
viool
Marie Duquesnoy

*1673 , Milaan †± 1724 , Milaan

Giovanni Battista’s grootvader Andrea Grancino (ca. 1617-ca. 1680) was de eerste vioolbouwer van de familie Grancino. Hij opende in 1646 een werkplaats in zijn huis aan de Contrada Larga in Milaan, op korte afstand van de Dom, in het centrum van de stad. Zijn zoon Giovanni was negen jaar eerder, in 1637 geboren. Toen hij elf jaar was bouwde Giovanni al zijn eerste viool.
In het begin waren de instrumenten van grootvader Andrea en diens zoon nog betrekkelijk eenvoudig, maar nadat Giovanni vanaf 1660 zelf meer instrumenten ging bouwen, veranderde dat. De veronderstelling is dat hij nog bij een andere, goede bouwer in de leer is geweest. In 1664 liet hij het atelier op zijn naam zetten en gaf het de naam ‘al Segno della Corona’ als adres. De grote kenner en verzamelaar van oude instrumenten graaf Cozio di Salabue schreef later dat de Grancino’s ‘enkele prachtige instrumenten hebben gebouwd’. Opvallend is dat zij geen herkenbare invloed van de grote bouwers uit Cremona, Brescia of Bologna verraden, maar een heel eigen stijl vertegenwoordigen. Giovanni Grancino wordt nu algemeen beschouwd als de grondlegger van de Milanese school.

Milaan (Contrada Larg(h)a in geel), Daniel Stoopendaal 1704
Giovanni Battista, de eerste van zijn drie zonen, werd in 1673 geboren in het familiehuis aan de Contrada Larga. Hij werd al vroeg opgeleid door zijn vader en werkte samen met een toenemend aantal leerlingen en medewerkers. Giovanni Battista trouwde in 1694 en kreeg vier jaar later zijn eerste zoon, Michel Angelo en in 1699 zijn tweede, Francesco. Tegen die tijd waren de Grancino's verreweg de beste en meest productieve bouwers van Milaan. In het atelier werd rond 1700 een groot aantal instrumenten geproduceerd. Gezien het feit dat zijn vader al op leeftijd was, speelde Giovanni Battista zonder twijfel een leidende rol in het atelier.
In de eerste periode van hun loopbaan hebben grote bouwers van naam uit Cremona, Brescia of Venetië geen zichtbare invloed op Giovanni Battista Grancino gehad. Niet zo verwonderlijk, want Milaan was een stad die het lang zonder een serieuze muzikale traditie had moeten stellen en hevig te lijden had gehad van de Frans/Spaanse overheersing. Het was geïsoleerd geraakt en leeggezogen door hoge belastingen. Vioolbouwers van buiten de stad mochten er zonder toestemming van het broederschap van vioolbouwers, dat onder het vreemde gezag stond, niet werken. Het autoritaire regime was bovendien iedere nieuwe ontwikkeling tegengegaan. De kerk was zo ongeveer de enige plaats geweest waar nog muziek gemaakt werd en waar strijkers een belangrijke rol hadden. Een vioolbouwer had er de grootste moeite om zijn brood te verdienen.
Hoewel de Grancino’s grotendeels vast bleven houden aan hun eigen opvattingen, verschijnt er na de komst van Pasta iets van diens leermeester Amati in het werk van Grancino en Testore
Toch hadden er zich ten tijde van Giovanni Battista’s geboorte al meer vioolbouwers in Milaan gevestigd, de meesten in de buurt van de Contrada Larga. Een van hen was Bartolomeo Pasta (1640-1706). Hij kwam in 1673 uit Cremona en was enkele jaren eerder werkzaam geweest in de werkplaats van Nicolò Amati. Aan de Contrada Larga werd hij gezien als ongewenste concurrent, maar de kennis die hij meebracht uit de stad die gold als de bakermat van de Italiaanse vioolbouw, maakte de Grancino’s ongetwijfeld nieuwsgierig. Ook Carlo Giuseppe Testore begon zijn loopbaan als leerling bij Grancino. Testore ging bij Pasta inwonen. Het vermoeden bestaat dat Bartolomeo Pasta na zijn aankomst in Milaan bij Grancino heeft gewerkt. Hoewel de Grancino’s grotendeels vast bleven houden aan hun eigen opvattingen, verschijnt er na de komst van Pasta iets van diens leermeester Amati in het werk van Grancino en Testore.
De instrumenten van vader en zoon zijn tot 1705 moeilijk toe te schrijven aan de één of de ander
Giovanni Battista bouwde veel violen en altviolen, alsmede enkele cello’s, alle met het etiket van zijn vader. Daarop staat dat het instrument gebouwd is in het atelier aan de ‘Contrada Largha in Milano’ zoals ook al op het etiket van Andrea vermeld stond. Ook zijn er geen tekens of initialen van zijn medewerkers in teruggevonden. Daarna worden ze persoonlijker en is de hand van Giovanni Battista herkenbaar. In zijn onderduiktijd beperkte hij zich, waarschijnlijk noodgedwongen, hoofdzakelijk tot violen. Instrumenten uit die tijd zijn uitermate schaars.
Het eerste instrument dat echt aan Giovanni Battista zelf kon worden toegeschreven is een viool die dateert uit 1705, gebouwd in het familieatelier aan de Contrada Larga.
In 1708 raakte Giovanni Battista betrokken bij een conflict dat verregaande gevolgen zou hebben voor alle familieleden en dat een einde zou maken aan het voortbestaan van het atelier. Lavazza, een andere vioolbouwer die eveneens aan de Contrada Larga woonde, was na een rechterlijk verbod om bij Giovanni Battista in de buurt te komen, toch diens huis binnengedrongen en had hem verwond. Giovanni Battista stak Lavazza neer en werd, nadat deze enkele dagen later overleed, gevangengezet en beschuldigd van doodslag. Nog voor de rechter uitspraak kon doen, stierf zijn vader. Giovanni Battista werd schuldig bevonden aan doodslag en ter dood veroordeeld. Al zijn bezittingen, waaronder ook het huis, het atelier en de instrumenten van zijn vader die hij na zijn dood zou erven, werden in 1709 verkocht. De opbrengst ging naar de nabestaanden van Lavazza.
Iedereen, niet alleen zijn vrouw en twee kinderen, maar ook zijn moeder, moesten het familiehuis uit. Giovanni Battista wachtte de uitvoering van het vonnis niet af en dook onder. Daarna heeft hij nog wel instrumenten gebouwd, maar die heeft hij maar zelden van een label voorzien. Van de instrumenten tussen 1709 en 1712, die een etiket met zijn naam dragen, wordt de authenticiteit ten zeerste betwist. Pas in 1712 verschenen er weer instrumenten van zijn hand. In 1716 kreeg hij gratie en bouwde nog enkele cello’s. De goede naam van Grancino was echter zo aangetast dat zijn beide zonen er geen heil meer in zagen om vioolbouwer te worden.
Graaf Cozio di Salabue
De familie Grancino bouwde eerst nog goedkope violen en altviolen voor eenvoudige muzikanten. Na 1670 vroeg een groeiend aantal goede amateurmusici uit de aristocratische kringen van Milaan om betere strijkinstrumenten. Bouwers uit Cremona en Brescia rekenden daar hoge prijzen voor en Grancino bouwde goed klinkende violen voor het tweederde deel daarvan. Met hulp van zijn contacten uit de invloedrijke Milanese aristocratie omzeilde Giovanni Battista waarschijnlijk de belemmeringen om een goede kwaliteit hout van buiten het gebied te halen.
Pas rond 1690, toen de zaak floreerde en nieuwe invloeden van buiten kreeg, konden zij zich beter hout met een mooiere tekening veroorloven. De meeste andere Milanese bouwers moesten het nog lang met eenvoudige, lokaal gevonden houtsoorten doen.
Graaf Cozio di Salabue schreef later dat de Grancino’s ‘enkele prachtige instrumenten hebben gebouwd’
Tot 1680 bestond hun oeuvre voornamelijk uit altviolen. Giovanni Battista kreeg geleidelijk de leiding van het atelier en ging vanaf dat moment ook meer violen en cello’s bouwen. De Amati-achtige stijl veranderde net voor de eeuwwisseling in één die voorzichtig de invloed van andere Cremonese bouwers liet zien. Daarmee oogstten zij succes en nam het aantal klanten toe. De violen en altviolen werden eleganter, maar zijn cello’s behielden nog hun oude vorm.
Grancino’s cello’s waarmee hij rond 1690 begonnen was, vormen een belangrijk onderdeel van zijn oeuvre. Die waren meestal van een groot formaat. Ze zijn prachtig gebouwd en hun klankkwaliteit mag gerekend wordt tot de top. Sommige kenners typeren hun beste cello’s als meesterwerken.
De Grancino’s gebruikten aanvankelijk een oranjerode lak die vanaf 1690 diep geel werd. Dat bleef de kenmerkende kleur voor instrumenten van de familie. De lak die Giovanni Battista in zijn onderduikperiode gebruikte, verschilt erg in kleur en samenstelling. Vermoedelijke ontbrak het hem aan de juiste ingrediënten om de lak te kunnen maken die hij gewend was.

Krul van de viool uit 1714 in de collectie van Het Muziekinstrumenten Fonds
Vanaf 1712, drie jaar nadat Giovanni Battista ondergedoken was geweest, bouwde hij pas weer instrumenten. Waarschijnlijk moest hij enkele keren van schuilplaats wisselen en miste hij een vast atelier met vertrouwde vioolbouwgereedschappen, waardoor de kwaliteit van zijn werk erg wisselde. Naar de mening van Chiesa bereikte hij het niveau van voorheen zelden meer.
Het Muziekinstrumentenfonds heeft twee violen van G.B. Grancino in de collectie. Een viool uit 1714 (met prachtig gesneden originele krul, zie foto) die in 2013 in de collectie werd opgenomen. Onder anderen Anne Sophie Mutter prees die viool regelmatig om zijn excellente klankkwaliteiten toen hij werd bespeeld door Noa Wildschut. In 2024 kon het Muziekinstrumentenfonds een tweede viool aankopen. Die viool werd gebouwd in 1712 en verkeert in zeer goede staat. De krul is echter niet origineel, maar werd volgens expert Charles Beare rond 1770 gemaakt door een andere grote naam uit de Milanese vioolbouw: Pietro Giovanni Mantegazza.
Chiesa C., 1996, Violinmakers at the Contrada Larga in Milan.
Kass P. J., 1989, Snaarinstrumenten van de Milanese vioolbouwers van de Contrada Larga.