Doorgaan naar content
bouwer

François Peccatte

*1821 , Mirecourt      †1856 , Parijs

Francois Peccatte was een veelbelovend en talentvol strijkstokkenmaker, maar hij stierf te jong om uit de schaduw van zijn oudere broer Dominique te kunnen komen. Hij had veel met hem samengewerkt en ook zelf bijzonder goede stokken gemaakt. Maar geplaagd door de ziekte die hem de laatste twee jaren van zijn jonge leven parten speelde, waren zijn stokken op het laatst van wat mindere kwaliteit geworden. Het beste werk van François Peccatte doet echter niet veel onder voor dat van zijn beroemde broer.

François leerde het vak van strijkstokkenmaker in een van de vele werkplaatsen van Mirecourt. Zijn elf jaar oudere broer Dominique zat inmiddels in Parijs waar hij eerst bij Jean Baptiste Vuillaume had gewerkt en later de zaak van François II Lupot had overgenomen, beiden befaamde strijkstokkenmakers. François Peccatte voegde zich kort voor zijn achttiende verjaardag bij Dominique. Ze werkten intensief samen, maar na twee jaar keerde François terug naar Mirecourt.

Eenmaal weer in zijn geboorteplaats trouwde François en opende hij een zaak die al snel floreerde. Maar Parijs, dat nu eenmaal het centrum was van de muziek, de vioolbouw en de handel in muziekinstrumenten, lonkte en bleek ook voor François daarom onweerstaanbaar. Op zijn dertigste verkocht François een deel van zijn bezittingen en ging terug naar Parijs met de bedoeling om daar een eigen zaak te beginnen.

Hij bleek echter ziek te zijn. Van een eigen bedrijf kon dan ook geen sprake zijn. Min of meer noodgedwongen ging hij daarom strijkstokken maken voor Jean Baptiste Vuillaume. Na drie jaar overleed François op vierendertigjarige leeftijd. Zijn zoon Charles werd door een leerling van zijn vader geadopteerd die hem leerde om strijkstokken te maken zoals die van zijn vader.
Werkplaats(en)
Mirecourt, 1836-1839
Parijs, 1839-1842
Mirecourt, 1842-1852
Parijs, 1852-1856

Levensloop

François Peccatte was de jongste zoon van kapper en pruikenmaker Jean François Peccatte en Anne Chambry. Zij woonden in Mirecourt waar al jaren de meeste Franse vioolbouwers en strijkstokkenmakers hun opleiding kregen, er soms bleven wonen, maar vaak ook weer uit vertrokken. Zijn vader bezat twee wijngaarden die hij geërfd had van zijn eerste vrouw met wie hij twintig jaar getrouwd was geweest. Die erfenis had hem tot een bemiddeld man gemaakt. De inkomsten uit de wijnoogst had hij hard nodig om de negen kinderen uit hun huwelijk te kunnen onderhouden. In 1809, een jaar na haar dood, trouwde hij met Anne Chambry. Het eerste kind uit dit huwelijk was Dominique. Elf jaar later werd François geboren, hij was het zesde en laatste kind in de rij. Naast zijn eigen vijf broers en zussen woonden ook nog de jongste kinderen uit het vorige huwelijk van zijn vader bij hen in.

François werd als jongen van een jaar of elf leerling-strijkstokkenmaker bij een van de vele werkplaatsen die Mirecourt rijk was. Daar bleef hij ook na zijn opleiding nog werken tot zijn elf jaar oudere broer Dominique hem in 1839 vroeg naar Parijs te komen. Dominique had als briljant strijkstokkenmaker jarenlang bij Jean Baptiste Vuillaume gewerkt en de laatste anderhalf jaar bij François Lupot. Nadat Lupot in 1838 was overleden, had hij diens zaak overgenomen. Een eervol feit, daar Lupot werd gezien als een van de voornaamste strijkstokkenmakers van Parijs. Hij betrok niet alleen de werkplaats, maar volgens het archief ook het woonhuis van Lupot.

Eenmaal in Parijs, trok François bij Dominique in en samen maakten ze een aantal strijkstokken. De voormalige zaak van Lupot was een centraal punt voor collega’s en dat veranderde onder Dominique waarschijnlijk niet. Daar ontmoette François de ‘best denkbare strijkstokkenmakers’ en werkte met veel van hen samen, zoals hij in een brief uit 1844 aan de prefect van de Vogezen schreef.

François keerde in 1842 naar Mirecourt terug om daar te kunnen trouwen met Marie Françoise Mougeot. Dat huwelijk vond plaats in 1843. Een jaar later werd hun zoon geboren. Hij was de eerste van hun vijf kinderen. Als eerbetoon aan François’ broer noemden zij hem Dominique.

De schoonvader van François Peccatte was vioolbouwer en bezat een goedlopende werkplaats in Mirecourt. Door hem geholpen begon François voor zichzelf en een jaar later gaf hij werk aan drie mensen in zijn eigen werkplaats en nog eens aan vier die thuis voor hem werkten. In een brief aan de Prefect, waarin hij toestemming vroeg deel te mogen nemen aan de Nationale tentoonstelling in Parijs, had hij geschreven nog eens acht tot tien mensen uit de buurt permanent aan het werk te kunnen houden als zijn naam een grotere bekendheid zou krijgen. Een reactie van de Prefect is nooit teruggevonden. Aan de Exhibition Nationale in Parijs van 1844, waar François in zijn brief op had gedoeld, nam wel Dominique deel en won een bronzen medaille. François deed niet mee.

Dominique Peccatte woonde nog steeds in Parijs, maar er hing al maanden een angstaanjagende sfeer in de stad. Er liepen ‘100.000-den gewapende arbeiders, hongerig en werkloos door de straten’, zo schreef Dominique. Hij wachtte de op handen zijnde revolutie niet af en ging eind 1847 terug naar Mirecourt. Daar zette hij in het huis dat zijn moeder hem had nagelaten, een eigen bedrijf op. Vanaf dat moment werkten François en Dominique weer nauw samen; Dominique zat in de Rue des Vosges en François enkele straten verderop. Een formele samenwerkingsrelatie gingen zij niet aan. Op hun briefpapier en in het plaatselijke archief onderscheidden de beide broers zich van elkaar als Peccatte ‘ainé’ voor Dominique en Peccatte ‘jeune’ voor François.

Tussen 1847 en 1849 werden er twee kinderen geboren uit het huwelijk van François en Marie Françoise, hun derde en vierde. Beiden leefden maar enkele maanden. Het vijfde kind, dat in 1850 ter wereld kwam, bleef gezond en werd naar zijn jaar eerder overleden broer Charles genoemd. De oudere kinderen van François hadden geen belangstelling voor het vak, maar de jongste, Charles wel.

In 1851 besloot François weer naar Parijs te gaan. Hij verkocht het huis in Mirecourt voor een fors bedrag dat hem vijftien jaar lang in termijnen zou worden uitbetaald en waarvan hij ruimschoots kon leven. Een paar maanden later, in 1852, vertrok hij. Vermoedelijk omdat hij ziek werd, begon François in Parijs nog niet voor zichzelf, maar bij Jean Baptiste Vuillaume, de grote vioolbouwer met wie hij bevriend was en die inmiddels een klein imperium had opgebouwd.

Naast zijn Parijse huis in de Rue des Lavandières-Sainte-Opportune 11, hield François Peccatte in Mirecourt nog enkele stukken grond met gebouwen aan, waaronder zijn oude werkplaats. Die gebruikte hij om zelf nog enkele strijkstokken te maken, maar voornamelijk gebruikte hij het adres om zaken te doen.

Tot een eigen bedrijf in Parijs kwam het niet. François Peccatte overleed op 35-jarige leeftijd in zijn huis aan de Rue des Lavandières. Zijn zoon Charles was nog maar vijf. Marie Françoise, zijn weduwe, trouwde met Auguste Lenoble die een leerling was geweest van François. Lenoble adopteerde Charles, hielp hem zijn talenten te ontwikkelen en gaf aan hem de vakkennis van zijn vader door.

Werk en invloed

De eerste strijkstokken van François Peccatte leken heel erg op die van zijn oudere broer Dominique, alleen de ronding aan de onderkant van de kop was volgens Millant iets nauwkeuriger gesneden. Dominique’s model wordt beschreven als een compromis tussen Tourte en Persoit en dat laat het werk van François aanvankelijk ook zien. Bij Dominique waren geen twee strijkstokken aan elkaar gelijk doordat hij zo intuïtief en spontaan werkte. François was iets consistenter in zijn werk, de verschillen zijn kleiner en springen minder in het oog dan bij Dominique.

Vrijwel zeker heeft François in Parijs niet alleen met Dominique gewerkt, maar ook met Joseph Marie Lafleur. Lafleur was bij Dominique in dienst gebleven nadat Lupot was overleden. De kop van François’ stokken kreeg later veel weg van die van Lafleur.

Na 1847 gingen de strijkstokken van de beide broers steeds meer op elkaar lijken, ze werkten dan ook veel samen. Experts zien soms de hand van de ene broer in de stok waar de brandstempel van de ander op staat en andersom. Beïnvloed door de Romantici, zochten componisten het in grotere emotionele extremen. De strijkstokken van Peccatte waren daar bij uitstek geschikt voor en werden dan ook zeer veel gevraagd.

Met zo’n hoogst gerespecteerde broer, was het niet eenvoudig voor François om op hetzelfde niveau komen. François probeerde het wel en slaagde daar volgens kenners tussen 1844 en 1854 ook bijzonder goed in, maar de aandacht en eer gingen desondanks steeds weer naar Dominique.

In Mirecourt maakte François vooral veel stokken van slangenhout, een houtsoort die gelijkwaardig is aan het gebruikelijke pernambuco. Uit prijslijsten blijkt dat François zijn strijkstokken verkocht voor prijzen tussen de 1 en 50 frank, erg goedkoop in vergelijking tot prijzen die in Parijs voor dezelfde kwaliteit werden gevraagd. Chanot rekende tussen de 11 en 100 frank.

Zo productief als Dominique, die soms wel een strijkstok per dag maakte, was François niet. Dat liet zijn gezondheid vermoedelijk niet toe. In de latere jaren laat zijn werk een zichtbare teruggang in kwaliteit zien. Hij stempelde ze nog maar zelden.

Gezien het feit dat veel strijkstokken van François op die van Dominique leken, is er in de loop van de jaren waarschijnlijk een flink aantal van zijn strijkstokken aan Dominique toegeschreven. De prijs van Dominique’s stokken lag vele malen hoger dan die van François. Hoe groot de productie van François geweest is, valt dan ook niet meer nauwkeurig te achterhalen, maar zijn werkplaats in Mirecourt waar vijf mensen voor hem werkten, heeft vermoedelijk zo’n 350 stokken per jaar onder zijn naam geproduceerd.

Voor de jong gestorven François was de roem van Dominique, die samen met X.F. Tourte beschouwd wordt als een van de beste strijkstokkenmakers ooit, te groot om hem in de 15 jaar dat hij productief was te evenaren.

De strijkstok die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, is een prachtig voorbeeld van wat hij in zijn allerbeste periode bouwde.

Bronnen

Millant B., Raffin J.F., 2000, l`Archet: les archetiers Français 1750-1950. Paris.

Childs P., 1986, The bow makers of the Peccatte family, New York.

Tarisio, Cozio digitaal Archief, geraadpleegd in 2022.

Vatelot E.,1976, Les Archets Français. Nancy.

Geneanet, geraadpleegd in 2022.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2022.

Archives de Fontainebleau-Paris, geraadpleegd in 2022.

Mesdemarches.culture.france, geraadpleegd in 2022.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
2 augustus 2022