
cello
Michaël Müller

*±1705 , Napels †±1780 , Napels

Van de vioolbouwerstak van de familie Gagliano was Gennaro’s vader Alessandro de eerste. (ca. 1665–1732). Van de dertien vioolbouwers die de familie Gagliano in de loop van de jaren voortbracht, was Gennaro’s broer Nicolò, als tweede en middelste zoon van Alessandro Gagliano, de bekendste en meest invloedrijke. Gennaro, die zo’n acht jaar ouder was dan Nicolò, heeft altijd in de schaduw gestaan van zijn broer. Onterecht; zijn werk wordt nu door kenners net iets meer verfijnd gevonden dan dat van de andere Gagliano’s. Die verfijning was voor andere klanten dan die van Nicolò. Van Carlo, een nagekomen broertje die pas in 1740 geboren werd, weten we weinig meer dan een paar violen die zijn naam dragen.
Toen Gennaro’s vader Alessandro aan zijn loopbaan begon, was er van een Napolitaanse vioolbouwtraditie nog geen sprake. Wel werden er veel instrumenten in en rond de stad gebouwd, niet door Napolitanen zelf, maar door luiten- en vioolbouwers afkomstig uit de Duitse stad Füssen.
In de loop van de jaren vermengde zich de vroege Napolitaanse bouwwijze met die van de Duitse tot een nieuwe en zeer herkenbare Napolitaanse stijl
Die bouwers waren eind 17e eeuw in groten getale naar Napels getrokken. Net als Venetië en Rome, was Napels in die tijd een culturele wereldstad. Muziek klonk op iedere straathoek en voor hen die het zich konden veroorloven was het er vrij en vrolijk. Met intellectueel debat over ieder denkbaar onderwerp en met een Koninklijk hof dat nieuwe composities stimuleerde en waar opera’s en balletvoorstellingen op massale belangstelling mochten rekenen.
De componisten, zangers en instrumentalisten werden geleverd door vier conservatoria die de stad rijk was. De vraag naar instrumenten was dan ook groot. Aan die behoefte voldeden Duitse bouwers als Magnus Lang, Matthaus Selloß, Jacob Stadler en Georg Kayser. Zij brachten goede instrumenten en een hoog niveau van bouwen uit Füssen mee. In de loop van de jaren vermengde zich de vroege Napolitaanse bouwwijze met die van de Duitse tot een nieuwe en zeer herkenbare Napolitaanse stijl.
Gennaro’s vader was onmiskenbaar geïnspireerd door de bouwers uit Füssen. Van wie hij het vak leerde is niet met zekerheid vast te stellen. Zelf liet hij weten een Alumni (leerling) van Stradivari te zijn geweest, maar een leerling van Antonio was hij niet, daarvoor zijn de verschillen in de manier van bouwen en in die van hun instrumenten te groot. Wél heeft hij waarschijnlijk veel opgestoken van Antonio’s zoon, Omobono Stradivari.
Omobono had, nadat hij een jaar of zes bij zijn vader gewerkt, de opdracht gekregen om op studie- of handelsreis te gaan. In 1697 arriveerde hij in Napels. Daar bleef Omobono, zéér tegen de zin van Antonio in, ruim twee jaar. Omobono had in de verste verte noch het talent noch de ambitie van zijn vader, maar hij had in Cremona wel gezien hoe er in de werkplaats van Antonio gewerkt werd. Daar Alessandro Gagliano de enige vioolbouwer van betekenis was in Napels, zal Omobono enige jaren in de werkplaats van Alessandro Gagliano hebben doorgebracht, waar vermoedelijk ook nog enkele Duitse vioolbouwers werkten.
Al voor Gennaro’s geboorte had zijn vader als enige vioolbouwer een kleine, maar vaste bron van inkomsten. Uit het archief van het Napolitaanse conservatorium, Santa Maria di Loreto, blijkt dat Alessandro al rond de geboorte van Gennaro, van 1701 tot 1722, tegen een vast salaris de instrumenten van het conservatorium onderhield en aanpaste aan de eisen die de nieuwe muziek stelde. Het Santa Maria di Loreto was het belangrijkste van de vier Napolitaanse conservatoria. Het niveau van alle vier was hoog en de de muzikale richting vooruitstrevend. De leiding van de conservatoria was vaak in handen van gevestigde componisten, die onder invloed van de verlichting nieuwe muziek initieerden.
Al vanaf eind 16e eeuw werden er de weesjongens ingevoerd in de muziekleer en leerden zij een instrument bespelen, zingen en componeren. In Gennaro’s tijd waren de contacten van het Santa Maria di Loreto met de kerk grotendeels verbroken en konden ook anderen dan weeskinderen tegen betaling tot beroepsmusicus worden opgeleid. Meisjes werden er echter niet toegelaten. Drie hoofdrichtingen kende het ‘Loreto’: zang (het was dé opleiding voor castraten), viool en compositieleer. Het niveau was zo hoog dat het toen al werd gezien als een van de beste muziekscholen van Europa. Napels was in Gennaro’s tijd het muzikale laboratorium van Europa waar virtuositeit een belangrijk kenmerk van was.
Parallel daaraan functioneerde er een religieuze muziekcultuur die op zeer hoog niveau in kerken, kloosters en religieuze broederschappen muziek uitvoerde. Zij organiseerde grootschalige evenementen met koor, solisten en orkest zoals de beroemde Miserere-tradities tijdens de Goede Week.
Gennaro heeft als oudste van de drie zonen die vioolbouwer werd, veel van zijn vader geleerd, maar hij moet, gezien de verschillen tussen de instrumenten van vader en zoon, ook les hebben gehad van andere bouwers. Zijn oeuvre toont zoveel meer verfijning, dat het vermoeden bestaat dat ook hij in Cremona is geweest. Die verfijning was in Napels niet voorhanden.
Gennaro en zijn jongere broer Nicolò werkten onder de leiding van Alessandro enige tijd in de werkplaats samen. Toen Alessandro in 1733 overleed, bouwden de broers de werkplaats en de internationale contacten verder uit tot het familiebedrijf veruit het belangrijkste werd van Zuid-Italië. Niet Gennaro, maar Nicolò nam na de dood van Alessandro het contract aan het Santa Maria di Loreto conservatorium over. Het salaris waartegen Nicolò moest werken was gelijk aan dat van zijn vader twintig jaar eerder.
Beide broers werkten jaren samen, maar gingen uiteindelijk toch ieder huns weegs. Het precieze jaartal waarop zij uit elkaar gingen is niet bekend, maar de vraag naar instrumenten was in Napels kennelijk zo groot, dat er voor alle bouwers uit de familie Gagliano voldoende werk was met ieder een eigen klantenkring.
In de loop van Gennaro’s leven ging zijn geboortestad vier keer over in andere handen. Bij zijn geboorte werd Napels geregeerd door de Spaanse koning Karel II, die het koninkrijk als melkkoe gebruikte. In 1713 werd het koninkrijk Napels afgestaan aan de Oostenrijkse Habsburgers. En dertig jaar later weer aan de Spaanse koning Don Carlos de Bourbon.
Voor Gennaro was de periode van 1734 tot 1759 vermoedelijk de meest intensieve. Het werk dat er op de vioolbouwers van Napels af kwam, nam toe toen Carlo van Bourbon zich in 1734 met een groot gevolg in Napels vestigde. Hij was een megalomane heerser en had uitgesproken ideeën over hoe de grandeur van een groot Europees hof er uit moest zien. Ter meerdere glorie van zichzelf liet hij onder andere het ‘San Carlo’ bouwen, een operagebouw dat het mooiste en grootste van Europa moest worden. Daardoor trokken er nog meer musici naar Napels. Volgens de schrijver en lid van de academie des Sciences, Charles de Bosses, was Napels in korte tijd de muziekhoofdstad van de wereld geworden. De vioolbouwers van de familie Gagliano waren niet de enige, maar wel de belangrijkste vioolbouwers van Napels.
‘Of all the great cellos I’veseen or heard, the one that has stayed with me fordecades was one made by GennaroGagliano’
Door de falende economische hervormingen van Carlo van Bourbon raakte de stad zo rond Gennaro’s veertigste jaar arm en hopeloos overbevolkt. De welvaart was voor steeds minder Napolitanen weggelegd. Een brede laag van de bevolking leed enorme honger en tien jaar later zwierven er negenduizend daklozen door de straten.
Gennaro was op het hoogtepunt van zijn loopbaan toen Don Carlos de Bourbon in 1759 Napels overdroeg aan zijn zoon Ferdinand, die een verlicht despotisch regerende vorst bleek te zijn.
Het dieptepunt van de armoede kwam in 1764. In dat jaar alleen al stierven duizenden Napolitanen door ondervoeding en ziekte. Gennaro overleefde de crisis. Vermoedelijk werkte hij voornamelijk voor de kleine groep vermogenden of beter gesitueerde musici die niet onder het juk van Carlo de Bourbon geleden had.
Ondanks dat stelden vader en zoon Mozart hun voorgenomen reis naar Napels niet uit: ’Dat is zo’n belangrijk centrum dat we er misschien wel tot de winter zullen blijven’. Het werden slechts zes weken. Niet Mozart domineerde de muziek in Europa, maar de Napolitaanse School domineerde die met grootheden zoals Alessandro Scarlatti, Nicola Porpora, Leonardo Vinci, Giovanni Battista Pergolesi.
In Napels trad Wolfgang Mozart meerdere keren op, onder andere op het conservatorium Pietà dei Turchini. Ook gaf hij in juni 1770 een concert in het huis van een Britse diplomaat en werd hij voorgesteld aan muzikale en diplomatieke kringen. Ondanks dat Mozart sommige gewoonten van de Napolitanen “achterlijk” en hen “diepgeworteld bijgelovig” vond, was hij enthousiast over de muziek in de stad. Speciaal over de virtuositeit van de vioolspelers was hij te spreken. De reis maakte deel uit van hun “Italië-tour”, waarbij de Mozarts contacten en inspiratie zochten bij de grootheden van die tijd: Cimarosa, Paisiello en Porpora. Hoewel Mozart indruk maakte op de Napolitanen en het hof de nodige contacten leverde, kreeg Amadeus geen vaste baan in Napels, wat eigenlijk het streven van Leopold was geweest.
Napels had vier invloedrijke conservatoria, die destijds vooral wees- en kostscholen van de kerk waren, met een uitzonderlijk muzikale opleiding. Het ‘della Pietà dei Turchini’, het ‘di Santa Maria di Loreto’, ‘di Sant’Onofrio en het ‘dei Poveri di Gesù Cristo’, ieder had een eigen specialisme. Deze instellingen leidden virtuoze instrumentalisten en componisten op.
Vioolbouwers zoals Gagliano leverden instrumenten aan studenten, docenten en orkesten. Deze musici vormden voor hen niet alleen een directe afzetmarkt, maar waren zeker ook een bron van voortdurende terugkoppeling over de klank en speelbaarheid van zijn instrumenten. In Gennaro’s tijd werd de viool steeds belangrijker. De viool verving de viola d’amore en viola da gamba in veel repertoire. Solistisch vioolspel en kamermuziek bloeiden door virtuozen zoals Francesco Geminiani. Ook de adel investeerde in kamermuziek, opera en instrumenten. Rijke beschermheren bestelden violen bij families als de Gagliano’s, wat hun werk financieel mogelijk maakte.
De orkesten van San Carlo hadden een grote reputatie en hun repertoire vroeg om instrumenten van hoge kwaliteit, een belangrijk gegeven voor de Napolitaanse vioolbouwers. Belangrijk voor de Gagliano’s waren ook de hofconcerten en de kerkmuziek die in talloze basilieken klonken.
Gennaro leunde aanvankelijk sterk op de modellen van zijn vader Alessandro: Stradivari-achtige vormen gecombineerd met lokale Napolitaanse kenmerken. Gennaro bouwde niet alleen naar het werk van zijn vader, maar met name zijn cello’s waren later ‘iets volledig origineels’, zoals Geminiani schreef.
Nicolò had de naam de grootste van de Gagliano’s te zijn. Dat was in aantal en populariteit misschien wel het geval, maar door de consequent zorgvuldige keuze van het materiaal en de uiterst zorgvuldige bouw en afwerking, staat Gennaro Gagliano nu bekend als de meest verfijnde bouwer van de Gagliano-familie, met instrumenten die soms worden beschouwd als de beste die ooit in Napels zijn gemaakt.
Zijn productie moet groot zijn geweest, er zijn veel violen van hem bekend, een twaalftal cello’s en enkele altviolen. Het vroegste instrument dateert van 1722 en de laatste van vermoedelijk kort voor zijn dood in 1780. Zijn meest productieve jaren lagen tussen 1745 en 1768.

Etiket van de 'ex-Barbirolli' cello van Gennaro Gagliano
Er zij drie etiketten van hem bekend:
In twee verschillende versies: Ianuarius Gagliano filius Alexandri fecit Neap 17..
En één met versierde rand: Januarius Gaglianus fecit Neapoli 17..
Olivieri G. String Virtuosi in Eighteenth-Century Naples: Culture, Power, and Music Institutions, Cambridge
Imbruglia G., 2002, Naples in the Eighteenth Century: The Birth and Death of a Nation State, Cambridge
DelDonna A. R. Instrumental Music in Late Eighteenth-Century Naples: Politics, Patronage and Artistic Culture, Napels.
The Letters of Mozart & His Family — verzameling en transcripties (archive/Internet Archive / Gutenberg).
DelDonna A. R. Opera, Theatrical Culture and Society in Late Eighteenth-Century Naples. Napels