
cello
Anna Manthou

*1884 , Nancy †1936 , Nancy
Fernand Jacquot was geen vernieuwer, noch waren zijn voorouders dat. Zijn opvattingen over de vioolbouw lag diep geworteld in de traditie van Mirecourt. Hij werd geboren in 1884 in Nancy waar zijn ouders leefden sinds zijn grootvader Charles Jacquot (1804-1880) zich daar in 1823 gevestigd had. Zijn vader, Etienne Charles Albert (1853-1929) was een ontwikkeld man. Al jong was hij naar Augsburg gegaan om Duits en muziek te studeren. Nadat hij zijn studies afgerond had, ging hij naar Parijs waar zijn grootvader een atelier had. Bij hem ontwikkelde hij belangstelling voor het vak en bleek gefascineerd door oude instrumenten en de verschillen in hun klank. Terug in Nancy vervolgde hij zijn opleiding bij zijn vader en om zijn kennis over de invloed van materiaal op klank van instrumenten te verbreden trad hij in 1858 in dienst bij de gerenommeerde pianobouwer Erard.
Inmiddels had Fernands grootvader naam gemaakt door in 1862 in Londen, in 1867, 1878 en 1889, vier jaar na Fernands geboorte, prijzen te winnen voor zijn instrumenten op de tentoonstellingen in Parijs. Twee jaar later gevolgd door een grote prijs in Moskou. Ook het keizerlijk conservatorium was onder de indruk geweest van zijn instrumenten en kocht enkele violen van hem.
Als jongen van acht jaar moet Fernand ongetwijfeld opgekeken hebben tegen zijn grootvader toen hem de hoogste onderscheiding die Frankrijk kende werd uitgereikt voor zijn betekenis voor de Franse vioolbouw: het kruis van het Legioen van eer. De familienaam Jacquot was daarmee verbonden aan eervolle en vaak grote prestaties. Op Fernand die ook vioolbouwer wilde worden legde dat ongetwijfeld een zekere druk, maar hij bleef bescheiden en hield zich ver van expansie.
Fernand ging op zijn twaalfde bij zijn vader in de leer, studeerde verder bij Frébinet en Mougenot-Gauché in Mirecourt, waarna hij zijn opleiding twee jaar later bij zijn vader afrondde. Samen bouwden zij instrumenten die niet alleen in Nancy maar ook in hun vestiging in Parijs werden verkocht. Deze zaak had zijn overgrootvader in 1853 al geopend en was sindsdien in de familie gebleven.
Het jaar 1900, hij was toen zestien, werd een indrukwekkend jaar voor de Fernand Jacquot; zijn beide grootouders stierven en zijn vader werd om zijn bijdrage aan de vioolbouw geridderd in de Orde van Sint-Anna van Rusland. In dat jaar begon zijn vader aan een omvangrijke biografie over de Franse vioolbouwers dat een standaardwerk over hun leven en oeuvre zou worden. Over de vestiging in Parijs tijdens de periode van grootvader schreef hij daarin dat ‘het een belangrijke plek was voor de grote violisten als Maurin, Sivori, Jacquart en voor veel kenners’. Veel tijd bleef hij besteden aan zijn onderzoek naar de klank in strijkinstrumenten en zat in diverse commissies of jury’s in binnen- en buitenland. Bij al deze nevenactiviteiten zag hij ook nog kans om in 1900 enkele instrumenten naar tentoonstellingen in Hanoi en Saint-Louis te sturen, waarmee hij zilveren medailles won. Hij wordt nog steeds beschouwd als een van de leidende figuren in de Franse vioolbouw van de negentiende eeuw. Een ’erudiet muziekhistoricus’ werd hij genoemd toen hij in 1903 Ridder werd van het Legioen van Eer.
Fernand kreeg door alle nevenactiviteiten van zijn vader met wie hij het atelier in Nancy deelde, de ruimte om zich zelfstandig verder te ontwikkelen.
Zoveel competitiedrang als zijn vader en grootvader had Fernand niet. Hij richtte zich op zijn vak; alleen in 1905 deed hij mee met een Internationale competitie in Luik. Daar won hij een gouden medaille.
Vanaf 1900 waren veel vermogende Fransen uit de Elzas naar Nancy getrokken. In tien jaar tijd verdubbelde het inwonersaantal. Zij weigerden om onder de Duitse bezetting te leven en lieten in Nancy weelderige huizen bouwen en inrichten in een nieuwe stijl: de Art Nouveau. Tot de oorlog uitbrak leefde de stad van massaproductie gebaseerd op kunstvoorwerpen in die stijl. Nancy werd een knooppunt van hoop en belangstelling van kunstenaars, handelaren en industriëlen. De art nouveau in de ‘school van Nancy’ werd een wereldwijd fenomeen. Muziek viel echter niet onder de hernieuwde belangstelling voor kunst.
Gestimuleerd door zijn vader maakte hij van deze nieuwe trend gebruik door decoratieve elementen uit de art nouveau op de achterkant van enkele instrumenten te verwerken. Een cello die hij op deze manier gedecoreerd had, werd aangekocht voor de collectie van Keizer Nicolas II van Rusland.
In Nancy zat er weliswaar een conservatorium, maar dat had zich jarenlang gericht op piano, hout- en koperblazers. Strijkers kozen daarom voor een opleiding in het nabijgelegen Metz of Parijs. Het symfonieorkest van het conservatorium speelde maar zelden. Pas na de komst van Guy Ropartz (1864-1955) als directeur veranderde dat.
Voor zover er klassieke muziek werd uitgevoerd, was al vanaf 1880 Duitse muziek in de ban gedaan vanwege het Duits-Franse conflict dat, al zeker in de streek waarin Nancy ligt, hevig speelde. Beethoven, Haydn of Mozart stonden nergens meer op het programma. Rond de eeuwwisseling waren muziekgezelschappen in Nancy overwegend gericht op nieuwe amusementsmuziek die de art nouveau met zich mee had gebracht. Fernand Jacquot was nog de enige vioolbouwer in de stad.
In 1910 trouwde hij met Germaine Collière (1885-1949). Het jaar daarop werd hun zoon Honoré geboren en een jaar later hun dochter Denise.
De eerste wereldoorlog trof Nancy hevig. Het front lag maar op enkele kilometers van de stad. De Duitsers ondernamen al vanaf 1914 tevergeefse pogingen om de stad in te nemen om het daarna zwaar te bombarderen. Het centrum, waar Fernand en zijn gezin woonden, ontkwam niet aan het geweld. Honderden huizen werden beschadigd en het dagelijks leven kwam nagenoeg stil te liggen. Muziek werd er niet meer gemaakt en voor de instrumenten van Fernand was in die jaren geen belangstelling. Zijn werk bestond hoofdzakelijk uit reparaties. In het voorjaar van 1915 werd hij gemobiliseerd als reservist voor actieve militaire dienst en gelegerd in Metz. Uiteindelijk ontkwam hij toch niet aan de oorlog; het front lag dichtbij en daar werd hij in 1816 ingezet om gewondentransporten te helpen verzorgen.
In 1918 pakte Fernand zijn werk weer op en nam korte tijd later Gustave Vuillaume (1899-1960) als leerling aan. Gustave was al jong begonnen in Mirecourt en besloot om zijn opleiding bij Jacquot af te maken. Tot 1924 bouwden zij samen violen, cello’s en een enkele contrabas. Zijn overtuiging om alle instrumenten volledig met de hand te blijven maken en geen machinaal gemaakte onderdelen uit fabrieksateliers te gebruiken, bleek economisch niet rendabel te zijn. Hij ging nog wel voor korte tijd een relatie aan met Léon Mougenot uit Mirecourt en kocht enkele van zijn instrumenten maar daarvan werden de meeste pas na zijn dood door zijn erfgenamen verkocht. Op het etiket daarvan stond; ‘gebouwd op aanwijzing van Fernand Jacquot’.
Lang duurde deze opleving niet, in 1924 ging hij uiteindelijk toch failliet. De ruimte die daardoor in de stad ontstond werd ingenomen door Gustave Vuillaume die voor zichzelf begon. Niet lang want ook hij zag voor zichzelf in Nancy weinig toekomst en vertrok naar Mirecourt. Fernands winkel en werkplaats waren dan wel gesloten, maar hij bouwde tussen 1924 en 1928 nog wel enkele instrumenten.
Over zijn leermeester zou Gustave Vuillaume later zeggen dat hij instrumenten bouwde die, ‘wat elegantie van vorm en uiterlijk betreft, gerekend mogen worden tot de beste van de moderne Franse school’. Hun klankkwaliteit is naar zijn mening buitengewoon goed en wordt naarmate ze ouder worden alleen maar beter, aldus de man die jaren met hem heeft samengewerkt.
De familie Jacquot bouwde instrumenten naar hun grote voorgangers uit Cremona als Stradivari en Guarneri, echter niet op de Italiaanse manier, maar volgens de technieken van Lupot en later van Jean-Baptiste Vuillaume. Daarin volgde Fernand zijn vader en grootvader. Door kleine veranderingen aan te brengen in deze modellen, kregen hun instrumenten een herkenbaar eigen karakter.
Daar de administratie van Fernand verloren is gegaan kan de omvang van zijn oeuvre niet precies vastgesteld worden. Die wordt geschat op zo’n 300 instrumenten. Hij bouwde voornamelijk violen, enkele altviolen en cello’s en twee contrabassen.
Zijn etiket luidde: Fernand Jacquot / Luthier / 19 Rue Gambetta 19 / Nancy.
Het instrument dat Het Muziekinstrumentenfonds in de collectie heeft, is het laatste instrument dat hij bouwde voor de eerste wereldoorlog uitbrak en hij gemobiliseerd werd. Kenners zien het als zijn beste periode.
Jacquot A., 1912, La Lutherie Lorraine et Française, Paris.
Henley W., 1959 Universal Dictionary of Violin and Bow Makers. Amati Publications. London.
Vannes R., 1999, Dictionnaire universel des luthiers, Spa.
Thöne J, 2008, Italian & French Violin Makers, Dubai.
Tarisio; the Cozio archives, geraadpleegd in 2020.
Geneanet, geraadpleegd in 2020.
Archives Nationales de France, geraadpleegd in 2020.