaan werd zo, nog meer dan voorheen, een naar binnen gekeerd bolwerk. Pas na 1632, toen de ziekte uitgewoed raakte, herstelde de stad zich langzaam. Dat herstel was te danken aan de oude, aristocratische familie Borromeo die vanaf 1650 initiatieven nam op zo ongeveer alle culturele en sociale gebieden. Het was kardinaal Borromeo, die Michel Angelo Grancino aanstelde als nieuwe drijvende kracht achter de muziek in de stad.

Andrea en Giovanni Grancino bouwden hun instrumenten in de eerste jaren overwegend van eenvoudige, lokaal gevonden houtsoorten. Hout importeren van buiten het Spaanse gebied was kostbaar zo niet onmogelijk. Pas toen de Spaanse overheersing ten einde was lukte dat.

Hun oeuvre uit de jaren 1670–1680 bestaat voornamelijk uit altviolen. Pas rond 1690, toen de zaak floreerde en nieuwe invloeden van buiten kreeg, kon Giovanni zich beter hout met een mooiere tekening veroorloven. Hij ging vanaf dat moment ook meer violen en cello’s bouwen. De Amati-achtige stijl veranderde net voor de eeuwwisseling in één die voorzichtig de invloed van andere Cremonese bouwers liet zien. Daarmee oogstte hij succes en kon het bedrijf groeien. Zijn violen en altviolen werden eleganter, maar zijn cello’s behielden nog hun oude vorm.

Grancino’s cello’s waarmee hij rond 1690 begonnen was, vormen een belangrijk onderdeel van zijn oeuvre. Die waren meestal van een groot formaat. Ze zijn prachtig gebouwd en hun klankkwaliteit mag gerekend wordt tot de top. Sommige kenners typeren zijn beste cello’s als meesterwerken.

Na 1670 verschenen de eerste violen met een matig gevlamd achterblad van esdoornhout dat soms uit één stuk, maar ook uit twee delen kon bestaan. Na 1700 werd het materiaal mooier.

De Grancino’s gebruikten aanvankelijk een oranjerode lak die vanaf 1690 diep geel werd. Dat bleef de kenmerkende kleur voor instrumenten van de familie.

Beide instrument die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft zijn goede voorbeelden van wat Giovanni Grancino in zijn beste periode bouwde. De invloed van de grote Cremonese bouwers is dan ruimschoots doorgedrongen tot zijn werk.

Bronnen

Chiesa C., 1996, Violinmakers at the Contrada Larga in Milan.

Kass P. J., 1989, Snaarinstrumenten van de Milanese vioolbouwers van de Contrada Larga.

Santoro E., 1989, Violinari e violini, Cremona.

Lebet C., 1985, Dictionnaire des luthiers, Brussel.

de La Laurencie L., 1930, Inventaire du Fonds Blancheton de la Bibliothèque du Conservatoire de Paris, Paris. 

de Piccolellis G., 1885, Oude en moderne vioolbouwers. Biografische en kritische aantekeningen, Florence. 

Tarisio; Cozio archive, bezocht in 2020.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
23 juli 2020