
viool
Diet Tilanus

*± 1653 , Onbekend †1717 , Saluzzo

Saluzzo was in de zestiende eeuw een van de meest welvarende steden in de Piemonte. Nadat het klem had gezeten tussen Franse en Duitse troepen werd het in 1601 toegewezen aan het Franse hof. Franse handelaren en ambachtslieden, waaronder veel vioolbouwers, waren achter de troepen aan naar de Piemonte gekomen en er gebleven. Of Gioffredo Cappa in Saluzzo geboren is weten we niet met zekerheid. Veel archieven werden in de strijd vernietigd. Uit het kerkelijk archief van de kathedraal van Saluzzo blijkt wel dat Gioffredo Cappa daar gestorven is. Hij moet een man van aanzien zijn geweest, daar hij binnen de muren van de kathedraal en niet op een kerkhof werd begraven. Zijn aanzien betrof ook zijn vakkennis; op zijn overlijdensakte stond de titel ‘Maestro’. Dat Gioffredo Cappa bekend stond als Cappa da Saluzzo en het tweede deel van de naam in de Piemonte gewoonlijk verwees naar de geboorteplaats, kan erop wijzen dat Saluzzo ook zijn geboorteplaats was. Als zijn geboortejaar wordt over het algemeen 1653 aangenomen.
Vanaf het moment dat Cappa als vioolbouwer in Saluzzo aan het werk ging, kwam hij in de belastingadministratie van de stad voor. Hij woonde in de parochie van San Bernardo en trouwde er in 1679 met Maria Scotti.
In 1696 werd Saluzzo onder de voet gelopen door Franse troepen. Cappa vluchtte daar vermoedelijk voor naar Mondovi, dat buiten het strijdgebied lag en een van de grootste steden van de Piemonte was. Uit 1697 is een cello van hem bekend die hij in Mondovi gebouwd heeft. In hetzelfde jaar verblijft hij ook in Turijn. Hij komt weliswaar niet in de administratie van de stad voor maar er bestaat wel een originele viool met een etiket uit Turijn in dat jaar. In 1706 verwoestte het Franse leger ook Turijn. Een jaar later, in 1707 was Cappa weer teruggekeerd naar Saluzzo. Daar bleef hij tot aan zijn dood in 1717 werken.
Cappa’s eerste violen hadden veel weg van de Noord-Europese. In de Piemonte, zijn geboortestreek, waren twee stromingen in de vioolbouw bij elkaar gekomen; de Franse en de Duitse. De Duitse vioolbouwers waren vluchtelingen van de dertigjarige oorlog. De Franse, en met name de Parijzenaars onder hen, waren in het kielzog van veel ambachtslieden en handelaren naar Noord-Italië gekomen, nadat de Franse koning de macht in Noord-Italië had overgenomen. Onder hen waren veel gevluchte Hugenoten die hun vak weer geleerd hadden van Vlaamse en Hollandse bouwers. Door het Franse hof beschermd, werd de invloed van de Fransen in de loop van de jaren groter, die van de Duitsers kleiner, maar in de vioolbouw was het een amalgaam van technieken uit beide streken geworden. Ook tijdgenoten uit Piemonte, zoals Enrico Cattenar, Giovanni Francesco Celoniato en Spirito Sorsana werkten zo. Alleen in Cremona en Bologna hielden de bouwers er een andere techniek op na.
Niet erg lang bouwde Cappa zijn instrumenten op die manier. Rond 1680 leek hij onder invloed te komen van de familie Amati en begon hij zijn instrumenten te bouwen zoals dat in Cremona gebruikelijk was. Dit blijkt vooral uit de contouren, die veel weg hebben van het grote Amati model, maar dan vrijer en minder streng. Ook in de welving is de invloed van Amati te zien.
Om de afwerking leek Cappa zich niet al te zeer te bekommeren. Dat zijn instrumenten eerder markant dan verfijnd te noemen zijn, blijkt onder meer uit de pinnen waarmee hij het achterblad vastzette. Die zijn niet tegen de randinleg geplaatst of zelfs half eronder weggewerkt zoals de meeste goede bouwers deden, maar hij plaatste ze duidelijk zichtbaar binnen de rand. Overal zijn de sporen van zijn gereedschap te zien en zijn randinleg is niet overal even symmetrisch van vorm en kleur.
De f-openingen plaatste hij ver uit elkaar en liet hij licht naar voren hellen. Ze lijken nog het meest op die van Andrea, de oudste Amati die ruim honderd jaar eerder leefde. Cappa gebruikte voornamelijk hout van een goede kwaliteit dat hij afwerkte met mooie levendige lak van verschillende tinten goud- en oranjebruin, die af en toe neigden naar rood.
Uit de instrumenten van Cappa die Vincenzo Lancetti onderzocht heeft, blijkt dat hij maar twee modellen voor zijn violen gebruikt heeft. De eerste is klein en vrij gewelfd, de andere is groter, vlakker en beter afgewerkt. Op die van Stradivari en Amati na, behoren Cappa’s cello’s naar Lancetti’s mening tot de beste Italiaanse instrumenten. Zo sluiten ze aan bij enkele andere laat-17e-eeuwse bouwers die een kleiner cello-model gebruikten, zoals Francesco Ruggeri en Andrea Guarneri.
In de negentiende eeuw groeide er onder invloed van Cozio, Viotti en anderen veel waardering voor het werk van Gioffredo Cappa. Beiden bespeelden een viool van hem of hadden er enkele in hun collectie. Cozio schreef dat Cappa’s violen 'enorm gewaardeerd werden, vooral door mensen in de Noordelijke Nederlanden en Engeland, die hoge prijzen betaalden voor deze instrumenten’. Naar hun mening was Gioffredo Cappa de beste van bouwers die vlak onder de Italiaanse top zaten.
De viool van Gioffredo Cappa die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft dateert vermoedelijk uit de periode voordat hij uit Saluzzo vluchtte.
Frazier, B, 2007, Cozio, Count Ignazio Alessandro di Salabue, Memoirs of a Violin Collector, Baltimore.
Kass, P. J., ‘Modern Historical Research: The Violin as Art’, Journal of the Violin Society of America
Thöne J., 2003, Italian & French violinmakers, Grottamare
Carlson B., Schmitt J. F., Moroder I., Leonhard F., 2001,Italian & French Violin Makers, Keulen
Blot E., 2001, Liuteria Italiana IV - Piemonte, Elic Blot Edizioni, Italy.
Baker T, Dilworth T en Fairfax A., 2001, The British Violin, Londen.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa
De Courcy, G.I.C., 1957, Paganini: The Genoese, University of Oklahoma
Sacchi, F, 1898, Count Cozio di Salabue: Celebrated Violin Collector, London.
Tarisio; Cozio archive, bezocht in 2020