
viool
Sonsoles Vallés

*1868 , Chieri (bij Turijn) †1936 , Turijn

Giorgio Giovanni Gatti kwam uit Chieri, een klein dorp in de buurt van Turijn. Over het beroep dat hij daar uitoefende is niets bekend. Volgens het archief was zijn vader schoenmaker en zijn moeder weefster. Pas in 1890, op 32 jarige leeftijd, verhuisde Giorgio naar Turijn. Daar begon hij als graanhandelaar en deed dat zo succesvol dat het hem in korte tijd tot een bemiddeld man maakte. Met dezelfde ondernemersgeest breidde hij zijn handel uit met muziekinstrumenten. Deze moeten hem zo geboeid hebben dat hij rond die tijd zelf begon met het bouwen daarvan.
Onderzoekers hebben niet kunnen aantonen dat Giorgio Gatti vóór zijn komst naar Turijn al in de leer is geweest bij een vioolbouwer. Wel hebben zij aannemelijk kunnen maken dat hij in Turijn in contact kwam met drie van zijn latere vakgenoten, te weten Enrico Marchetti, Francesco Guadagnini en Marengo Rinaldi. Zij waren de enige instrumentmakers die toen in die stad werkzaam waren. Gezien de vroege stijl van Gatti moet hij bij het leren van zijn vak geholpen zijn door Marchetti, maar ook Guadagnini heeft hij van nabij gekend. De eerste instrumenten waar Gatti door bekend werd, waren niet zijn violen, maar zijn gitaren. En die waren in de stijl van Guadagnini gemaakt.
Giorgio Gatti trouwde in 1892 met Angela Favero. Een jaar later, in 1893 vertrok Enrico Marchetti uit Turijn en nam Giorgio Gatti zijn plaats in. In dat jaar kocht hij een groot pand op een mooie lokatie waar hij samen met zijn vrouw een atelier en winkel opende. Daar bleven zij wonen en werken tot 1917.
In het Turijnse archief staat hij dan geregistreerd als eigenaar van ‘Gatti Giorgio & co, handelaar in muziekinstrumenten, graan en bloem’. Hij hield zich dan wel bezig met de handel, maar hij bouwde zelf steeds meer instrumenten; gitaren naar het model van Guadagnini en violen naar die van Pressenda. Daarvan stuurde hij in 1898 enkele naar de Esposizione Generale Italiana. Later bouwde hij naast violen en gitaren, ook celli en mandolines. Op de Esposizione Internationale van 1911 toonde hij daar een selectie van. Beide tentoonstellingen waren in Turijn. Door deelname aan de eerste vestigde hij zijn reputatie in de stad, door de tweede versterkte hij die. Dat was wel nodig want er hadden zich in korte tijd een aantal zeer goede vioolbouwers in Turijn gevestigd.
Vermoedelijk dwong de toegenomen concurrentie hem om zijn aandacht te richten op maar één aspect van zijn werk. In 1917 stopte hij met zijn handel in granen en legde zich helemaal toe op bouwen, verkopen en verhandelen van instrumenten. Hij sloot de werkplaats en opslag van graan en begon in een nieuwe woning een atelier waar hij alleen maar instrumenten bouwde. Daar werkte Giorgio Gatti tot zijn dood 1936.
De Turijnse vioolbouwschool waar Gatti een representant van is, kent een indrukwekkende geschiedenis. Leden van de familie Guadagnini, Rocca, Oddone en Pressenda waren daar de meest invloedrijke bouwers van. De ‘Turijnse school’ gaat terug tot de zeventiende eeuw. Rond die tijd kwamen Tiroolse vioolbouwers als vluchteling voor de dertigjarige oorlog naar Noord-Italië. Daarnaast kwam er nog een tweede stroming in de vioolbouw op gang. Deze stroming, gekenmerkt door een sterke invloed van de Vlaamse school, werd door Parijse bouwers die het vak in de lage landen geleerd hadden, meegebracht naar Turijn. De samensmelting van beide stromingen vormde de hoofdlijn voor de latere Turijnse vioolbouwschool.
Gatti had na zijn korte periode bij Marchetti vermoedelijk geen andere leermeester. Gezien het buitengewoon hoog niveau van zijn werk dat hij in de loop van de jaren zou bereiken, beschouwen kenners hem als een briljante autodidact.
Het basispatroon van zijn violen lijkt op dat van Pressenda, een vroegere stadgenoot die hij als een Turijnse bouwer par excellence beschouwde. Ook al had zijn werk veel weg van deze bouwer, toch hij gaf zijn instrumenten altijd iets persoonlijks mee waardoor zij vrij gemakkelijk als instrumenten van zijn hand herkend konden worden. In veel gevallen was dat een maatverhouding waardoor zij er ‘lang’ uitzien, in het bijzonder is dat bij de kop het geval. Ook de f-gaten van zijn violen zijn opvallend langgerekt.
Voor zijn instrumenten gebruikte hij in het begin een dieprode olielak die hij zorgvuldig opbracht, maar de neiging had te gaan cracqueleren. Zij kregen door deze kleur èn door de uitgesproken vorm van zijn model een krachtig uiterlijk. Later veranderde dat enigszins; zijn werk werd minder nauwkeurig en de lak lichter.
Afhankelijk van de periode voorzag hij zijn instrumenten van twee verschillende labels, beide voorzien van zijn adres. Een brandmerk voegde hij er niet aan toe, hoewel dat in Turijn wel vrij gebruikelijk was. Er zijn geen leerlingen van Gatti bekend.
Lange tijd was Gatti een betrekkelijk onbekende bouwer, pas na studies van Thöne en Blot uit 2003 heeft hij de erkenning gekregen die hij verdient.
De viool die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, dateert van 1912, dat is aan het begin van een periode waarin hij zijn betere instrumenten bouwde.
Thöne, J, 2003, Italian & French Violin Makers, Grottamarre.
Blot E., 2003, Un secolo di Luteria Italiana 1860-1960, Cremona.
Cozio Archive; Violin making in Turin, geraadpleegd in 2019.