Doorgaan naar content
bouwer

Gaetano Chiocchi

*1814 , Monselice (Padua)      †± 1881 , Padua

Gaetano Chiocchi was een begaafd en gedreven man. Hij studeerde filosofie, geneeskunde en chemie, werkte als arts, violist, theaterdirecteur en was daarnaast ook een bevlogen politiek activist die soms opruiende teksten aan de binnenkant van zijn instrumenten schreef. Bekend werd hij echter door zijn werk als vioolbouwer. Hij werd geboren als zoon van een invloedrijke familie in de buurt van Padua. Al in zijn gymnasiumtijd volgde hij vioollessen op hoog niveau. Toch ging hij eerst filosofie studeren en later geneeskunde.

Hij verzette zich tegen de Oostenrijkse overheersing van Noord-Italië en werd om die reden gevangen gezet. Tijdens zijn tijd als artistiek directeur van het theater in Padua en later in dat van Mantua kwam hij in aanraking met Giuseppe Ceruti, die niet alleen een goede violist, maar ook een uitstekende vioolbouwer was. Door hem werd hij aangezet tot het bouwen van strijkinstrumenten. Het vak leerde hij echter voornamelijk van verschillende andere vioolbouwers in de streek. Niet helemaal tevreden met wat hij bij de vioolbouwers op zijn nieuwe vakgebied had geleerd, zocht hij het in een studie chemie en akoestiek. Een groot oeuvre had hij niet, maar wel blijken zijn instrumenten voortreffelijk gebouwd en worden ze om hun klank geprezen.
Werkplaats(en)
Padua, 1858-1881

Tussen wetenschap en muziek: studies in Padua 

Het vestingstadje Monselice, waar Gaetano Chiocchi in 1814 geboren werd, ligt 25 km ten zuid-westen van Padua. Het was een druk bezocht pelgrimsoord langs de oude Via Romae Germanica. Er waren in Italië maar drie steden waar pelgrims een aflaat konden krijgen. Monselice was daar een van, mits de gelovigen de tocht volbracht hadden en de zeven heiligdommen van Monselice hadden bezocht. En dat deden er honderden per jaar.
De muzikale geschiedenis van Monselice was nauw met de religie verweven. Het klooster van Santa Giustina was een centrum voor middeleeuwse muziek, liturgische liederen en transcripties van vroege muziek, die uitgevoerd werden tijdens diensten. Na zijn jonge jaren in Monselice ging Gaetano naar het gymnasium in Padua. Hij volgde tijdens en na zijn schooltijd een vioolstudie bij Gaetano dalla Baretta, die een van de beste leerlingen was van Tartini. 

Het lag voor de hand dat hij uitvoerend musicus zou worden, maar in plaats daarvan schreef hij zich in aan de universiteit van Padua voor een studie filosofie. Die brak hij na enkele jaren af om verder te gaan met een studie geneeskunde, eveneens aan de universiteit van Padua. Eenmaal afgestudeerd als medicus vertrok hij naar Rome, gaf er kort les aan de medische faculteit en keerde weer terug naar zijn geboortestreek.
Archieven werden er uit verzet tegen de Oostenrijkse overheersing nauwelijks bijgehouden; een exacte datum waarop hij terugkeerde is er dan ook niet. Direct na zijn terugkeer in Padua sloot hij zich aan bij de verzetsbeweging die streed tegen de overheersing door het Oostenrijkse vorstenhuis en vóór een verenigd Italië. Deze beweging, geleid door intellectuelen en revolutionairen, schuwde het geweld niet en zou later het initiatief nemen tot de zogeheten Romagna-opstand van 1845. De opstand mislukte, waarna de repressie verder werd aangescherpt. 

Fresco Pino Casarini (1940), foto met dank aan de Universiteit van Padua

Muziek tijdens de Oostenrijkse overheersing 

Tot halverwege Chiocchi’s loopbaan was het muziekleven onder de bezetter een wat formele aangelegenheid. De kerk hield streng vast aan polyfonie en de vocale traditie. Naast Italiaanse componisten werden ook Oostenrijkse en Zuid-Duitse werken uitgevoerd, niet alleen bij de programmering van concerten, maar vooral in kerken. En op straat klonk er militaire muziek.

‘Arts, theater directeur, violist,
bouwer en politiek activist’

De behoefte aan een verenigd, onafhankelijk Italië (Risorgimento) was groot en leidde tot verzet. In de eerste jaren van de opstand groeide de opera uit tot de belangrijkste muzikale vorm. Opera-avonden waren sociale gebeurtenissen voor de burgerij en aristocratie. Werken van Verdi, Donizetti en Bellini bepaalden het repertoire. De openingsaria van Verdi’s “Va, pensiero” uit de opera Nabucco was hét symbool geworden van onderdrukking en het verlangen naar de nationale eenheid. In Padua en Mantua werd het als strijdlied gezongen. Padua was geen operacentrum van het niveau van Venetië of Milaan, maar het volgde de belangrijkste muzikale trends op de voet. 

Arts, gevangen revolutionair, musicus en artistiek directeur 

Gaetano werd echter al vóór de opstand, in 1841, opgepakt, tot politieke agitator verklaard en veroordeeld tot zes maanden gevangenschap. Half 1842 werd hij vrijgelaten, werkte nog enige tijd als arts in Padua, maar ging ook door met vioolspelen. De opstandelingen steunde hij uit angst minder openlijk. Tegelijkertijd begon hij aan een studie fagot. Ironisch genoeg werd hij opgeroepen om voor zijn dienstplicht in het blaasorkest van het 13e Oostenrijkse infanterieregiment fagot te spelen. Weigeren kon hij niet. Eenmaal terug in Italië, werd hij in 1844 benoemd tot artistiek directeur van het ballet- en operatheater van Padua. 

Opera als verzet: Il Lombardi en de Risorgimento-geest 

Het verzet tegen de Oostenrijkse overheersing in Padua was groot. Niet alleen op straat, maar ook in het theater werd soms politiek bedreven. Verdi’s opera ‘Il Lombardi’ die hij in 1843 gecomponeerd had, was een openlijk manifest tegen de Oostenrijkse onderdrukking. Het bijwonen van een voorstelling van deze opera was een politieke stellingname. De meeste voorstellingen waren al snel uitverkocht. Il Lombardi kon, wegens een gebrek aan faciliteiten, niet in het theater van Padua uitgevoerd worden, maar wel in het nabijgelegen Mantua. Gaetano Chiocchi’s invloed als collega-theaterdirecteur, musicus en overtuigde revolutionair speelde daar vermoedelijk een rol bij. De universiteit van Padua was het centrum van de opstand geweest. Als represaille sloten de Oostenrijkers in 1848 de universiteit, een maatregel die het verzet alleen nog maar verder aanwakkerde.   

Van orkestmusicus tot vioolbouwer: de ontmoeting met Ceruti 

Al na zijn terugkeer uit Oostenrijk had Gaetano zijn vioolstudie weer opgepakt. Hij musiceerde eerst alleen in Padua, maar ging na enkele jaren ook als violist in het orkest van La Fenice in Venetië spelen en vervolgens in dat van Mantua. Daarin zat hij samen met de al op leeftijd zijnde Giuseppe Ceruti, die niet alleen violist, maar ook een gerenommeerd vioolbouwer uit Cremona was. Gaetano bezat een Guarneri-viool die gerepareerd moest worden. Gezien Ceruti’s kennis en vaardigheden op het gebied van de vioolbouw, lag het voor de hand dat Gaetano hem vroeg om de werkzaamheden voor hem uit te voeren. Dat was het begin van een vriendschap tussen Chiocchi en Ceruti waarin de vioolbouw en het verzet centraal zouden staan. 

De Cremonese traditie en de renaissance van de vioolbouw in Veneto 

Ceruti, wiens vader en leermeester de opvolger van Storioni was geweest, bleek nu in Mantua nog een van de laatste representanten van de Cremonese vioolbouwschool te zijn. In Gaetano, de gedreven voorstander van alles wat Italiaans was, vond hij een gelijkgestemde. Rond 1856 begon Chiocchi zelf violen te bouwen. 

In de hele streek rond Padua en Mantua was de oude generatie vioolbouwers aan het begin van de negentiende eeuw overleden of was ermee opgehouden. Op enkele uitzonderingen in Venetië en Triëst, ontbrak de continuïteit met grote bouwers uit het verleden. Het was dankzij een enkeling dat er in Veneto een kleine renaissance ontstond, gebaseerd op oude Cremonese meesters maar dan met moderne trekjes. Er was echter geen eenheid; Blot (2002) noemt de situatie zelfs ‘gefragmenteerd’. 

Door de jarenlange overheersing die met zware belastingen gepaard was gegaan, kon vrijwel geen vioolbouwer van zijn vak leven; op een enkeling na hadden ze er allemaal een andere betrekking bij. Pas na een periode van hernieuwde muziekactiviteiten die in Venetië begon, kregen vioolbouwers wel weer werk, maar nog steeds hielden de meesten een andere baan aan. Gaetano combineerde vanaf 1857 zijn inspanningen om vioolbouwer te worden met een nieuwe baan als directeur van het Theater van Mantua. 

Cello (±1870) uit de collectie van Het Muziekintrumentenfonds

Begin van de eenwording: Italiaans nationalisme in de muziek 

In 1859 werden de Oostenrijkers verslagen waarna Padua en Mantua een onderdeel werden van het Koninkrijk Italië. De militaire muziek verdween uit het straatbeeld, Duitse componisten in de theaters werden geweerd. En het muziekleven werd minder een exclusieve zaak van de aristocratie. De burgerij kreeg een grotere rol als organisator, sponsor en publiek. Concerten en uitvoeringen werden toegankelijker voor een breder publiek. Meer mensen leerden een instrument bespelen en de kamermuziek groeide. Opera bleef de belangrijkste muziekvorm. Venetië bleef echter in handen van Oostenrijk, waardoor Chiocchi moeilijker dan voorheen de stad kon bereiken. Spelen in Venetië kon niet  meer. 

Zoektocht naar perfectie: experimenten, wetenschap en ambacht 

Over zijn eerste instrumenten was hij niet tevreden. Hij ging diverse vioolbouwers langs en bestudeerde literatuur over vioolbouw. Ook die informatie leverde hem nog niet de viool op die hij voor ogen had. Een jaar lang stopte hij met alles waar hij tot dan toe mee bezig was geweest en wijdde zich helemaal aan de vioolbouw. Niet alleen de bouwtechniek bestudeerde hij, maar hij begon ook een studie akoestiek en volgde colleges bij de hoogleraar chemie aan de universiteit van Padua prof. Filipuzzi. En wetenschappelijk opgeleid als hij was, experimenteerde Gaetano systematisch met verschillende houtsoorten en bestudeerde hij het effect dat verschillende laksamenstellingen hadden op de klank van een viool. 

Pas in 1858 was hij tevreden over het instrument waar hij alle kennis in verwerkt had die hij in dat jaar had opgedaan. Voor het eerst gaf hij het instrument een etiket mee. Twee jaar later stierf Giuseppe Ceruti. Hij had Gaetano wel de fascinatie voor vioolbouw bijgebracht, maar Gaetano had zijn model niet overgenomen. Zijn bronnen van inspiratie werden Stradivari en Maggini.

Succes en reputatie als vioolbouwer 

In 1861, drie jaar nadat hij zijn eerste goede instrument gebouwd had, stuurde hij een viool in naar de nationale tentoonstelling in Florence, de Esposizione Italiana. Het was een groots evenement ter ere van de eenwording van Italië, waarbij Italiaanse kunst en industrie werden tentoongesteld. Het resultaat van zijn inspanningen werd beloond; Gaetano ontving een gouden medaille voor zijn inzending. Later in dat jaar herhaalde zich dat nog eens in Padua. In de daaropvolgende tien jaar bouwde hij met groot vakmanschap zijn instrumenten en verwierf hij een reputatie als uitstekend vioolbouwer. 

Gaetano stierf in 1881. Hij werd vanwege zijn bescheiden, maar voortreffelijke oeuvre aanvankelijk alleen door enkele kenners gewaardeerd. Nu zijn de instrumenten van Chiocchi zeer geliefd, in het bijzonder bij solisten.

‘politiek
verborgen
in hout’

Viool opgedragen aan vioolvirtuoos Trombini, https://www.isabellesviolins.com/

Als ‘gloedvolle patriot’ zoals Wasilievski (1872) hem omschreef, wilde Gaetano zijn opvattingen, die inmiddels een zekere verbittering lieten zien, op zoveel mogelijke manieren laten zien. Hij schreef ondergrondse pamfletten en woonde bijeenkomsten van opstandelingen bij. Daar de openlijke uitingen na de opstand van 1845 steeds strenger werden bestraft, schreef hij zijn teksten daarna soms ook aan de binnenzijde van zijn instrumenten. Daarmee ging hij door tot de eenwording van Italië een feit was. 

Bescheiden productie, groot vakmanschap 

Het oeuvre van Gaetano Chiocchi was betrekkelijk klein. Hij bouwde ongeveer 50 violen en enkele celli. Dat was deels vanwege het feit dat Gaetano Chiocchi van de vioolbouw alleen niet kon leven leven, en daarom ook als theaterdirecteur en zelfs als uitvoerend musicus moest blijven werken. Maar ook zijn betrokkenheid bij de opstand werkte niet mee aan zijn productie. 

Hij kende Ceruti niet alleen als medeviolist en vioolbouwer, maar óók als medesamenzweerder tegen de Oostenrijkers. Chiocchi was ooit gevangen genomen, maar had het er levend vanaf gebracht. Ceruti liet het niet zover komen. Toen in 1851 110 medestanders van Chiocchi en Ceruti werden opgepakt, en er 12 direct werden geëxecuteerd, ontliep Ceruti gevangenschap door onder te duiken. Pas in 1855 keerde hij terug. Hij bouwde in dat jaar twee violen die hij inzond naar de tentoonstelling in Parijs. Gezien de relatie tussen de twee collega’s moet Gaetano Chiocchi in die periode zijn verdere ontwikkeling in zijn nieuwe vak noodgedwongen hebben beperkt. 

Met het werk van Ceruti als voorbeeld begon Gaetano rond 1856 aan een viool waarin hij met succes alles kon toepassen wat hij geleerd had, maar nog zonder etiket. Die volgde pas twee jaar later. In de daaropvolgende jaren gebruikte hij verschillende modellen uit Brescia en Cremona als basis voor zijn eigen werk. Vermoedelijk hield hij erg van het grote Maggini model en gebruikte hij daarom vaak een dubbele randinleg. Ook bouwde hij betrekkelijk vrij naar Stradivari. 

Alle instrumenten die van hem bekend zijn, hebben een geringe welving. Zowel het boven- als het onderblad hield hij nogal dik. Opvallend zijn de wijde C-openingen aan de zijkant van zijn violen. Hij vermeldde op zijn etiketten dat hij verschillende medailles behaald had en voorzag ze van een serienummer. Zijn werk is altijd persoonlijk, erg zorgvuldig gebouwd, voorzien van prachtige lak en heeft volgens experts een excellent geluid. Hij brandde ze aan de binnenzijde van de sleutelkast met CG. 

Chiocchi’s invloed op de vioolbouwers in Padua en Mantua is niet groot geweest, daarvoor was zijn oeuvre te klein en moest hij zijn tijd te veel verdelen over zijn andere werkzaamheden. Gaetano werkte al die jaren vrijwel alleen. Hoewel er geen sterkt bewijs van is, vermoeden onderzoekers na bestudering van instrumenten van Eugenio Degani, dat die als een van de weinigen direct onder invloed heeft gestaan van Gaetano Chiocchi.

Brandmerk Gaetano Chiocchi, foto met dank aan Isabelle de Brossin de Méré

Foto met dank aan Isabelle de Brossin de Méré

Bronnen

The Cozio Archive, Tarisio, bezocht in 2024.

Dilworth, J., 2012, The Brompton's Book of Violin and Bow Makers, London.

Versari A, 2012, Liuteria Italiana da Scoprire, Cremona.

Nicolini G., 2008, Violinmakers in Italy - From the 19th Century to the Present, Bologna.

Henley W., 1997, Universal Dictionary of Violin and Bow Makers, Tunbridge Wells.

Blot E., 1995, Liuteria Italiana 1860-1960 , II Lombardia e Veneto, Cremona.

Vannes R., 1981, Dictionnaire Universel des Luthiers, Brussel.

Hamma. W. 1964, Cremona, Italian Violin Makers.

Von Wasielewski W.J., 1872, Gaetano Chiocchi, Allgemeine Musikalische Zeitung, Leipzig.

Pietrucci N., 1858, Biografia degli Artisti Padovani, Padua.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
9 maart 2020