
viool
Timur Yusupov

*1886 , Bologna †1960 , Bologna
Bologna, de stad waarin Gaetano Pollastri werd geboren, had veel uitstekende vioolbouwers voortgebracht. Het was het centrum van de streek Emilia-Romagna waar de vioolbouwkunst zich tot een eigen school ontwikkeld had. Dat was het geworden na een periode van grote malaise in de vioolbouwkunst die heel Italië getroffen had. In Bologna was die weer opgekrabbeld. Als een van de oudste Europese universiteitssteden had de stad altijd al jonge mensen aangetrokken en was cultuur nooit ver weg. Mede daardoor kon het in navolging van de laat negentiende eeuwse tijdgeest vol optimisme beginnen aan een nieuw elan, waarvan het geloof in de vooruitgang door wetenschap en techniek de drijfveer was. Het muziekleven bloeide weer en het aantal vioolbouwers nam toe. De Emiliaanse bouwers borduurden voort op de ‘klassieke periode’, maar ontwikkelden een eigen, meer moderne stijl. Raffaele Fiorini (1828-1898) was de grondlegger van die nieuwe Emiliaanse school. Hij was inspirator voor veel andere, soms grote bouwers in de streek. Zijn atelier zat in het statige middeleeuwse Palazzo Pepoli Vecchio en werd door belangstellende collega’s druk bezocht.
Gaetano Pollastri werd net buiten de muren van de stad geboren als één van de acht kinderen van een straatarm gezin. Zijn vader, Cesare Pollastri was een landarbeider en zijn moeder, Celia Grandi was weefster. Augusto (1877-1927), de oudste van het gezin moest als kind al meewerken om in het levensonderhoud van het gezin te voorzien en werd het hulpje van Raffaele Fiorini. Daar bleek hij een van zijn meest veelbelovend de leerlingen te zijn. Toen Cesare in 1894 stierf nam Fiorini een vaderlijke rol op zich; hij hielp Augusto waar hij maar kon en leidde hem op tot vioolbouwer. In het atelier van Fiorini trof Augusto Pollastri leerlingen die net als hij later belangrijke bouwers zouden worden. Gaetano, waar Augusto na de dood van hun vader voor moest zorgen, was vaak te vinden in Palazzo Pepoli Vecchio.
Augusto bleef tot Fiorini’s dood in 1901 bij hem werken. Hoewel hij geleidelijk belangrijke taken van Raffaele Fiorini had overgenomen, werd het atelier na diens dood voortgezet door zijn oudste werknemer en assistent Armando Monterumici (1875-1936). Augusto vertrok en begon in dat jaar een eigen atelier.
Twee jaar nadat Augusto voor zichzelf begonnen was, ging Gaetano bij hem in de leer. Ook Gaetano bleek getalenteerd en samen ontwikkelden zij rond 1906 een eigen en definitief model. Vanaf 1910 stempelden zij hun werk met twee ‘Pollastri’: twee jonge hanen die naar elkaar toegekeerd stonden. Die afbeelding zou de rest van hun leven hun handelsmerk blijven.
De meeste vioolbouwers in Emilia-Romagna konden van het bouwen alleen niet leven; zij hadden er een beroep bij. Ook Gaetano’s loopbaan verliep zo; hij speelde viool in diverse orkesten en pas na de eerste wereldoorlog was hij in staat om met het bouwen van strijkinstrumenten in zijn levensonderhoud te voorzien.
Geatano trouwde in 1924 en kreeg een jaar later een zoon, Cesare, die later arts zou worden, maar zich daarnaast ook op het bouwen van strijkinstrumenten zou gaan toeleggen en Gaetano’s opvolger werd. Toen Augusto in 1927 stierf ging Gaetano alleen verder.
Kort voor Augusto’s dood hadden zij samen een viool ingestuurd naar een tentoonstelling in Genève. Daar ontvingen zij de eerste prijs voor. Die gebeurtenis zou belangrijk worden, want succes had Gaetano hard nodig toen hij er alleen voor kwam te staan. Door deze erkenning bleef hun klantenkring vrijwel ongewijzigd. Zowel Augusto als Gaetano hadden zich naast het bouwen van nieuwe instrumenten toegelegd op het restaureren van oude meester violen. Door de reputatie die zij daarmee gevestigd hadden, wisten eigenaren van betere instrumenten Gaetano Pollastri te vinden.
Begin dertiger jaren ging het minder goed met Gaetano’s atelier. De economisch crisis eiste zijn tol en in Bologna had hij zijn belangrijke positie moeten prijsgeven aan de jonge en energieke vioolbouwer Ansaldo Poggi (1893-1984) die uit de stal van Fiorini’s zoon Giuseppe kwam en vanaf 1923 om de twee jaar gouden medailles in Rome won. Gaetano zag zich genoodzaakt om meer aan de weg te gaan timmeren. Daarmee begon hij in 1930 door een viool te bouwen met het pauselijk wapen die hij aan paus Pius XI schonk. Dat had succes want er werd veel ruchtbaarheid aan gegeven. Vervolgens nam hij weer deel aan tentoonstellingen. Ook daarmee hoopte hij aandacht op zich te vestigen. In 1949 stuurde hij twee violen in naar Cremona en ontving er het erecertificaat voor. Een zelfde oorkonde ontving hij in 1954 voor de twee instrumenten die hij instuurde naar het tweede Nationale Vioolbouwconcours in Rome. Tenslotte stelde hij violen tentoon in Ascoli Piceno en in Pegli.
Van competitie bleek Gaetano Pollastri niet wars te zijn. In 1959 werd hij medeoprichter van de associatie van Italiaanse vioolbouwers ANLAI, de organisatie die Italiaanse vioolbouwers verenigde, maar vooral ook grote internationale vioolbouw concoursen moest gaan organiseren. Daarbij kwam dat Gaetano zich al langer druk gemaakt had over de toename aan vervalsingen. Verenigd in de ANLAI zouden de vioolbouwers zich daar beter tegen kunnen weren. Gaetano stierf in 1960 en zijn zoon Cesare nam zijn atelier over, niet full time, want naast het leiding geven aan het atelier bleef Cesare ook zijn beroep als art uitoefenen.
Het vroege werk van Gaetano Pollastri kan niet zonder dat van zijn broer gezien worden. Daarin is nog onmiskenbaar de invloed van Raffaele Fiorini te zien. Gaetano en Augusto leken rond 1910 voor hun model een synthese te hebben gevonden uit elementen van diverse grote klassieke Italiaanse voorgangers. Studies wijzen op invloeden van Stradivari’s ‘Amatisé’-modellen en voor wat de verfijning betreft op dat van Carlo Tonini.
De krul van hun violen is diep gesneden, het achterblad is van fraai esdoornhout dat vaak uit één stuk bestaat. De f-gaten zijn dicht bij de rand geplaatst. De afwerking van de randen is elegant, met een wat verzonken randinleg die het instrument een krachtige lijn geeft. Door de diepe middenbocht wekken de instrumenten een slanke indruk. De hoeken zijn afgerond en de welving betrekkelijk laag. De mooie olielak van Augusto, verving Gaetano in de loop van de tijd door een lak op alcoholbasis. Dit zou zijn instrumenten een minder diepe glans geven.
De Pollastri’s konden rekenen op een grote populariteit; technisch perfect gebouwd en voorzien van een prachtige lak lieten hun instrumenten een krachtige indruk na. De manier waarop de krul, de f-gaten en de randinleg van Pollastri’s instrumenten gesneden zijn verraden een doortastende en vaste hand. Gaetano gebruikte na de dood van zijn broer nog wel hun gezamenlijk ontwikkelde model, maar verzachtte de randen. De hoeken werden iets langer en slanker.
Zoals in Bologna gebruikelijk was, lakte Gaetano zijn instrumenten met de toets er al opgelijmd. Daardoor bleef het bovenblad eronder ongepolijst. Zijn lak leek op die van zijn broer, maar hij bracht die dunner op. Later stelde hij zijn lak anders samen wat een iets bleker effect gaf. Over het algemeen is het hout dat hij gebruikt, zowel wat klank als wat uiterlijk betreft, van uitstekende kwaliteit.
Het brandmerk met de twee hanen bracht hij meestal alleen op de krans onder de eindpin aan, maar soms zette hij die ook op het achterblad. Gaetano bouwde ongeveer 165 violen en slechts enkele viola’s en cello’s. Naast de viool voor Paus Pius XI, zijn er nog enkele andere gedecoreerd violen van hem bekend.
Gaetano had verschillende leerlingen; de bekendste zijn Franco Albanelli, Otello Bignami, Cesare Pollastri en Alberto Guerra.
De viool van Gaetano Pollastri die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is gebouwd in 1953, een jaar voordat hij de nationale vioolbouwprijs in Rome ontving. Het is een goed voorbeeld van instrumenten die Gaetano in zijn beste periode bouwde.
Tarisio, The Cozio Archive; Gindin D. Augusto and Gaetano Pollastri. Bezocht in 2019.
Panorama of Modern Bolognese Violin Making: Influences and Relationships, 2002, The Scientific Committee "Il Suono di Bologna”, Bologna.
Versari A., 2002, Modern Violin Making in the Emilia-Romagna Region. Bologna.
Blot E., 2001, 1860-1960 - A century of Italian Violin Making - Emilia e Romagna, Cremona.
Vannes R., 1985, Dictionnaire Universel des Luthiers. Bruxelles.
Brinser M., 1978 Dictionary of 20th Century Italian Violin Makers, Bologna - A living tradition of Violin Making, zp.