Doorgaan naar content
bouwer

François Louis Pique

*1758 , Roissy-en-France      †1822 , Charenton-Saint-Maurice

De Franse revolutie van 1789 had in Parijs, meer nog dan in de rest van Frankrijk ingrijpende gevolgen. Dat gold ook voor het leven van de vioolbouwer François Louis Pique die sinds 1787 in hartje Parijs woonde. Zijn klanten die voor een deel uit de bourgeoisie en aristocratie afkomstig waren, werden veelal omgebracht of waren al eerder vertrokken uit Frankrijk. De muziekvoorkeur veranderde drastisch en zowel vioolbouwers als strijkstokkenmakers zochten een manier om tegemoet te komen aan de nieuwe muzikale opvattingen. Instrumenten van Stainer en Amati vielen in ongenade en werden vervangen door de Italiaanse violen. François-Louis Pique wist van deze veranderingen te profiteren; vóór de Revolutie had hij nog maar een bescheiden reputatie, tijdens en na de Revolutie ontwikkelde hij zich tot een invloedrijke bouwer.
Werkplaats(en)
Parijs, 1787-1818

Leven en loopbaan

François-Louis werd geboren in het dorp Roissy-en-France, net buiten Parijs. Zijn vader Louis Pique was er jachtopziener van het plaatselijke landgoed. Vermoedelijk vertrok hij als jongen naar Mirecourt om daar bij Edmond Saunier in de leer te gaan. Hoewel bronnen vermelden dat hij al in 1787 naar Parijs ging, zijn de eerste documenten daarover pas van tien jaar later. Hij is dan gevestigd als vioolbouwer-handelaar en heeft een bescheiden werkplaats achter de Hallen in het meest levendige deel van Parijs.

Maar ook nog vóór de revolutie losbarstte had er zich al een verandering voltrokken in de smaak van de musici. Daar zorgde de komst van de vioolvirtuoos Viotti in 1782 voor. Viotti bezat een viool uit 1709, gebouwd door Antonio Stradivari. Die propageerde hij waar hij maar kon. Boven de instrumenten van Duitse en Franse bouwers ging zijn voorkeur uit naar zijn Stradivari omdat die viool hem in staat stelde om met een andere techniek warmer, maar vooral krachtiger te spelen. Dat leerde hij ook aan zijn leerlingen Rudolph Kreuzer en Marie-Pierre Baillot. Door deze zeer geziene musici kregen de nieuwe Italiaanse instrumenten al snel groot aanzien. Tijdens zijn tienjarig verblijf in Parijs was Viotti invloedrijk genoeg om de smaak van musici en publiek te veranderen; niet alleen door zijn optreden als violist en pedagoog, maar ook omdat hij directeur was van verschillende veel gevraagde Franse en Engelse operagezelschappen. François-Louis Pique merkte dat de voorliefde voor het Franse model bij het publiek begon te tanen en ging daarin mee door violen te bouwen die gebaseerd waren op de Italiaanse school.

Bij die transformatie zocht François-Louis Pique iemand die met hem samen aan de vraag naar nieuwe instrumenten zou kunnen voldoen. Het was de violist Michel Woldemar die Nicolas Lupot daarvoor bij Pique aanbeval. Lupot woonde toen nog in Orleans en was een vrij onbekende, maar getalenteerde vioolbouwer. Pique was echter te voorzichtig om al direct een volledige werkrelatie met Lupot aan te gaan. Eerst vroeg hij Lupot om enkele instrumenten op te sturen die hij in Parijs voor hem zou kunnen verkopen. Daarna stuurde hij hout naar Orleans om Lupot violen voor zich te laten bouwen. Die retourneerde Lupot eerst in ongelakte staat, maar nadat Pique het resultaat van de tweede zending zag, trof hem de uitzonderlijk mooie, Italiaans aandoende lak van een afgewerkte viool die Lupot had meegestuurd. Vanaf dat moment vertrouwde hij hem het bouwen van volledige instrumenten toe en deed hij zijn eerste poging om Lupot naar Parijs te halen.

In juni 1789 brak rondom François-Louis Pique de Grote Terreur uit, met als dieptepunt de bestorming van de Bastille. De aristocratie moest vluchten om aan de guillotine te ontkomen. Velen waren echter te laat. Hun eigendommen werden geconfiskeerd en aan burgers verkocht om de enorme schulden te dekken waar Lodewijk XVI het land mee had opgezadeld.

In deze woelige en onzekere tijd trouwde François-Louis Pique in 1791 met Marguerite-Agnes Payen. Een maand later volgde het bloedbad op de Champs de Mars; een heftige gebeurtenis die de inwoners van Parijs meer zou bezig houden dan iets anders. Voor muziek was nauwelijks aandacht, laat staan voor nieuwe instrumenten. Zijn vrouw Marguerite-Agnes was van eenvoudige afkomst, maar haar vader wist enkele onteigende panden voor een klein bedrag te kopen en werd daardoor later een welvarend man. Zelf verhuisde hij van een klein slagershuisje naar een voorname woning. In 1792, het jaar waarin de grote Parijse opstand uitbrak en de Assemblée de monarchie afschafte, werd de eerste dochter van François-Louis en Marguerite geboren.

Met het nieuw verworven familievermogen kocht François-Louis Pique een ander atelier, eveneens dicht bij de Hallen. Daar begon hij naam te maken als een bouwer van op de nieuwe leest geschoeide violen. In 1796 nodigde hij Nicolas Lupot uit om naar Parijs te komen.

Tijdens en direct na de revolutie was het ook wat de burgerlijke administratie betreft een chaos. Door herindeling van de Parijse arrondissementen en de vlucht van de geestelijkheid werd de kerkelijke administratie evenmin bijgehouden terwijl de burgerlijke stand nog niet volgens de nieuwe regels van de staat was ingericht. Daardoor bestaan er, op de geboorteakten van zijn drie kinderen na, tot 1818 geen officiële archiefstukken over François-Louis Pique. De eerste acte van een familiegebeurtenis die werd vastgelegd in de nieuwe burgerlijk stand is het huwelijk van zijn oudste dochter Agnès in 1818.

Het huwelijk van zijn jongste dochter Elisabeth vond plaats toen François-Louis Pique al gestopt was met werken, zij trouwde in 1822 met Nicolas Lété, handelaar in instrumenten, snaren en exotische goederen in Parijs. Ook importeerde zijn schoonzoon hout uit de Franse koloniën waarmee hij onder meer de Parijse instrumentenbouwers van materiaal voor hun instrumenten voorzag.

Vijf jaar later, na het verlies van een arm, stopte François-Louis Pique noodgedwongen met werk en verhuisde naar zijn buitenhuis aan de Marne. Nog maar enkele maanden na het huwelijk van zijn dochter in 1822, stierf hij. François-Louis Pique heeft voor zover bekend geen leerling of opvolger gehad. Alleen zijn schoonzoon Nicolas noemde zichzelf ‘de opvolger van Pique’, maar dat was uitsluitend in naam, zelf heeft hij geen enkel instrument gebouwd.

Werk en invloed

De violen die Pique in zijn eerste periode maakte waren gebaseerd op de Franse traditie; goed gebouwd, gewelfd en voorzien van een wat vlakke, rood-bruine lak. Hij maakte in die tijd niet alleen violen en celli, maar ook theorbes en luiten. Met zijn instrumenten had hij succes tot Viotti zijn Italiaanse viool in Parijs introduceerde. Musici en publiek verlangden die ook van de Franse bouwers. Pique zag zich daardoor genoodzaakt een model te gaan bouwen dat in klank en volume gelijkwaardig was aan die van de Italiaanse school.

Hij veranderde de hoekpunten, maar belangrijker was dat hij de welving in overeenstemming bracht met de instrumenten van Stradivari. Ook het uiterlijk van zijn instrumenten veranderde hij enigszins. Daarvoor gebruikte hij de prachtige, diep rood bruine olielak zoals die van Lupot of een die daar sterkt op leek. Deze lak bracht hij vrij dik op. Samen met andere kleine wijzigingen kregen zijn instrumenten er een krachtiger, meer Italiaans uiterlijk door.

Van Pique zijn enkele gedecoreerde violen bekend waarvan op de achterzijde van één bijzonder exemplaar uit 1810 een romantisch landschap is geschilderd. De ribben daarvan zijn voorzien van meerdere Franse lelies.

De viool van François-Louis Pique die Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft is van 1797, drie jaar nadat hij zijn samenwerking met Nicolas Lupot in Parijs had voortgezet.

Bronnen

Millot S., 2015, Nicolas Lupot, Messigny-et-Vantoux.

Millot S. en Perrin N. 2017, Lecture 1-4; journée Européenne De La Lutherie. Cordes sur Ciel.

Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.

Henley W. , 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.

Sibre A. 1824, La Chélémonie ou Le Parfait Luthie, Paris.

Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2019.

Geneanet, geraadpleegd in 2019.

Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2019.

Auteur
Jan Boekhout
Datum
13 augustus 2019